ECLI:NL:GHARN:1999:AA3902
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- mr Van Schie
- mr Matthijssen
- mr Röben
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale aftrekbeperking en vrije vestiging in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een houdstermaatschappij met binnenlandse en buitenlandse deelnemingen, betwistte de aanslag vennootschapsbelasting over 1993, waarin kosten verbonden aan deelnemingen binnen de Europese Gemeenschap niet volledig aftrekbaar werden geacht. De inspecteur handhaafde de aanslag, waarna belanghebbende beroep instelde bij het Gerechtshof Arnhem.
De kern van het geschil betrof de uitleg en toepassing van artikel 13, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, in samenhang met het recht van vrije vestiging zoals neergelegd in artikel 52 van Pro het EG-Verdrag. Belanghebbende stelde dat de aftrekbeperking een belemmering en discriminatie vormde tegen buitenlandse dochterondernemingen, terwijl de inspecteur dit betwistte en verwees naar de Moeder-Dochterrichtlijn die lidstaten toestaat dergelijke kostenbeperkingen toe te passen.
Het hof concludeerde dat de vestigingsvrijheid in deze zaak wel degelijk aan de orde was, maar dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de aftrekbeperking een ongeoorloofde belemmering of disproportionele discriminatie opleverde. Het hof benadrukte de fiscale coherentie van de regeling en het doel van de deelnemingsvrijstelling om dubbele belasting te voorkomen. Ook werd gewezen op de vrijheid van de onderneming om de juridische vorm van buitenlandse activiteiten te kiezen.
Daarom verklaarde het hof het beroep ongegrond en bevestigde het de uitspraak van de inspecteur. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat cassatie open bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag vennootschapsbelasting wordt bevestigd.