ECLI:NL:HR:2002:AD9113
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- D.H. Beukenhorst
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Verdeling pensioenrechten na echtscheiding in gemeenschap van goederen
Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn in 1986 gescheiden. Het geschil betreft de verdeling van de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten. De rechtbank stelde de verdeling vast, welke door het hof werd bekrachtigd. De vrouw stelde in hoger beroep en cassatie dat de pensioenrechten gematigd moesten worden op grond van redelijkheid en billijkheid, met verwijzing naar de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.
Het hof verwierp dit standpunt omdat het hier ging om verdeling van pensioenrechten binnen de gemeenschap van goederen en niet om pensioenverevening op grond van de wet, die uitgaat van een verzorgingsplicht tussen echtgenoten. Het hof vond de toegepaste matiging aanvaardbaar gezien de omstandigheden, waaronder het kinderloze huwelijk en het feit dat beide partijen inkomen hadden.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep van de vrouw. De Hoge Raad benadrukte dat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding niet analoog kan worden toegepast op de verdeling van pensioenrechten uit de gemeenschap van goederen. De overige klachten van de vrouw werden eveneens verworpen zonder nadere motivering.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de verdeling van pensioenrechten volgens de gemeenschap van goederen zonder analoge toepassing van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.