ECLI:NL:GHARL:2026:936

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
21-005050-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 3 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeerArt. 2 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeerArt. 9 Wetboek van StrafrechtArt. 14a Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor rijden onder invloed van cannabis en cocaïne met voorwaardelijke taakstraf

Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het besturen van een voertuig onder invloed van cannabis en cocaïne op 28 juni 2023. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter om redenen van doelmatigheid en deed opnieuw recht.

De verdediging voerde bewijsuitsluiting aan wegens een vermeende onrechtmatige staandehouding en te late verzending van het bloedmonster, maar het hof verwierp deze bezwaren. De staandehouding was gerechtvaardigd door het slingerende rijgedrag en bijkomende gedragskenmerken van verdachte. Het bloedmonster werd binnen acht dagen na afname ontvangen door het laboratorium, wat volgens jurisprudentie van de Hoge Raad voldoende is voor rechtmatigheid.

Het hof achtte het bewijs wettig en overtuigend en hield rekening met de ernst van het feit, het strafblad van verdachte en haar persoonlijke omstandigheden, waaronder het recente overlijden van haar echtgenoot en haar afhankelijkheid van het rijbewijs voor haar werk. Het opleggen van een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur, te vervangen door 20 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke rijontzegging van 8 maanden met een proeftijd van 2 jaar werd passend geacht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur en een voorwaardelijke rijontzegging van 8 maanden.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005050-24
Uitspraakdatum: 17 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 7 november 2024 met parketnummer 96-147284-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1977 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 3 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit;
  • oplegging van een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren;
  • en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 8 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsvrouw,
mr. N.J.H. Lina, hebben aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 7 november 2024, waartegen het beroep is gericht, verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de politierechter een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de duur van 8 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 28 juni 2023 te [plaats] een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis en / of cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde Wet, het gehalte in haar bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 4,7 microgram THC per liter bloed en / of 53 microgram cocaïne per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw stelt dat het proces-verbaal rijden onder invloed moet worden uitgesloten van het bewijs omdat de staandehouding van verdachte onrechtmatig was. Ook het rapport Drugs in het verkeer moet volgens de verdediging worden uitgesloten van het bewijs, omdat het afgenomen bloed van verdachte niet ‘zo spoedig mogelijk’ is verzonden naar het laboratorium.
De raadsvrouw stelt vervolgens dat verdachte moet worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.
Oordeel van het hof
Rechtmatigheid staandehouding
Anders dan de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat de staandehouding van verdachte niet op onrechtmatige wijze plaatsvond. Verbalisanten zien dat verdachte slingerend rijgedrag vertoont, wat hen reden geeft haar staande te houden. Tijdens de staandehouding vertoont verdachte bijkomende kenmerken, waaronder bewegingsdrang, woordenvloed en euforisch gedrag, die het speeksel- en bloedonderzoek rechtvaardigen. Gelet hierop zal het hof het proces-verbaal rijden onder invloed niet uitsluiten van het bewijs.
Verzending bloed verdachte
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de rechter in de regel, ook zonder nadere vaststellingen over de wijze waarop het bloedmonster direct na de afname van het bloed en tijdens het transport naar het laboratorium is bewaard, mag aannemen dat de verzending ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden als het bloedmonster binnen acht dagen na de dag van de bloedafname is bezorgd bij het laboratorium. [1]
Zoals blijkt uit het proces-verbaal rijden onder invloed, vond de bloedafname bij verdachte plaats op 28 juni 2023. Uit het rapport ‘Drugs in het verkeer’ blijkt dat het bloed vijf dagen later, op 3 juli 2023, is ontvangen door het laboratorium. Het hof neemt derhalve aan dat het bloed van verdachte ‘zo spoedig mogelijk’ is verzonden aan het laboratorium en zal het rapport ‘Drugs in het verkeer’ niet uitsluiten van het bewijs.
Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het ten laste gelegde en twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs.

Bewijsmiddelen

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 28 juni 2023, opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer [proces-verbaalnummer] d.d. 28 juni 2024, inhoudende de verklaring van [verdachte] :
P1: Heb je een voertuig bestuurd terwijl je alcohol, drugs en/of medicijnen had gebruikt?
V: Ja.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 28 juni 2023, opgenomen op pagina 2 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten:
Op woensdag 28 juni 2023 reed een persoon als bestuurder van een voertuig personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [plaats] . Vervolgens werd de bestuurder als verdacht van overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994 op de locatie aangehouden. De verdachte gaf mij, [verbalisant] ( [dienstnummer] ), op te zijn genaamd:
Achternaam: [achternaam]Voornamen: [voornaam]Geboren: [geboortedag] 1977
Diezelfde dag om 19:05 uur is van de verdachte bloed afgenomen conform Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. De buisjes bloed zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer verzonden naar het Maasstad Ziekenhuis te Rotterdam, voorzien van een genummerde en op naam gestelde SIN-sticker "Analyse" met het nummer [nummer] .
3. Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport “Drugs in het verkeer” d.d. 27 juli 2023, opgemaakt en ondertekend door [naam] , ziekenhuisapotheker-klinisch farmacoloog:
Tabel Resultaten onderzoek in bloed van [verdachte] met sporen identificatienummer [nummer]
Aangewezen stof
Meetbare stof
Grenswaarde enkelvoudig gebruik
Grenswaarde gecombineerd gebruik
Eindresultaat in bloed [nummer]
Rapportage eenheid
Cocaïne
Cocaïne
50
10
53
ug/liter
Cannabis
THC
3
1
4.7
ug/liter

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
zij op 28 juni 2023 te [plaats] een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd na gebruik van in artikel 2 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis en cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde Wet het gehalte in haar bloed bij de aangewezen en vermelde meetbare stoffen 4,7 microgram THC per liter bloed en 53 microgram cocaïne per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft een personenauto bestuurd terwijl zij onder invloed was van een aanzienlijke hoeveelheid cannabis en cocaïne. Door in die toestand aan het verkeer deel te nemen heeft verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en haar verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer verwaarloosd.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 29 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte zich eerder heeft schuldig gemaakt aan een soortgelijk strafbaar feit.
Verder heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard dat zij zich ten tijde van het bewezenverklaarde in een moeilijke situatie bevond. Haar man was kort daarvoor plotseling overleden en verdachte moest, ondanks haar verdriet, blijven doorwerken. Verdachte heeft verklaard dat zij voor haar werk als ZZP’er sterk afhankelijk is van haar rijbewijs.
De raadsvrouw heeft bepleit om verdachte – vanwege voornoemde persoonlijke omstandigheden – te veroordelen zonder oplegging van straf. Naar het oordeel van het hof is dit niet op zijn plaats, gelet op de ernst van het feit en de hiervoor geldende landelijke oriëntatiepunten van straftoemeting. Het hof is van oordeel dat de rechtbank in haar straftoemeting al voldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zal zich daarom hierbij aansluiten.
Alles afwegende acht het hof het opleggen van een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 8 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
8 (acht) maanden.
Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, mr. G.A. Versteeg en mr. A.F. van Kooij, in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 februari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 5 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1699.