ECLI:NL:GHARN:2003:AH9301
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.B.H. Röben
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van heffingsrente bij voorlopige aanslag inkomstenbelasting 1999
Belanghebbende diende bezwaar in tegen de heffingsrente die was opgenomen in de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999. De Belastingdienst had het aangiftebiljet pas na herhaalde verzoeken en vertraging toegezonden, waardoor de aanslag laat werd opgelegd en heffingsrente werd berekend over een langere periode.
Het geschil betrof de vraag of de heffingsrente terecht was berekend. De wet bepaalt dat heffingsrente wordt berekend vanaf het einde van het belastingtijdvak tot de dagtekening van het aanslagbiljet. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat indien het niet mogelijk is om uit eigen beweging te voldoen vanwege redenen gelegen bij de Belastingdienst, het zorgvuldigheidsbeginsel meebrengt dat geen heffingsrente mag worden berekend.
Het hof stelde vast dat de Belastingdienst naliet om tijdig een aangiftebiljet toe te zenden ondanks meerdere verzoeken van belanghebbende. Dit was een onzorgvuldige behandeling. De Inspecteur erkende de slordigheid. Het hof verwierp het verweer dat belanghebbende zelf om een voorlopige aanslag had moeten verzoeken.
Op grond hiervan beperkte het hof de heffingsrente tot de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000, omdat belanghebbende al op 1 november 2000 om het aangiftebiljet had verzocht. Het beroep van belanghebbende werd daarmee gedeeltelijk gegrond verklaard en de heffingsrente verminderd.
Uitkomst: Heffingsrente werd beperkt tot periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 wegens onzorgvuldige behandeling door de Belastingdienst.