ECLI:NL:GHARN:2003:AO2361
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Hooft Graafland
- Mens
- Wesseling-Lubberink
- Rechtspraak.nl
Geen toepassing Wet verevening pensioenrechten bij scheiding op reservistenpensioen
In deze zaak stond de vraag centraal of het reservistenpensioen van de man, toegekend op grond van de Algemene militaire pensioenwet en later de Kaderwet militaire pensioenen, onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) valt en daarmee verdeeld kan worden tussen de ex-echtgenoten.
De vrouw vorderde primair verrekening van het reservistenpensioen met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 1981 en subsidiair verevening op grond van de Wvps. De rechtbank oordeelde dat de Wvps van toepassing was en kende de vrouw de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde militair pensioen toe, waaronder ook het reservistenpensioen.
Het hof stelde echter vast dat het reservistenpensioen niet het karakter heeft van een ouderdomspensioen in de zin van de Wvps, omdat het een periodieke vergoeding is voor het jarenlang ter beschikking stellen aan het landsbelang zonder dat sprake is van een arbeidsverhouding of opbouw van pensioenrechten door premiebetaling. Hierdoor is het pensioen sterk aan de persoon van de man verknocht en valt het niet in de gemeenschap, noch komt het voor verrekening in aanmerking.
De grieven van de man werden gegrond verklaard, de vorderingen van de vrouw afgewezen en het bestreden vonnis vernietigd voor zover het de verrekening van het reservistenpensioen betrof. De proceskosten van het hoger beroep werden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van de vrouw af en verklaart dat het reservistenpensioen niet voor verdeling of verrekening in aanmerking komt.