ECLI:NL:GHARL:2026:922

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
200.346.132
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opschorting en ontbinding aannemingsovereenkomst verbouwing bakkerij wegens onveilige dakconstructie

De zaak betreft een geschil tussen [appellanten], opdrachtgever van een verbouwing van een bakkerij, en aannemer Repatherm. De verbouwing was opgesplitst in twee fasen, waarbij fase 1 bijna afgerond en betaald was, maar fase 2 nog niet was gestart. Repatherm heeft de resterende werkzaamheden niet uitgevoerd en beriep zich op opschorting vanwege een onveilige dakconstructie veroorzaakt door oude brandschade.

De rechtbank oordeelde dat de dakconstructie onveilig was en dat Repatherm daarom terecht haar werkzaamheden opschortte, wat een grondslag vormde voor ontbinding van de overeenkomst voor de nog niet uitgevoerde werkzaamheden. [Appellanten] betwistte dit oordeel in hoger beroep en stelde dat de situatie niet onveilig was en dat de herstelkosten binnen het budget vielen.

Het hof bevestigde het oordeel van de rechtbank, onderbouwd door een deskundigenrapport dat de constructieve veiligheid van het dak niet was gewaarborgd. Het hof verwierp de grieven van [appellanten], onder meer omdat de herstelkosten niet als ingecalculeerde tegenvaller konden worden beschouwd en Repatherm als goed opdrachtnemer mocht eisen dat de werkomgeving veilig was.

Het hoger beroep werd afgewezen, het vonnis van de rechtbank bleef in stand en [appellanten] werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de ontbinding van de aannemingsovereenkomst wegens onveilige dakconstructie blijft in stand.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.346.132
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 398384)
arrest van 17 februari 2026
in de zaak van

1.[appellant1] V.O.F.,

die is gevestigd in [vestigingsplaats1]
2. [appellant2]vennoot van appellante sub 1
3. [appellant3]vennoot van appellante sub 1
die beiden wonen in [woonplaats1]
hierna: samen: [appellanten]
advocaat: mr. H.J. Luising
tegen

1.Repatherm V.O.F.

die is gevestigd in Groessen
2. [geïntimeerde1]vennoot van geïntimeerde sub 1
die woont in [woonplaats2]
3. J.G. Beheer B.V.vennoot van geïntimeerde sub 1
die is gevestigd in Ressen (gemeente Lingewaard )
hierna: samen: Repatherm
advocaat: mr. P. Koeslag

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellanten] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem op 8 februari 2023, 10 mei 2023 en 22 mei 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van 22 augustus 2024
  • de memorie van grieven (met producties)
  • de memorie van antwoord (met producties)
  • de akte overlegging aanvullende producties tevens houdende eiswijziging van [appellanten]
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 13 mei 2025 is gehouden.
1.2.
Na de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden om te kijken of partijen samen tot een oplossing konden komen. Dat is niet gelukt en partijen hebben het hof verzocht arrest te wijzen. Het hof heeft vervolgens arrest bepaald op heden.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellanten] heeft Repatherm ingeschakeld om de boven- en benedenverdieping van haar bakkerij te verbouwen. De renovatie bestond uit twee fasen: eerst zou de bovenverdieping worden gedaan en op een later tijdstip de benedenverdieping. Op enig moment is tussen partijen onenigheid ontstaan. Fase 1 was toen voor ongeveer 90% afgerond en voor 100% betaald, fase 2 was nog niet opgestart en is ook niet betaald. Repatherm heeft de resterende overeengekomen werkzaamheden niet verricht. Volgens [appellanten] ten onrechte. Om die reden is zij een procedure gestart.
2.2.
[appellanten] heeft de rechtbank gevraagd Repatherm te veroordelen om de aanneemovereenkomst na te komen op straffe van verbeurte van een dwangsom en om
€ 2.450,- aan buitengerechtelijke kosten aan [appellanten] te betalen. Repatherm heeft op haar beurt bij wijze van voorwaardelijke tegenvordering gevraagd om de tussen partijen gesloten overeenkomst te ontbinden voor wat betreft de nog niet uitgevoerde prestaties.
2.3.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen en die van Repatherm toegewezen: zij heeft de aanneemovereenkomst ontbonden voor wat betreft de nog niet verrichte werkzaamheden. [appellanten] is het daar niet mee eens. In hoger beroep vraagt [appellanten] niet langer een veroordeling van Repatherm tot nakoming van de overeenkomst. Zij vraagt het hof nu om – kort gezegd – voor recht te verklaren dat i) Repatherm haar werkzaamheden ten onrechte heeft opgeschort en daardoor in verzuim is geraakt, ii) Repatherm gehouden is om [appellanten] de schade te vergoeden die zij heeft geleden als gevolg van de ontbinding van de aanneemovereenkomst door de rechter, en iii) Repatherm te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan [appellanten] . Voor deze derde vordering, de schadevergoeding, geldt dat [appellanten] het in dit kader door haar gevorderde bedrag bij akte wijziging van eis heeft verhoogd van € 200.000,- naar € 336.481,-. Die wijziging is pas op 1 mei 2025 bij akte gedaan. Het hof acht dat in strijd met de tweeconclusieregel en de goede procesorde en zal deze vermeerdering van eis buiten beschouwing laten.
2.4.
Het hof zal beslissen dat het hoger beroep niet slaagt en licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de rechtbank dus in stand.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Achtergrond van de zaak
3.1.
De rechtbank heeft de feiten weergegeven in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.23 van het tussenvonnis van 8 februari 2023, waarnaar het hof verwijst. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, is het volgende voorgevallen. Daarbij merkt het hof op dat de rechter de relevante feiten selecteert met het oog op de te nemen beslissing, dat de rechter daarbij grote vrijheid toekomt en dat er geen rechtsregel is die de rechter verplicht alle tussen partijen vaststaande feiten te vermelden. In zoverre kan het bezwaar (de grief) dat [appellanten] tegen de feitenvaststelling heeft gericht haar dus niet baten.
3.2.
In 2018 heeft [appellanten] [geïntimeerde1] benaderd voor de verbouwing van haar bakkerij. Op 25 februari 2019 heeft Repatherm een offerte opgesteld en aan [appellanten] verstuurd. Het in de offerte genoemde bedrag van € 320.000,- is naderhand door partijen mondeling bijgesteld naar € 275.000,-. De verbouwing zou in twee fasen worden uitgevoerd: eerst zou de bovenverdieping worden gedaan (fase 1, € 150.000,-) en op een later tijdstip de benedenverdieping (fase 2, € 125.000,-).
3.3.
Op enig moment is Repatherm gestart met de werkzaamheden aan de bovenverdieping en het dak (fase 1). Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kwam aan het licht dat spanten en sporen in de dakconstructie door een brand in het verleden zijn aangetast. Repatherm heeft op dat moment noodvoorzieningen aangebracht ter voorkoming van instorting van het dak. Tussen partijen is vervolgens discussie ontstaan over wie de kosten van het herstel van deze brandschade moest dragen: Repatherm was van mening dat het hier ging om werkzaamheden die geen onderdeel vormden van de werkzaamheden die zij had geoffreerd, terwijl [appellanten] van mening was dat tegenvallers voorzien waren en in het overeengekomen budget zaten. Dit omdat Repatherm in de offerte de volgende alinea had opgenomen:
“(...)
Om van de totale verbouwing de prijs inzichtelijk te maken is uitgegaan van het gemiddelde in mee en tegenvallers waardoor exacte prijzen per onderdeel niet gegeven kunnen worden maar wel een totaal budget gesteld wordt van 320 duizend exclusief btw waarbinnen alle afgesproken werkzaamheden worden uitgevoerd.(...)”
3.4.
Op 12 oktober 2020 hebben partijen met elkaar gesproken. Repatherm heeft toen een brief aan [appellanten] overhandigd. Daarin heeft zij geschreven dat zij de kosten verband houdende met de brandschade schat op ongeveer € 17.500,- en dat het niet haalbaar is om deze kosten ergens te verrekenen (anders dan door overig werk te vereenvoudigen en/of bepaalde producten zoals een vriescel goedkoop en gebruikt in te kopen).
3.5.
[appellanten] heeft bij e-mail van 15 oktober 2020 de planning aan Repatherm bevestigd zoals partijen die volgens haar op 12 oktober 2020 hadden besproken. In reactie daarop heeft Repatherm laten weten dat zij eerst de extra werkzaamheden die zij heeft verricht en de tegenvallers bij de verbouwing van de bovenverdieping wil verrekenen voordat zij verder gaat met de verbouwing van de benedenverdieping. [appellanten] heeft diezelfde dag gevraagd wat hij daar concreet mee moet en wat Repatherm van hem verwacht. Vervolgens zijn de werkzaamheden per 20 oktober 2020 stil komen te liggen.
3.6.
Een bemiddelingspoging in het najaar van 2020 / begin 2021 heeft geen oplossing gebracht. [appellanten] heeft Repatherm op 22 februari 2021 per brief in gebreke gesteld en gesommeerd om de werkzaamheden af te maken. Ook daarna is nog (met tussenkomst van gemachtigden) geprobeerd om tot elkaar te komen, maar zonder resultaat.
Het oordeel van de rechtbank
3.7.
Voor de leesbaarheid zet het hof hierna, voor zover van belang voor dit arrest, kort uiteen wat de rechtbank in eerste aanleg heeft geoordeeld naar aanleiding van de hierna vermelde stellingen van partijen.
3.8.
De rechtbank heeft geoordeeld dat er sprake is van een aanneemovereenkomst die zowel fase 1 als 2 behelst. Anders dan Repatherm betoogt, is er dus geen sprake van een raamovereenkomst. Dat betekent dat Repatherm dus in beginsel de verplichting heeft om alle in de offerte van 25 feb 2019 opgenomen werkzaamheden te verrichten. Die verplichting bestond ook in het najaar van 2020 nog, want [appellanten] heeft de overeenkomst, anders dan Repatherm betoogt, niet beëindigd in oktober 2020 en de overeenkomst is ook niet met wederzijds goedvinden geëindigd.
3.9.
Vaststaat dat Repatherm de werkzaamheden in de offerte vermeld onder 4, 24 en 25, en ook de werkzaamheden aan de benedenverdieping niet heeft verricht. Repatherm heeft zich in dat kader beroepen op opschorting. Zij stelt dat zij niet verder kon omdat de dakconstructie door de brandschade onveilig was en [appellanten] weigerde om deze te laten herstellen danwel Repatherm opdracht te geven om meerwerk uit te (laten) voeren. Repatherm beschouwt die situatie als een onvoorziene omstandigheid die opschorting en ontbinding voor nog niet uitgevoerde prestaties rechtvaardigt. [appellanten] heeft daar ten eerste tegenin gebracht dat Repatherm de onveilige situatie heeft hersteld zodat de werkzaamheden aan het dak kunnen worden uitgevoerd. Verder is de ontdekte brandschade volgens [appellanten] een tegenvaller als bedoeld in de overeenkomst zodat de extra werkzaamheden voor Repatherm onder het budget vallen. Is dit niet het geval dan heeft Repatherm volgens [appellanten] nooit gevraagd om meerwerk te mogen verrichten.
3.10.
De rechtbank heeft gelet op deze stellingen van partijen geoordeeld dat de vraag waar het om draait is of het dak als gevolg van de oude brandschade onveilig is in die zin dat Repatherm de overeengekomen werkzaamheden daaraan niet kon verrichten (vonnis van 8 februari 2023, onder rechtsoverweging (r.o.) 4.9). De rechtbank heeft besloten een deskundige te benoemen om zich over dit punt van de veiligheid uit te laten. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis echter al wel overwogen wat de uitkomst van het deskundigenbericht betekent voor de vorderingen van partijen (zelfde vonnis onder r.o. 4.15 en verder). Namelijk dat er geen reden voor ontbinding bestaat als de uitkomst van het deskundigenonderzoek is dat het dak veilig is, in de zin dat de overeengekomen werkzaamheden daaraan kunnen worden verricht, en dat de vordering tot nakoming dan toewijsbaar is. Is de uitkomst dat het dak onveilig is, dan mocht Repatherm haar werkzaamheden opschorten en is er gelet op het feit dat de in de offerte genoemde uitvoeringstermijn van 2 tot 3 jaar is verstreken, een grondslag voor ontbinding, zoals Repatherm heeft gevraagd.
3.11.
De deskundige heeft geconcludeerd dat de constructieve veiligheid van het dak niet is gewaarborgd, waardoor de werkzaamheden aan het dak onder 4 en 24 van de offerte niet veilig kunnen worden uitgevoerd. Anders dan [appellanten] betoogt, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om aan de juistheid van de rapportage van de deskundige te twijfelen. In lijn met het tussenvonnis heeft de rechtbank dan ook geoordeeld dat de vordering tot nakoming moet worden afgewezen, en dat de vordering tot ontbinding voor zover het betreft de nog niet verrichte werkzaamheden wordt toegewezen.
De bezwaren van [appellanten] tegen het oordeel van de rechtbank
3.12.
Het hof stelt voorop dat de omvang van het geschil zoals dat aan het hof voorligt, wordt bepaald door de bezwaren (grieven) die [appellanten] tegen de vonnissen van de rechtbank naar voren brengt (het grievenstelsel). Dit grievenstelsel brengt mee dat alleen die eindbeslissingen en dragende overwegingen van de rechter in eerste aanleg in hoger beroep aan de orde zijn, waartegen een grief is opgeworpen. Het hof moet een beslissing van de rechtbank, die niet door een grief is bestreden, in beginsel dus eerbiedigen.
3.13.
Het hof stelt vast dat geen van de vier bezwaren die [appellanten] heeft opgeworpen zich richt tegen het oordeel van de rechtbank dat, als komt vast te staan dat het dak onveilig is, Repatherm haar werkzaamheden mocht opschorten en de vordering tot ontbinding toewijsbaar is (r.o. 4.16 en 4.17 van tussenvonnis van 8 februari 2023). Weliswaar heeft [appellanten] in de inleiding van haar memorie van grieven (hierna: MvG) aangevoerd dat de rechtbank
ten onrechte heeft overwogen dat de overeenkomst diende te worden ontbonden als de huidige dakconstructie volgens een deskundige niet veilig wordt geacht(zie randnummer 2 MvG). Maar zij heeft deze stelling niet nader toegelicht, ook desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling bij het hof niet. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is voor het hof (en Repatherm) onvoldoende duidelijk hoe de vier bezwaren die [appellanten] in haar MvG verder heeft uitgewerkt, kunnen dienen als onderbouwing van deze stelling.
3.14.
Het voorgaande leidt ertoe dat ook het hof tot uitgangspunt dient te nemen dat de vorderingen van Repatherm toewijsbaar zijn en die van [appellanten] niet, als het dak onveilig is. Binnen dat kader zal het hof hieronder de bezwaren van [appellanten] bespreken.
3.15.
Allereerst de vraag of er nu wel of geen sprake was van een onveilige situatie voor wat betreft de dakconstructie. De rechtbank heeft op basis van het deskundigenrapport geoordeeld dat dat zo is. Het hof begrijpt het derde bezwaar (grief 3) van [appellanten] zo dat zij het niet eens is met de vraagstelling aan de deskundige. De rechtbank heeft uiteindelijk een van de vragen die zij eerder had geformuleerd laten vallen, en daarnaast heeft zij geen nadere duiding gegeven aan het begrip “veilig”. Maar veiligheid is een multi-interpretabel begrip en daarom heeft de deskundige, [naam1] , daar een eigen invulling aan gegeven. [naam1] heeft namelijk het gezichtspunt van het bevoegd gezag aan haar antwoord ten grondslag gelegd. Omdat er geen constructieve berekeningen waren en ook niet gemaakt konden worden, lag het antwoord op de vraag of de situatie “veilig” was dus op voorhand al vast, aldus [appellanten] . Dat bezwaar faalt. In eerste aanleg is de vraagstelling op dit punt onderwerp van debat geweest tussen partijen. De rechtbank heeft uiteindelijk geoordeeld dat het aan de deskundige is om te bezien welke normen bij de beoordeling van de voorgelegde vraag moeten worden betrokken (r.o. 2.10 van het tussenvonnis van 10 mei 2023). In het deskundigenrapport is toegelicht om welke redenen de constructeur, en uiteindelijk ook de deskundige, menen dat de situatie onveilig is. De rechtbank heeft in r.o. 2.5 van het eindvonnis van 22 mei 2024 uitvoerig gemotiveerd waarom zij die conclusie volgt. Daartegen heeft [appellanten] geen concrete bezwaren gericht. Het hof ziet dan ook onvoldoende aanleiding om op dit punt tot een andere conclusie te komen dan de rechtbank (nog daargelaten dat ook het hof het deskundigenrapport overtuigend acht). Uitgangspunt is dus dat de situatie als onveilig moet worden beschouwd.
3.16.
Het bezwaar van [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd dat een garantie op de veiligheid van het pand onderdeel uitmaakte van de overeenkomst (grief 2), treft geen doel. Nog los van het gegeven dat de rechtbank dat niet gedaan heeft, geldt dat waar het hier om gaat is of de situatie van het dak veilig (genoeg) was voor Repatherm om de nog resterende werkzaamheden uit te kunnen voeren. [appellanten] dient als goed opdrachtgever namelijk in te staan voor een veilige werkomgeving, ook als zij dat niet concreet in de overeenkomst heeft gegarandeerd. Zij kon als opdrachtgever niet van Repatherm verlangen om in een onveilige situatie te werken.
3.17.
[appellanten] is echter van mening dat Repatherm per 12 dan wel 19 oktober 2020 in verzuim was omdat zij haar werkzaamheden per die datum ten onrechte heeft opgeschort (zo maakt het hof op uit de toelichting op grief 1 en het tweede deel van grief 2). Het hof begrijpt [appellanten] zo dat zij de opschorting onterecht acht, ten eerste omdat de situatie niet onveilig was en ten tweede omdat de herstelwerkzaamheden onderdeel uitmaken van de geoffreerde werkzaamheden. [appellanten] stelt ook dat Repatherm pas in de loop van de procedure voor de rechter heeft aangevoerd dat de onveiligheid van het dak voor haar de reden was om de werkzaamheden op te schorten, maar verbindt daar zelf in de grieven geen gevolg aan. Het hof kan [appellanten] ook niet zonder meer volgen in die stelling, omdat Repatherm (onweersproken) stelt dat zij kort na het ontdekken van de brand al tegen [appellanten] zou hebben gezegd dat de ontdekking van de oude brandschade betekende dat de constructie van het dak moest worden verstevigd en dat dit als meerwerk in rekening zou worden gebracht (stelling van Repatherm in de conclusie van antwoord in eerste aanleg). In oktober 2020 is vervolgens een impasse ontstaan over het verantwoorden van de kosten van het meerwerk. Het komt het hof voor dat dit mede het gevolg is van een misverstand: Repatherm schatte in dat herstel van het dak (mede om het veilig te maken) nog ongeveer € 17.500,- zou kosten en wilde pas verder als [appellanten] zich bereid toonde die kosten voor haar rekening te nemen en [appellanten] meende dat Repatherm aanspraak maakte op betaling (of verrekening) van dit bedrag vanwege de al uitgevoerde noodwerkzaamheden aan het dak en vond dat de extra werkzaamheden voor rekening van Repatherm moesten blijven. Het kan in het midden blijven wie het meest verantwoordelijk is voor die impasse. [appellanten] stelt zich immers tot op de dag van vandaag op het standpunt dat de situatie
nietonveilig was en dat de kosten van het constructief herstel van het dak voor Repatherm moeten komen omdat de overeenkomst voorzag in een “tegenvaller” als deze; [appellanten] voert in elk geval niet aan, dat zij anders zou hebben gehandeld als Repatherm duidelijker was geweest in de reden om het werk op te schorten. Volgens [appellanten] had Repatherm in overleg moeten treden met [appellanten] om te kijken op welke andere posten uit de offerte bezuinigd zou kunnen worden om op die manier deze kosten te dekken. Het hof constateert dat een opening daartoe wel degelijk kan worden gelezen in de brief die Repatherm op 12 oktober 2020 aan [appellanten] gaf, maar doorslaggevend is dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat de kosten voor (definitief) herstel van de brandschade geen onderdeel uitmaakten van het door Repatherm aangenomen werk en het in dat kader tussen partijen overeengekomen budget. Het herstel van de constructieve onveiligheid was niet opgenomen in de lijst van door Repatherm te verrichten werkzaamheden en weliswaar heeft Repatherm aanvaard dat zich onverwachte (bouwkundige) problemen bij de renovatie konden voordoen, maar de constructieve onveiligheid van het dak als gevolg van een ernstige, aan het zicht onttrokken brandschade kan niet worden gerekend tot ingecalculeerde tegenvallers. Zoals hiervoor al is geoordeeld moet de situatie als onveilig worden beschouwd. Repatherm mocht in de gegeven omstandigheden dus van [appellanten] verlangen dat [appellanten] er, voordat zij zou doorgaan met de werkzaamheden, voor zou zorgen dat Repatherm op een veilige manier verder zou kunnen met haar werkzaamheden – dat betekende concreet dat [appellanten] zich bereid toonde om de kosten van herstel voor haar rekening te nemen.
3.18.
Het eerste bezwaar (grief 1), ten slotte, richt zich tegen de feitenvaststelling door de rechtbank. Voor zover [appellanten] betoogt dat de feitenvaststelling niet volledig is, verwijst het hof naar wat het daarover in r.o. 3.1 hierboven heeft overwogen. Voor zover het bezwaar ziet op specifieke feiten, geldt dat [appellanten] bij de bespreking daarvan gelet op wat hiervoor is overwogen geen belang heeft.
3.19.
Het voorgaande leidt er toe dat blijft staan dat Repatherm gerechtigd was om haar werkzaamheden op te schorten en dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, daarmee een grondslag voor ontbinding was gegeven. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellanten] nog aangevoerd dat de opschorting niet proportioneel is, in de zin dat Repatherm niet gerechtigd was om in de gegeven situatie alle werkzaamheden (dus ook die uit fase 2) op te schorten. Dat verweer is, gelet op de tweeconclusieregel, te laat gevoerd. Repatherm heeft hier ook bezwaar tegen gemaakt en het hof ziet geen reden om een uitzondering op deze regel te maken en gaat dus aan dat verweer voorbij.
3.20.
[appellanten] heeft een algemeen bewijsaanbod gedaan, dat onvoldoende concreet en specifiek is. Niet is vermeld welke getuige over welk voor de beslissing relevant feit een verklaring zou kunnen afleggen, of welke feiten met nadere stukken en/of een deskundigenrapport verder kunnen worden onderbouwd. Het hof gaat hier dan ook aan voorbij. Het getuigenbewijsaanbod ten aanzien van het gesprek over de brandschade (en het kunnen ontdekken van de brandschade) tijdens de schouw (randnummer 39 MvG) is wel concreet, maar ziet niet op feiten of omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden, al is het maar omdat [appellanten] daar geen rechtsgevolg aan heeft verbonden. Ook daaraan gaat het hof dus voorbij.
De conclusie
3.21.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellanten] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellanten] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
3.22.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 8 februari 2023, 10 mei 2023 en 22 mei 2024;
4.2.
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten van Repatherm, tot zover begroot op:
€ 6.561,- aan griffierecht
€ 9.414,- aan salaris van de advocaat van Repatherm (2 procespunten x het toepasselijke tarief VI);
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. R. Verkijk, D.W.J.M. Kemperink en E.-J. van der Poel, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.