ECLI:NL:GHARN:1998:AA1222

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
4 november 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
97/22080
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 lid 1 onderdeel c Wet op de inkomstenbelasting 1964
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt aftrek studiekosten kunstzinnige therapie als beroepsopleiding

In deze zaak stond centraal of de studiekosten van de echtgenote van belanghebbende voor een opleiding kunstzinnige therapie in 1995 konden worden aangemerkt als aftrekbare beroepskosten volgens artikel 46, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

De echtgenote was in 1988 geconfronteerd met kanker en had ontslag genomen uit haar oude baan. In 1995 begon zij een 4,5 jaar durende opleiding aan de Stichting *A te *Q, die zij na het eerste jaar staakte. Belanghebbende stelde dat de opleiding werd gevolgd met het oog op een nieuwe beroepsuitoefening en dat er een reële verwachting was dat de verworven kennis economisch productief zou zijn.

Het hof oordeelde dat belanghebbende aannemelijk had gemaakt dat aan de criteria uit het arrest van de Hoge Raad van 24 september 1997 was voldaan, namelijk dat de studie werd ondernomen ter verbetering van de maatschappelijke positie en dat de kennis economisch productief gemaakt kon worden. De omstandigheid dat de opleiding werd gestaakt deed hieraan niet af, omdat de beoordeling plaatsvindt op het moment van het doen van de uitgaven.

De inspecteur had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de studie om louter persoonlijke redenen werd gevolgd. Het beroep van belanghebbende werd daarom gegrond verklaard, de aanslag verminderd en de proceskosten aan belanghebbende toegekend.

Uitkomst: Het hof verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslag vanwege aftrek van studiekosten voor de kunstzinnige therapieopleiding.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
zevende enkelvoudige belastingkamer
nr. 97/22080
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : *X
te : *Z
ambtenaar : de inspecteur van de Belasttingdienst/Particulieren *P
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaarschrift tegen aanslag
soort belasting : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen
jaar : 1995
mondelinge behandeling : op 22 oktober 1998 te Arnhem door mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheer, in tegenwoordigheid van mevrouw Vermeulen-Post als griffier
waarbij verschenen : belanghebbende en zijn gemachtigde *, alsmede de inspecteur *
gronden:
1. Bij belanghebbendes in 1941 geboren echtgenote is in de loop van 1988 kanker geconstateerd. In het kader van de behandeling van haar ziekte is zij in aanraking gekomen met de kunstzinnige therapie. Haar oude baan gaf haar weinig voldoening en zij heeft hieruit – naar belanghebbende aanneemt in 1989 – ontslag genomen.
2. Belanghebbendes echtgenote is in september van het onderhavige jaar 1995 begonnen met een opleiding voor kunstzinnige therapie aan de Stichting *A te *Q.
3. De duur van de opleiding beloopt 4,5 jaar. De Stichting presenteert de opleiding als een beroepsopleiding.
4. Na het eerste jaar is belanghebbendes echtgenote met de opleiding gestaakt.
5. Tussen partijen is in geschil of de kosten van ƒ 5.081,– die belanghebbendes echtgenote in 1995 voor de opleiding heeft gemaakt, kunnen worden aangemerkt als uitgaven ter zake van de opleiding of studie voor een beroep als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
6. Gelet op het arrest van de Hoge Raad de Nederlanden van 24 september 1997, nr. 32.252 (BNB 1997/359), is voor de beoordeling van de vraag of een studie of opleiding wordt gevolgd voor een beroep, maatgevend of de studie (of opleiding) wordt ondernomen met het oog op verbetering van de maatschappelijke positie in financieel-economisch opzicht, en voorts de belastingplichtige in redelijkheid kan verwachten dat na voltooiing van deze studie (of opleiding) de verworven kennis in het economische verkeer productief gemaakt kan worden.
7. Belanghebbende heeft aangevoerd dat bij zijn echtgenote weliswaar sprake was
van een zekere gedrevenheid om andere mensen te helpen als kunstzinnig therapeute en dat dit voorop stond, maar dat geld verdienen niet van ondergeschikt belang was. Volgens belanghebbende zou zijn echtgenote de opleiding niet zijn aangevangen als zij er geen geld mee kon verdienen, waarbij hij ook heeft gewezen op de hoogte van de aan de opleiding verbonden kosten.
8. Voorts is door belanghebbende aangevoerd dat zijn echtgenote zich vooraf heeft georiënteerd op de arbeidsmarkt voor kunstzinnig therapeuten, onder andere bij degenen waar zij zelf die therapie heeft ondervonden, dat de vraag naar kunstzinnig therapeuten stijgende is en dat er met name ook vraag is naar mensen zoals zijn echtgenote die de therapie zelf hebben ondergaan en van een rijpere leeftijd zijn. Dit laatste met name omdat de patiënten die met deze therapie in aanraking komen meestal al wat ouder zijn. In de praktijk zijn volgens belanghebbende ook kunstzinnig therapeuten werkzaam van een oudere leeftijd.
9. Het hof heeft geen aanleiding tot het oordeel dat hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd en is weergegeven onder 7. en 8. onjuist zou zijn en acht belanghebbende er dan ook in geslaagd aannemelijk te maken dat is voldaan aan de onder 6. verwoorde criteria.
10. Hiertegenover maakt de inspecteur met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk dat belanghebbendes echtgenote de studie om persoonlijke redenen heeft gevolgd en niet om de redenen weergegeven onder 6. De omstandigheid dat zij haar opleiding inmiddels heeft beëindigd en dat de kans op een maatschappelijke en financiële positieverbetering derhalve nihil is doet daaraan niet af omdat de vraag of voldaan is aan de meerbedoelde criteria moet worden beoordeeld naar het moment waarop de uitgaven worden gedaan.
11. Het beroep is gegrond.
proceskosten:
Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten fiscale procedures te berekenen op 2 x ƒ 710,– x 1 = ƒ 1.420.–.
beslissing:
Het gerechtshof:
– vernietigt de uitspraak van de inspecteur;
– vermindert de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 171.204,–;
– gelast de inspecteur aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van ƒ 80,– te vergoeden;
– veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van ƒ 1.420,–, te vergoeden door de inspecteur van de Staat der Nederlanden.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 4 november 1998 door
mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheer, lid van de zevende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Vermeulen-Post als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier,Het lid van de voormelde kamer,
(I.B. Vermeulen-Post)(F.J.P.M. Haas)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 november 1998