ECLI:NL:GHARL:2026:982

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
Wahv 200.351.481/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep misbruik procesrecht bij ingebrekestelling en dwangsom verkeersboete

De betrokkene stelde beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het verzoek tot vaststelling van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen door de officier van justitie op een administratief beroep ongegrond verklaarde. De betrokkene voerde aan dat de ingebrekestellingen correct waren en dat de officier van justitie onterecht geen dwangsom toekende.

De kantonrechter oordeelde dat de wijze van ingebrekestelling onverenigbaar was met het doel van een ingebrekestelling en kwalificeerde het handelen als misbruik van procesrecht. Het hof bevestigt dit oordeel en verwijst naar een eerder arrest van 23 juni 2025 waarin dezelfde kwestie werd behandeld.

Het hof stelt vast dat de ingebrekestellingen in bulk werden ingediend, waarvan een aanzienlijk deel geen doel kon treffen, waardoor de officier van justitie werd belemmerd in het adequaat beslissen. De door de betrokkene overgelegde memo en steekproef leiden niet tot herziening van het oordeel.

Het hof vernietigt het bestreden besluit voor zover het het verzoek tot vaststelling van de dwangsom afwees, verklaart het verzoek niet-ontvankelijk wegens misbruik van procesrecht en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hof verklaart het verzoek tot vaststelling van een dwangsom niet-ontvankelijk wegens misbruik van procesrecht en wijst proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.351.481/01
CJIB-nummer
: 255571260
Uitspraak d.d.
: 19 februari 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 20 januari 2025, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.
Op 21 augustus 2025 en 25 september 2025 zijn nog e-mails van de gemachtigde binnengekomen. Kopieën daarvan zijn toegestuurd naar de advocaat-generaal.
De zaak is behandeld op de zitting van 19 november 2025. Gelet op het verhandelde ter zitting van het hof is besloten de zaak aan te houden.
Op 29 januari 2026 heeft de advocaat-generaal nog aanvullende stukken ingebracht. Een kopie daarvan is toegestuurd naar de gemachtigde.
De zaak is behandeld op de zitting van 5 februari 2026. Namens de gemachtigde is mr. [naam 1] verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam 2] .

De beoordeling

1. Het hoger beroep richt zich tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek van de gemachtigde tot vaststelling van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen, door de officier van justitie, op het administratief beroep. De kantonrechter heeft het verzoek afgewezen en daartoe - kort samengevat - overwogen dat de door de gemachtigde gehanteerde werkwijze onverenigbaar is met het doel van een ingebrekestelling. De kantonrechter ziet geen rechtsgeldige wijze van het in gebreke stellen in het handelen van de gemachtigde. Daarbij overweegt de kantonrechter dat in het onderhavige geval sprake is van misbruik van procesrecht.
2. Met betrekking tot de dwangsom voert de gemachtigde aan dat, gelet op artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 4:18 van Pro de Awb, de officier van justitie verplicht is om binnen twee weken na ontvangst van een ingebrekestelling een besluit te nemen. De gemachtigde is van mening dat de officier van justitie ten onrechte geen dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het administratief beroep heeft toegekend. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat hij de officier van justitie op de juiste wijze in gebreke heeft gesteld. De wet biedt geen ruimte om op basis van een steekproef te bepalen welke ingebrekestellingen wel of niet worden behandeld. De officier van justitie heeft ook geen tekst en uitleg gegeven over de steekproef. Er zijn inderdaad veel ingebrekestellingen verstuurd, maar verkeersboete.nl heeft ook veel zaken. Ten aanzien van de stelling van de officier van justitie dat in veel zaken al een beslissing was genomen, wordt opgemerkt dat post afkomstig van het Parket CVOM soms veel later binnenkomt. Daarnaast is de beslissing soms alleen naar de betrokkene gestuurd. Als en voor zover het Parket CVOM kan bewijzen dat post is verstuurd, betekent dat niet dat ook bewezen is dat die is aangekomen. Dat in sommige dossiers al beroep bij de kantonrechter was ingesteld komt omdat soms beroep wordt ingesteld tegen samenhangende beslissingen via één dossier. Daarnaast stelt de gemachtigde dat hij de zaken handmatig steekproefsgewijs heeft gecontroleerd en niet op gevallen is gestuit waarin een ingebrekestelling niet van toepassing was. Pas na tien weken heeft de officier van justitie een gemotiveerd standpunt ingenomen over buitenbehandelingstelling van de ingebrekestelling. In de tussentijd beslist de officier van justitie in allerlei zaken waarin terecht ingebrekestellingen waren gestuurd. Er valt niet uit te sluiten dat de officier van justitie opzettelijk laat heeft gereageerd om aldus de verschuldigdheid van dwangsommen te vermijden. Dit komt neer op misbruik van bevoegdheid. Volgens de gemachtigde heeft de kantonrechter het bovenstaande ten onrechte niet onderkend. De kantonrechter heeft, zonder nadere toelichting, hiertoe overwogen dat geen sprake is van een deugdelijke aanlevering van de ingebrekestelling. De brieven en lijsten zoals deze bij de kantonrechter zijn overlegd betreffen de verzendadministratie. In elk dossier is daarnaast een individuele ingebrekestelling ingediend. De kantonrechter heeft de verzendadministratie ten onrechte bestempeld als ingebrekestellingen. [1] Ter onderbouwing van zijn standpunt legt de gemachtigde onder andere een memo over genaamd ‘Kwaliteit en Effectiviteit van Geautomatiseerde Procesbewaking bij Verkeersboete.nl’ d.d. 21 augustus 2025 die is opgesteld door zijn IT-afdeling. Ter zitting van het hof is door de gemachtigde onder meer bepleit dat zij bekend zijn met problemen rond de postbezorging van PostNL en, gelet daarop, de beslissingen van de officier van justitie de gemachtigde vaak niet bereiken. Om de gemachtigde vervolgens te betichten van misbruik van procesrecht is volgens hem dan ook een zware aantijging. Verder is door de gemachtigde gesteld dat wat betreft de steekproef niet deugt en dat deze ingebrekestellingen terecht zijn ingediend. Daar waar nodig kan de gemachtigde dit onderbouwen met ontvangstbewijzen en getekende volmachten. Volgens de gemachtigde is het Parket CVOM alleen ingegaan op de zaken waarin sprake is van een in- of onttrekking. De andere categorieën worden niet onderbouwd met cijfers.
3. De advocaat-generaal heeft zich in het verweerschrift onder meer op het standpunt gesteld dat de officier van justitie mocht beslissen om de ingebrekestelling met datum 2 oktober 2023 buiten behandeling te laten. Kort samengevat is aangevoerd dat met de wijze van sturen van ingebrekestellingen in een batch met in totaal 314 ingebrekestellingen, waarin slechts een klein percentage mogelijk doel kon treffen, de gemachtigde het Parket CVOM onmogelijk heeft gemaakt om adequaat en voortvarend te beslissen. Het op deze wijze in bulk toesturen van ingebrekestellingen in zaken die al waren afgedaan of waarin de gemachtigde geen gemachtigde meer was, levert misbruik van procesrecht op. De advocaat-generaal heeft een samenvatting van een memo van het Parket CVOM en de daarbij behorende bijlagen overgelegd. Die memo is opgesteld door medewerkers van het Parket CVOM, waarin de gehele correspondentie tussen de gemachtigde en het Parket is bijgehouden. In een reactie op de door de gemachtigde overgelegde memo stelt de advocaat-generaal zich op het standpunt dat de gemachtigde niet aannemelijk heeft gemaakt dat het Parket CVOM in de batch van 2 oktober 2023 een relatief ongunstige steekproef heeft gedaan. Ter zitting van het hof verwijst de vertegenwoordiger van de advocaat-generaal onder andere naar de eerder door haar ingebrachte brief d.d. 17 december 2025 die is opgesteld door de afdelingsjurist van het Parket CVOM. Hierin wordt de problematiek rondom de door de gemachtigde ingediende ingebrekestellingen nogmaals onderstreept. Wat betreft de memo d.d. 21 augustus 2025 is de vertegenwoordiger van de advocaat-generaal van mening dat deze foutieve berekeningen bevat.
4. Het hof stelt vast dat de ingebrekestelling deel uitmaakt van een bulk van 314 zaken die door de gemachtigde op een zelfde tijdstip is aangeleverd. Van die bulk is voldoende gebleken dat een zeer aanzienlijk deel van de ingebrekestellingen geen doel kan treffen.
5. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 23 juni 2025 is het hof van oordeel dat sprake is van misbruik van procesrecht, nu de gemachtigde zijn bevoegdheid tot het in gebreke stellen van de officier van justitie, gelet op de wijze waarop dat in dit geval is gedaan, in dit geval met geen ander doel heeft gedaan dan het de officier van justitie onmogelijk te maken gevolg te geven aan de ingebrekestelling door op zodanige termijn alsnog op het administratief beroep te beslissen dat geen dwangsom wordt verbeurd. [2] Het hof ziet in de door de gemachtigde overgelegde memo d.d. 21 augustus 2025 en hetgeen op de zitting van 5 februari 2026 met betrekking tot de uitgevoerde steekproef naar voren is gebracht geen aanleiding om tot een heroverweging te komen van hetgeen is geoordeeld in het hiervoor genoemde arrest van 23 juni 2025, nu het hof daarin heeft geoordeeld dat de wijze waarop de ingebrekestelling is ingediend meebrengt dat sprake is van misbruik van procesrecht.
6. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het verzoek van de gemachtigde tot vaststelling van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen door de officier van justitie op het administratief beroep is afgewezen, vernietigen en het verzoek niet-ontvankelijk verklaren. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het verzoek van de gemachtigde tot vaststelling van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen door de officier van justitie op het administratief beroep is afgewezen;
verklaart het verzoek van de gemachtigde tot vaststelling van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen door de officier van justitie op het administratief beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Reuver als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Ter onderbouwing verwijst de gemachtigde onder meer naar uitspraken van de rechtbank Amsterdam