ECLI:NL:GHARN:2002:AF1258
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waarde economische verkeer voor overdrachtsbelasting bij verkrijging onroerende zaak
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vraag centraal hoe de waarde van een onroerende zaak voor de berekening van overdrachtsbelasting moet worden vastgesteld. Volgens het Gerechtshof Arnhem dient de waarde te worden bepaald als de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn besteed, conform vaste jurisprudentie en de artikelen 9, eerste lid, en 52 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer.
Belanghebbende voerde aan dat de feitelijke bewoning van de woning door haar en haar echtgenoot, de samenwoningverplichting uit het familierecht en de noodzaak van toestemming van de andere echtgenoot voor vervreemding de waarde zouden beïnvloeden. Het hof verwierp deze argumenten en stelde dat deze omstandigheden de waarde in het economische verkeer niet beïnvloeden.
Het hof concludeerde dat de bestreden naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens oordeelde het hof dat er geen gronden zijn voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze mondelinge uitspraak is geen cassatieberoep mogelijk, tenzij de uitspraak schriftelijk wordt vervangen binnen vier weken na verzending.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting wordt ongegrond verklaard.