ECLI:NL:GHARN:2004:AO6427

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
21 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03-01021
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3d ZiekenfondswetArt. 66a Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling middelingsregeling en inkomen voor ziekenfondsverzekering zelfstandigen

Belanghebbende, die een juridisch adviesbureau drijft, betwistte de verklaring van de Inspecteur dat zijn gemiddelde belastbare inkomen over de referteperiode 1998-2000 niet hoger is dan ƒ 44.625 (€ 20.250), waardoor hij volgens de Ziekenfondswet verplicht verzekerd is voor 2003.

De Inspecteur had op basis van artikel 66a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 een middelingsteruggaaf verleend, maar het hof stelde vast dat deze middelingsregeling niet leidt tot wijziging van de vastgestelde inkomens, maar slechts tot een herberekening van de belasting. De Ziekenfondswet sluit aan bij het inkomensbegrip van de Wet op de inkomstenbelasting, zodat het inkomen voor de Ziekenfondswet ongewijzigd blijft.

De door belanghebbende aangehaalde wetsgeschiedenis bood onvoldoende grond voor een ander oordeel. Het hof verklaarde het beroep ongegrond en wees een kostenveroordeling af. Tegen deze mondelinge uitspraak is geen cassatie mogelijk.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en hij blijft verplicht verzekerd voor de ziekenfondsverzekering zelfstandigen.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
Belastingkamer
tweede meervoudige belastingkamer
nummer 03/01021 (ziekenfondsverzekering zelfstandigen)
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : [X]
te : [Z]
verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P]
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar
betreft : Verklaring ziekenfondsverzekering zelfstandigen 2003
nummer : [01]
mondelinge behandeling : op 7 januari 2004 te Arnhem
waarbij verschenen : belanghebbende alsmede [de Inspecteur]
gronden:
1. Belanghebbende drijft een onderneming (een juridisch adviesbureau). Zijn -vastgestelde- belastbare inkomens over de jaren 1997 tot en met 2000 belopen:
1997: ƒ 206.759
1998: ƒ 29.508
1999: ƒ 14.013
2000: ƒ 18.832
2. In het onderhavige jaar (2003) was belanghebbende verzekerd ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen.
3. Op verzoek van belanghebbende heeft de Inspecteur op 28 december 2001 op grond van artikel 66a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB) een middelingsteruggaaf verleend aan belanghebbende. Deze teruggaaf heeft betrekking op het middelingstijdvak 1997 tot en met 1999.
4. De Inspecteur heeft bij de onderwerpelijke beschikking verklaard dat, nu het gemiddelde inkomen over de referteperiode (1998, 1999 en 2000) niet meer bedraagt dan ƒ 44.625 (€ 20.250), belanghebbende voor het jaar 2003 voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet (kort gezegd: de verplichte ziekenfondsverzekering voor zelfstandigen).
5. Belanghebbende bestrijdt deze verklaring met het betoog dat zijn gemiddelde belastbare inkomen over de referteperiode, na toepassing van de middelingsregeling, meer beloopt dan ƒ 44.625 (€ 20.250), zodat hij buiten het bereik van de Ziekenfondswet valt.
6. Het betoog van belanghebbende kan niet als juist worden aanvaard. Toepassing van de in artikel 66a van de Wet IB vervatte middelingsregeling leidt immers voor de inkomstenbelasting niet ertoe dat de vastgestelde belastbare inkomens over het middelingstijdvak worden gewijzigd, maar heeft "slechts" tot gevolg dat een herberekening van de verschuldigde belastingbedragen plaatsvindt. In aanmerking genomen dat de Ziekenfondswet (artikel 3d, negende lid) voor het begrip inkomen aanknoopt bij het inkomensbegrip van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, moet worden geconcludeerd dat toepassing van bedoelde middelingsregeling evenmin tot wijziging van het inkomen van de referteperiode leidt.
7. De door belanghebbende aangehaalde wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1998/1999, 26 553, nr. 3 en nr. 5) biedt naar het oordeel van het Hof onvoldoende grond voor een andersluidend oordeel.
8. Het beroep is ongegrond.
proceskosten:
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
beslissing:
Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan op 21 januari 2004 door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. J.A. Monsma, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Sitsen als griffier en op die datum in het openbaar uitgesproken door de voorzitter in aanwezigheid van de griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, De voorzitter,
(J.M. Sitsen) (J.P.M. Kooijmans)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 2 februari 2004
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.