ECLI:NL:GHARL:2026:901

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
200.357.498 / 200.357.499
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:157 lid 6 BWArt. 3:89 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over zorgregeling, partneralimentatie en vermogensrechtelijke afwikkeling na echtscheiding

Partijen zijn in 2018 getrouwd met huwelijkse voorwaarden en hebben een minderjarige gezamenlijk. Na hun echtscheiding in mei 2025 is een zorgregeling, inschrijving in de BRP, partneralimentatie en vermogensrechtelijke afwikkeling vastgesteld door de rechtbank. De man kwam in hoger beroep tegen de zorgregeling, inschrijving BRP, partneralimentatie en woningverdeling. De vrouw kwam in incidenteel hoger beroep met eigen verzoeken.

Het hof vernietigt de zorgregeling van de rechtbank wegens onduidelijkheid en stelt een week-op-week-af regeling vast met overdracht op vrijdagochtend. De inschrijving van het kind in de BRP blijft op het adres van de vrouw. Het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming voor verhuizing wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen concreet verhuisplan is.

De partneralimentatie wordt vastgesteld op €3.515 per maand met ingang van 22 mei 2025, geïndexeerd naar €3.677 per maand per 1 januari 2026. De man is arbeidsongeschikt en heeft een aanvullende behoefte. De draagkracht van de vrouw is berekend op basis van haar werkelijke rendementen. De vermogensrechtelijke afwikkeling wordt grotendeels bekrachtigd, waarbij de man zijn aandeel in de woning overdraagt aan de vrouw onder betaling van €16.816,78. Een dwangsom wordt opgelegd bij niet-naleving.

Uitkomst: Het hof stelt een nieuwe week-op-week-af zorgregeling en partneralimentatie van €3.515 per maand vast, wijst het verzoek tot vervangende toestemming verhuizing af en bekrachtigt de vermogensrechtelijke afwikkeling met dwangsom.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.357.498 en 200.357.499
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 544004 en 571186)
beschikking van 17 februari 2026
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. C.A.H. Boom,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R. van Coolwijk.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 april 2025, uitgesproken onder zaaknummers 544004 en 571186. Deze beschikking wordt verder ook genoemd: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 17 juli 2025;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- een journaalbericht van mr. Van Coolwijk van 28 november 2025 met een begeleidende brief en producties 20 tot en met 30;
- een journaalbericht van mr. Boom van 2 december 2025 met begeleidende brief en producties 14 tot en met 28;
- een journaalbericht van mr. Boom van 10 december 2025 met bijlage.
2.2
Op 8 december 2025 heeft de minderjarige [de minderjarige] gesproken met een rechter (raadsheer) en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de zorgregeling.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 12 december 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (tijdens de behandeling van de zaak met nummer 200.357.498).

3.De feiten

3.1
Partijen zijn [in] 2018 met elkaar getrouwd in de gemeente [gemeentenaam] . Partijen hebben [in] 2018 huwelijkse voorwaarden opgesteld.
3.2
De man heeft op 16 augustus 2022 een verzoek tot echtscheiding ingediend. Het huwelijk van partijen is op 22 mei 2025 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de bestreden beschikking.
3.3
Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2016. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige] .
3.4
Partijen hebben ieder ook twee kinderen uit een eerdere relatie.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen zijn in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [de minderjarige] (hierna ook: de zorgregeling), de inschrijving van [de minderjarige] in de Basisregistratie Personen (hierna ook: de BRP), de verlening van (vervangende) toestemming aan de vrouw om te verhuizen binnen een straal van vijftien kilometer vanaf de school van [de minderjarige] , de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man (hierna ook: partneralimentatie) en de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang:
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- als reguliere zorgregeling vastgesteld:
maandag
dinsdag
woensdag
donderdag
vrijdag
zaterdag
zondag
Week 1
man
man
man/vrouw
vrouw
vrouw
vrouw
vrouw
Week 2
man
man
man/vrouw
vrouw
vrouw
vrouw
vrouw
Week 3
vrouw
vrouw
vrouw/man
man
man
man
man
Week 4
vrouw
vrouw
vrouw/man
man
man
man
man
- een gedetailleerde verdeling van de vakantie- en feestdagenregeling vastgesteld;
- bepaald dat [de minderjarige] op het adres van de vrouw ingeschreven zal staan in de BPR;
- de wijze van verdeling van de woning aan [adres] in [woonplaats] (hierna ook: de woning) gelast.
Daarnaast zijn partijen veroordeeld om over te gaan tot verrekening op basis van de huwelijkse voorwaarden zoals in de bestreden beschikking vermeld.
Deze beslissing is, behalve voor zover het de echtscheiding betreft, uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de verzoeken van partijen zijn voor het overige afgewezen.
4.2
De man is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De man verzoekt het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de inschrijving van [de minderjarige] in de BRP, de zorgregeling, de partneralimentatie en de verrekening op basis van de huwelijksvoorwaarden te vernietigen en
- de vrouw te veroordelen om met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking met een bedrag van € 5.000,- bruto per maand bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de man;
- te bepalen dat [de minderjarige] op het adres van de man kan worden ingeschreven;
- als reguliere zorgregeling een zogenoemde week-op-week-af regeling vast te stellen, met overdracht op maandag- of woensdagochtend om 08.30 uur (begin schooltijd), tenzij anders overeengekomen;
- te bepalen dat de reguliere zorgregeling tijdens Pasen doorloopt dan wel te bepalen dat [de minderjarige] alle Hemelvaart- of Pinksterdagen bij de man zal zijn;
- het verzoek van de man om zijn aandeel in de woning tegen een waarde van € 202.900 toe te delen aan de vrouw alsnog toe te wijzen, dan wel – als het hof van oordeel is dat er opnieuw een taxatie dient te worden uitgevoerd – te bepalen dat de man drie makelaars dient aan te wijzen waarvan de vrouw vervolgens een kan kiezen.
Daarnaast verzoekt de man vier verklaringen voor recht die verband houden met de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk van partijen. Ten slotte verzoekt de man het hof om de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.3
De vrouw voert verweer en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover de vrouw daar geen (incidenteel) hoger beroep tegen heeft ingesteld en de verzoeken van de man af te wijzen.
De vrouw is op haar beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen.
De vrouw verzoekt het hof na wijziging van haar verzoek:
- als reguliere zorgregeling vast te stellen dat [de minderjarige] de ene week bij de man doorbrengt en de andere week bij de vrouw, waarbij de wisseling op vrijdag plaatsvindt en [de minderjarige] in de even weekenden en de oneven weken bij de vrouw is;
- ten aanzien van de zomervakantie te bepalen dat [de minderjarige] de eerste drie weken bij de vrouw doorbrengt en de tweede drie weken bij de man dan wel te bepalen dat voor 1 september voorafgaand aan het jaar waarin de zomervakantie plaatsvindt de keuze voor de weken doorgegeven moet worden aan de andere ouder, bij gebreke waaraan de andere ouder de eerste keuze heeft voor dat jaar;
- te bepalen dat [de minderjarige] in de oneven jaren Koningsdag bij de man doorbrengt en in de even jaren bij de vrouw;
- te bepalen dat aan de vrouw (vervangende) toestemming wordt verleend om te verhuizen naar een woning binnen een straal van vijftien kilometer vanaf de school die [de minderjarige] op dat moment bezoekt;
- de man te veroordelen om binnen twee weken nadat de notaris aan partijen heeft meegedeeld dat de daartoe bestemde akte(s) gereedliggen, zijn medewerking te verlenen aan de overdracht van zijn aandeel in de woning aan de vrouw, dit zoals door de vrouw verzocht, onder de verplichting van de vrouw om een bedrag van € 16.816,78 aan de man te voldoen. Dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelde daarvan dat de man niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,- is bereikt.
Daarnaast verzoekt de vrouw de man te veroordelen tot het betalen van bedragen die verband houden met de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk van partijen. Dan wel ten aanzien van de verzoeken van de vrouw een beslissing te nemen die het hof juist acht. Ten slotte verzoekt de vrouw het hof de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.4
De man voert verweer in incidenteel appel en vraagt het hof de verzoeken van de vrouw af te wijzen.
4.5
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep in de zaken met nummers 200.357.498 en 200.357.499 per onderwerp bespreken.

5.De motivering van de beslissing

Bezwaar ingediende bijlagen
5.1
Tijdens de mondelinge behandeling is namens de vrouw bezwaar gemaakt tegen de bij het journaalbericht van mr. Boom van 2 december 2025 overgelegde Exel-bestanden (producties 14A, 14B en 27B). Dit nu de uitgeprinte versies niet volledig zijn en niet overeenstemmen met de vooraf naar mr. Van Coolwijk en het hof digitaal verzonden bestanden.
5.2
Het hof beslist daarop dat op die bijlagen acht wordt geslagen, omdat mr. Van Coolwijk deze discrepantie voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft opgemerkt, digitaal over de volledige bijlagen beschikt en in zijn pleitaantekeningen ook naar de bijlage(n) verwijst. Voor het hof is gelet daarop voldoende duidelijk dat de vrouw de gelegenheid heeft gehad behoorlijk van die bijlagen kennis te nemen en zich deugdelijk voor te bereiden op een verweer daartegen.
De zorgregeling, de inschrijving BRP en vervangende toestemming verhuizing
5.3
De man en de vrouw hebben samen het gezag over [de minderjarige] . Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd en kan de rechter een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag.
De zorgregeling
De reguliere zorgregeling
5.4
Uit de stukken, het gesprek dat [de minderjarige] met het hof had en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat de in de bestreden beschikking vastgestelde reguliere zorgregeling in de praktijk onvoldoende overzichtelijk is en bij [de minderjarige] voor verwarring zorgt. Zo heeft [de minderjarige] tijdens het gesprek met het hof laten weten dat het voor haar regelmatig niet duidelijk is door welke ouder ze op het einde van de schooldag wordt opgehaald. Dat vindt zij niet fijn. Gelet hierop vindt het hof het in het belang van [de minderjarige] dat er een reguliere zorgregeling wordt vastgesteld die eenvoudiger en voorspelbaar is voor haar. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de reguliere zorgregeling dan ook niet in stand laten (vernietigen) en als reguliere zorgregeling een zogenoemde week-op-week-af-zorgregeling vaststellen, waarbij de overdracht op vrijdagochtend om 08.30 uur (begin schooltijd) plaatsvindt.
5.5
Zoals de rechtbank al heeft overwogen hechten beide partijen veel waarde aan het contact tussen [de minderjarige] en haar halfbroers- en zussen. Gelet op de ten aanzien van de andere kinderen van de ouders bestaande contactmomenten, zal het hof een zorgregeling vaststellen waarbij [de minderjarige] in de even weken en oneven weekenden bij de man en in de oneven weken en even weekenden bij de vrouw is. Op deze manier is [de minderjarige] in de even week met haar broer van vaderszijde bij de man en kan zij haar broer en zus van moederszijde in de even weekenden bij de vrouw zien. Ten aanzien van de zus van [de minderjarige] van vaderszijde is gebleken dat zij op dit moment geen contact heeft met de man, maar dat zij via de vrouw contact onderhoudt met [de minderjarige] .
5.6
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man benadrukt dat als wordt bepaald dat [de minderjarige] de even weekenden bij de vrouw zal zijn, hij in het kader van de reguliere zorgregeling geen weekenden met zijn kinderen samen zal zijn en hij dan ook niet een weekend met zijn kinderen gezamenlijk weg kan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw in dat kader toegezegd dat de man en de vrouw in onderling overleg tot drie weekenden per jaar van weekend kunnen ruilen wanneer de man een weekend met zijn andere kind of kinderen en [de minderjarige] wil zijn en dat de man in dat kader een voorstel kan doen om een weekend te ruilen.
De zorgregeling tijdens vakanties en feestdagen
(Niet-)ontvankelijkheid
5.7
De vrouw stelt dat partijen tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg hebben afgesproken dat [de minderjarige] met Pasen bij de vrouw is en dat op deze overeenstemming niet kan worden teruggekomen, zodat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek over Pasen.
5.8
Het hof overweegt als volgt. Anders dan de vrouw stelt, kan de man worden ontvangen in zijn verzoek over Pasen. Ook als een verzoek van een partij in eerste aanleg is toegewezen, kan deze partij belang hebben bij het instellen van hoger beroep. Hoger beroep kan immers ook uitsluitend dienen tot verandering of vermeerdering van verzoek of eis. [1]
Inhoudelijke beoordeling
5.9
In de bestreden beschikking is een uitgebreide zorgregeling tijdens vakanties en feestdagen opgenomen. Beide ouders hebben verzoeken gedaan over deze verdeling omdat deze niet een gelijke verdeling van de zorg voor [de minderjarige] zou inhouden. Zo stelt de man dat het niet evenwichtig is dat [de minderjarige] op basis van de door de rechtbank vastgestelde verdeling elke Pasen bij de vrouw zal doorbrengen en stelt de vrouw op haar beurt dat het niet evenwichtig is dat [de minderjarige] elke Koningsdag bij de man zal doorbrengen. Ten aanzien van de zomervakantie stelt de vrouw dat zij graag tijdig weet welke weken [de minderjarige] bij haar zal zijn, maar dat de man overleg daarover weigert.
5.1
Het hof ziet in hetgeen de ouders hebben aangedragen geen aanleiding om ten aanzien van Pasen en Koningsdag tot een andere beslissing dan de rechtbank te komen. De beslissing van de rechtbank zal in zoverre dan ook in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof merkt in dat kader op dat gelijkwaardig ouderschap niet met zich meebrengt dat de tijd die een kind met elke ouder doorbrengt ook precies gelijk dient te zijn en benadrukt dat de ouders met de regeling zoals die door de rechtbank is vastgesteld ruim voldoende de kans krijgen om volwaardig ouder voor [de minderjarige] te zijn.
5.11
Uit de stukken blijkt dat de man kan instemmen met het bepalen van een deadline van 1 september in het voorafgaande schooljaar voor het doorgeven van de keuze van de weken ten aanzien van de zomervakantie. Het hof is van oordeel dat de vrouw bij een dergelijke regeling voldoende tijdig weet welke weken van de zomervakantie [de minderjarige] bij haar zal zijn, terwijl de man in dat geval de door hem gewenste flexibiliteit ten aanzien van de zomervakantie voldoende behoudt. Het hof zal in aanvulling op de bestreden beschikking dan ook bepalen dat de ouder die ten aanzien van de zomervakantie de keuze heeft welke drie weken [de minderjarige] bij hem of haar zal verblijven, die keuze uiterlijk 1 september voorafgaand aan het jaar waarin de zomervakantie plaatsvindt aan de andere ouder moet doorgegeven, bij gebreke waaraan de andere ouder de eerste keuze heeft voor dat jaar.
De inschrijving BRP
5.12
De ouders zijn het niet eens over de vraag op welk adres [de minderjarige] dient te zijn ingeschreven in de BRP. Partijen hechten hier veel waarde aan omdat de ouder bij wie [de minderjarige] ingeschreven staat de post over [de minderjarige] ontvangt en met de andere ouder dient te delen. Beide ouders menen dat zij daartoe de aangewezen persoon zijn.
5.13
Het hof zal bepalen dat [de minderjarige] ingeschreven zal blijven op het adres van de vrouw. [de minderjarige] staat daar al enige tijd ingeschreven en niet is gebleken dat de zaken rondom haar persoon niet goed worden geregeld. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om hier anders over te beslissen dan de rechtbank heeft gedaan. Zoals de raad tijdens de mondelinge behandeling heeft benadrukt, geldt ten aanzien van het delen van informatie over [de minderjarige] dat beide ouders een informatieplicht hebben, dit ongeacht op welk adres [de minderjarige] staat ingeschreven. De informatieplicht brengt met zich dat de ouders over en weer informatie over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind moeten delen met elkaar.
Vervangende toestemming verhuizing
5.14
De vrouw verzoekt het hof (vervangende) toestemming te verlenen om te mogen verhuizen naar een woning binnen een straal van vijftien kilometer vanaf de school die [de minderjarige] op dat moment bezoekt. Voor toewijzing van dit verzoek geeft artikel 1:253a BW naar het oordeel van het hof echter geen wettelijke grondslag. Zoals hierboven onder 5.1 al overwogen kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op grond van artikel 1:253a BW aan de rechter worden voorgelegd. Van een dergelijk geschil is geen sprake. De vrouw heeft op dit moment geen concreet plan om te verhuizen. Mocht zij dit in de toekomst wel hebben, dan ligt het op haar weg om daarover in overleg te treden met de man, voordat zij de rechter vervangende toestemming vraagt. Het hof zal de vrouw daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek om (vervangende) toestemming te verlenen.
5.15
In aanvulling op het voorgaande merkt het hof het volgende op. Zoals de raad tijdens de mondelinge behandeling heeft benadrukt kan niet alles over [de minderjarige] worden vastgelegd of aan de rechter worden voorgelegd. Uiteindelijk gaat [de minderjarige] de spanningen van en tussen de ouders voelen en dat is niet in haar belang. Het hof is het dan ook met de raad eens dat het in het belang van [de minderjarige] is dat de ouders een traject aangaan om te werken aan hun onderlinge verhouding en communicatie. In dat kader heeft de raad een zogenoemd SCHIP-traject aangeraden. Beide ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling laten weten zich in het belang van [de minderjarige] hiervoor in te zullen zetten.
Partneralimentatie
(Niet-)ontvankelijkheid
5.16
De vrouw stelt dat de man niet concreet maakt welk bedrag hij verzoekt vast te stellen, zodat onduidelijk is welk verzoek voorligt en waarop het hof moet beslissen.
5.17
Het hof overweegt dat het voor het hof voldoende helder is welke geschilpunten de man aan het hof wenst voor te leggen en wat zijn bezwaren zijn tegen het oordeel van de rechtbank over de partneralimentatie. De man verwijst voor zijn verzoek ten aanzien van de partneralimentatie naar zijn verzoek in eerste aanleg. In eerste aanleg heeft de man verzocht de vrouw te veroordelen om met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking met een bedrag van € 5.000,- bruto per maand bij te dragen in de kosten van zijn levensonderhoud. Gelet op de inhoud van het verweerschrift van de vrouw is dit ook voor haar voldoende duidelijk. Het hof acht de man dan ook ontvankelijk in zijn hoger beroep ten aanzien van de partneralimentatie en gaat over tot een inhoudelijke beoordeling.
Inhoudelijke beoordeling
Aanhechten draagkrachtberekeningen
5.18
Het hof zal bij de bespreking van de aanvullende behoefte en draagkracht de daarbij behorende berekeningen aan deze beschikking hechten.
Ingangsdatum
5.19
Volgens artikel 1:157 lid 6 BW Pro vangt de termijn voor het verstrekken van levensonderhoud aan op de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Dat is in deze zaak op 22 mei 2025 gebeurd. Anders dan de vrouw stelt, heeft zij naar het oordeel van het hof met ingang van het verzoek van de man tot vaststelling van partneralimentatie in eerste aanleg rekening kunnen en moeten houden met een eventuele partneralimentatieverplichting vanaf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Het hof ziet in hetgeen de vrouw stelt dan ook geen aanleiding om een latere ingangsdatum te bepalen, zodat het hof de ingangsdatum van de eventueel vast te stellen partneralimentatie zal bepalen op 22 mei 2025.
Hoogte van de huwelijksgerelateerde behoefte man
5.2
De vrouw stelt de hoogte van de door de man gestelde behoefte ter discussie. Zij stelt – kort weergegeven – dat partijen op grond van de huwelijkse voorwaarden iedere huwelijksgemeenschap hebben uitgesloten en dat haar vermogen de huwelijksgerelateerde behoefte van de man niet heeft beïnvloed.
5.21
Het hof stelt het volgende voorop. De hoogte van de behoefte van de man is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de bepaling van de hoogte van de behoefte rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter niet alleen in aanmerking moet nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest, maar ook een globaal inzicht moet hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.
De hofnorm is een in de praktijk ontwikkelde vuistregel om de huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen. Deze norm sluit aan bij het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen gedurende de laatste jaren van het huwelijk en gaat uit van een daaraan gerelateerd uitgavenpatroon.
5.22
Het hof ziet in onderhavig geval aanleiding om af te wijken van de hofnorm omdat partijen tijdens hun huwelijk hebben geleefd van de inkomsten van de man en het vermogen en rendement uit vermogen van de vrouw. Gebleken is dat partijen tijdens hun huwelijk goed hebben geleefd van hetgeen zij gezamenlijk ter beschikking hadden, zodat de man in de periode van het huwelijk gewend is geraakt aan de welstand ter hoogte van hetgeen zij gezamenlijk te besteden hadden.
Uit productie 14A van de man in hoger beroep blijkt dat de partijen in 2021, het laatste volledige jaar waarin partijen samenleefden, na de aftrek van de kosten van de kinderen gedurende hun huwelijk (158.978,36 - 13.908,45 =) € 145.069,91 te besteden hadden. Die opsomming wordt door de vrouw niet gemotiveerd betwist. Het hof zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de man vaststellen op 60% van dit bedrag, omdat dit naar het oordeel van het hof onder de gegeven omstandigheden een reële maatstaf is om de behoefte van de man vast te stellen. Dit heeft als resultaat dat de man een behoefte heeft van afgerond € 7.253,- netto per maand en geïndexeerd naar 2025 van € 8.643,- netto per maand.
Behoeftigheid (aanvullende behoefte)
5.23
Van behoeftigheid is sprake als de man niet voldoende inkomsten heeft en deze ook niet in redelijkheid kan verwerven om volledig in zijn eigen behoefte te kunnen voorzien.
5.24
De man stelt dat hij niet (geheel) in zijn behoefte kan voorzien. De man stelt in dat kader – kort weergegeven – dat hij op dit moment arbeidsongeschikt is en niet in staat is te werken. De broodfondsschenkingen die hij in dat kader ontving zijn per 8 december 2025 geëindigd, waardoor hij genoodzaakt was een bijstandsuitkering aan te vragen.
De vrouw voert verweer en voert op haar beurt – kort weergegeven – aan dat de man pas na de breuk van partijen ziek werd en zelf de keuze heeft gemaakt om geen goede arbeidsongeschiktheidsverzekering af te sluiten. De man is naar eigen zeggen ziek geweest van november 2023 tot juli 2024 en dus al ruim een jaar hersteld. Hij toont niet aan dat hij vanaf het moment dat partijen zijn gescheiden geheel arbeidsongeschikt is en evenmin dat hij dit nog steeds is. De man maakt zijn inkomsten uit zijn eenmanszaak niet (geheel) inzichtelijk en benut zijn verdiencapaciteit niet optimaal, aldus de vrouw.
5.25
Het hof oordeelt als volgt. De man heeft zijn stelling dat hij inmiddels al langere tijd niet in staat is te werken onderbouwd door het overleggen van stukken over zijn medische situatie, waaronder een rapportage van een door hem benaderde bedrijfsarts. Uit die informatie en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat de man kanker heeft gehad, dat hij in dat kader behandelingen heeft ondergaan en dat hij op dit moment gelet op de gevolgen daarvan (nog) niet in staat is om te werken. Ook heeft de man stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij tot 8 december 2025 schenkingen ontving vanuit het Broodfonds en inmiddels een bijstandsuitkering heeft aangevraagd. Uit de bestreden beschikking blijkt dat de man van het Broodfonds tot 8 december 2025 schenkingen ontving van, na aftrek van de schenkbelasting, € 21.807,- netto per jaar en dus € 1.817,25 netto per maand. Vanaf 8 december 2025 zal de man naar verwachting aangewezen zijn op een bijstandsuitkering.
5.26
Gelet op het voorgaande volgt uit de aangehechte berekeningen dat de man ten minste een aanvullende behoefte heeft aan het door hem verzochte bedrag aan partneralimentatie van € 5.000,- bruto per maand. Het is redelijk dat de vrouw naar draagkracht in deze behoefte voorziet.
5.27
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de (advocaat van de) vrouw zich op het standpunt gesteld dat als het hof tot het oordeel komt dat er een aanvullende behoefte is, er rekening moet worden gehouden met een datum waarop de man weer in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man namelijk gezegd dat er een stijgende lijn is ten aanzien van zijn gezondheid en uit het door hem overgelegde rapport blijkt dat hij een half jaar nodig zou hebben om te herstellen, welke termijn inmiddels is verstreken, aldus de (advocaat van de) vrouw.
Zoals het hof hierboven al heeft overwogen is het voor het hof voldoende duidelijk dat de man op dit moment niet in staat is om te werken. Wanneer de man weer in staat is om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien betreft een nog onzekere toekomstige gebeurtenis, zodat het hof daar in het kader van deze beschikking geen rekening mee houdt.
Draagkracht van de vrouw
5.28
De man stelt – kort weergegeven – dat de rechtbank de draagkracht van de vrouw te conservatief heeft vastgesteld. Het inkomensbeeld uit de fiscale rapporten en het bestedingsgedrag over 2021 is consistent met een aanzienlijk hogere draagkracht. De vrouw wendt niet alle middelen aan voor belegging of oudedagsvoorziening, maar voor consumptieve en niet-rendabele doeleinden, zodat zij een aanzienlijk hoger rendement kan genereren. De vrouw beschikt over zodanig vermogen dat een rendement van minimaal 3 à 4% passend en reëel is, aldus de man.
De vrouw voert verweer en voert op haar beurt – kort weergegeven – aan dat zij enkel de huurinkomsten daadwerkelijk ontvangt en dat het rendement op de beleggingen niet wordt uitbetaald maar steeds weer opnieuw belegd wordt, zodat zij daar geen alimentatie van kan betalen. Het kan niet van haar gevergd worden om deze beleggingen te verkopen. De accountant van de vrouw heeft de inkomsten en kosten en ook de verschuldigde belastingen per jaar in kaart gebracht. Van een rendement van 3 tot 4% is nooit sprake (geweest) en van de vrouw kan niet worden gevergd haar risicoprofiel aan te passen om partneralimentatie te betalen. Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met de kosten die de vrouw voor haar kinderen heeft en dient voorkomen te worden dat de man na vaststelling van een bijdrage meer te besteden heeft dan de vrouw, aldus de vrouw.
5.29
Het hof overweegt als volgt. Niet alleen inkomen uit werk en woning (box 1) speelt een rol bij de mate waarin een alimentatieplichtige in staat is een bijdrage te voldoen (de draagkracht), maar ook inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en inkomen uit sparen en beleggen (box 3). De vrouw heeft door haar accountant opgestelde overzichten overgelegd van haar werkelijke rendement in box 3 over de jaren 2021 tot en met 2024. Voor het berekenen van de draagkracht van de vrouw zal het hof rekenen met de daaruit volgende gemiddelde inkomsten over die jaren. De opbrengsten uit het onroerend goed waren gemiddeld afgerond € 61.513 ( 2021: 45.910; 2022: 64.360; 2023: 66.147; 2024: 69.633) en de inkomsten uit de overige bestanddelen gemiddeld € 106.726 (2021: -66 + 115.460 + 49.124 = 164.518; 2022: -133 + -182.962 + 49.392 = -133.683; 2023: 10 + 124.080 + 55.725 = 179.815: 2024: 3.583 + 152.900 + 59.771 = 216.254).
Het hof gaat uit van het daadwerkelijk door de vrouw behaalde rendement. Dat zij ervoor kiest om behoudend te beleggen waardoor zij minder risico neemt maar ook minder rendement maakt is een keuze die haar vrij staat en waarop zij niet hoeft te worden afgerekend. Hetzelfde geldt voor haar uitgavenpatroon. Het staat de vrouw vrij om dit, binnen redelijke grenzen, zelf te bepalen.
5.3
Met in achtneming van het voorgaande en na aftrek van de door de vrouw gestelde (en niet door de man betwiste) bijdrage in de kosten van de kinderen van € 733,- per maand, volgt uit de aangehechte berekeningen een draagkracht van de vrouw van € 3.515,- per maand.
Inkomensvergelijking bij vaststelling partneralimentatie
5.31
Omdat het zoals de vrouw terecht stelt niet de bedoeling is dat de man bij toekenning van een aldus berekende partneralimentatie in een betere financiële positie komt dan de vrouw en hij meer vrij te besteden overhoudt, ziet het hof aanleiding een inkomensvergelijking te maken. Uit de aangehechte inkomensvergelijking blijkt dat de man bij een partneralimentatie van € 3.515,- per maand niet meer vrij te besteden overhoudt dan de vrouw, zodat er geen reden is deze alimentatie te matigen.
Conclusie
5.32
Gelet op het voorgaande zal het hof bepalen dat de vrouw met ingang van 22 mei 2025 als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud € 3.515,- per maand aan de man zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Per 1 januari 2026 bedraagt de door de vrouw te betalen partneralimentatie ingevolge de wettelijke indexering € 3.677,- per maand.
De vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk
5.33
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het grotendeels eens zijn over de (wijze van de) vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk en dat tussen hen enkel nog de in de verrekening mee te nemen waarde van de woning ter discussie staat. Daar zal het hof hierna een beslissing over nemen. Gelet hierop heeft de man geen belang bij het verkrijgen van de door hem verzochte verklaringen voor recht en heeft de vrouw geen belang bij de door haar verzochte veroordelingen van de man tot het betalen van bedragen die verband houden met de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk van partijen. Het hof zal partijen dan ook niet-ontvankelijk verklaren in die verzoeken.
De waarde van de echtelijke woning
5.34
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de wijze van verdeling van de woning gelast. De man stelt – kort weergegeven – dat er bij de uitvoering van het door de rechtbank opgenomen stappenplan sprake is geweest van een ongelijke machtspositie bij het aanleveren van taxateurs en van (de schijn van) belangenverstrengeling. De vrouw is zelf actief in het vastgoed, heeft een netwerk in de regio en indirect invloed via haar partner en compagnon op de hoogte van de taxatie. De man is het daarom niet eens met de uitgevoerde taxatie. De waarde is lager dan de eerdere taxaties en ook lager dan de marktontwikkelingen rechtvaardigen.
5.35
Het hof overweegt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen laten weten dat zij het eens zijn met de gehanteerde taxatiedata. Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat de taxateur voorafgaand aan de taxatie op verzoek van de man heeft bevestigd dat het hem vrijstaat de woning te taxeren en dat partijen het door de rechtbank opgenomen stappenplan vervolgens zonder bijzonderheden verder hebben uitgevoerd. Het hof is van oordeel dat er, mede gelet op het voorgaande, geen aanleiding is om te twijfelen aan de gedane taxatie. Er is naar het oordeel van het hof dan ook geen aanleiding om een nieuwe taxatie te laten uitvoeren, zodat er in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk van partijen dient te worden uitgegaan van de naar aanleiding van de bestreden beschikking verrichte taxatie.
Conclusie
5.36
Partijen zijn het met elkaar eens dat wanneer er gerekend wordt met de naar aanleiding van de bestreden beschikking verrichte taxatie, de vrouw in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk gehouden is om een bedrag van € 16.816,78 aan de man te voldoen, waarbij geldt dat de man gehouden is om zijn aandeel van 10% in de echtelijke woning aan de vrouw over te dragen. De vrouw heeft in dat kader tijdens de mondelinge behandeling laten weten dat de voor de overdracht bestemde akte(s) inmiddels gereed zijn.
5.37
Gelet op het voorgaande zal het of de man veroordelen om binnen twee weken na deze beschikking zijn medewerking te verlenen aan de overdracht van zijn aandeel in de woning aan de vrouw door mee te werken aan de totstandkoming van de op grond van artikel 3:89 lid 1 BW Pro daartoe vereiste notariële akte en de inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers. Dit onder de verplichting van de vrouw om een bedrag van € 16.816,78 aan de man te voldoen.
Dwangsom
5.38
De vrouw verzoekt het hof een dwangsom te verbinden aan de hierboven opgenomen veroordeling van de man om mee te werken aan de overdracht van zijn aandeel van de woning. De man heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen dit verzoek, zodat het hof dit verzoek van de vrouw zal toewijzen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
in de zaak met nummer 200.357.498
6.1
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 april 2025 ten aanzien van de daarin opgenomen reguliere zorgregeling, en in zoverre opnieuw beschikkende:
6.2
stelt als reguliere zorgregeling een zogenoemde week-om-week-zorgverdeling vast, waarbij de overdracht op vrijdagochtend om 08.30 uur (begin schooltijd) plaatsvindt en [de minderjarige] in de even weken en oneven weekenden bij de man is en in de oneven weken en even weekenden bij de vrouw is;
6.3
vult de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 april 2025 ten aanzien van de daarin opgenomen zorgregeling tijdens de zomervakantie als volgt aan:
bepaalt dat de ouder die ten aanzien van de zomervakantie de keuze heeft welke drie weken [de minderjarige] bij hem of haar zal verblijven de keuze voor de weken uiterlijk 1 september voorafgaand aan het jaar waarin de zomervakantie plaatsvindt aan de andere ouder moet doorgegeven, bij gebreke waaraan de andere ouder de eerste keuze heeft voor dat jaar;
6.4
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek ten aanzien van de vervangende toestemming om te verhuizen;
in de zaak met nummer 200.357.449
6.5
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 april 2025, ten aanzien van de afwijzing van het verzoek van de man om een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud vast te stellen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
6.6
bepaalt dat de vrouw met ingang van 22 mei 2025 als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud € 3.515,- per maand aan de man zal betalen en als gevolg van indexering per 1 januari 2026 € 3.677,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
6.7
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoeken tot het verkrijgen van de door hem verzochte verklaringen voor recht;
6.8
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoeken tot veroordelingen van de man tot het betalen van bedragen die verband houden met de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk van partijen;
6.9
veroordeelt de man om binnen twee weken na deze beschikking zijn medewerking te verlenen aan de overdracht van zijn aandeel in de woning aan de vrouw zoals hiervoor onder 5.37 opgenomen, onder de verplichting van de vrouw om een bedrag van € 16.816,78 aan de man te voldoen. Dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelde daarvan dat de man niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,- is bereikt;
in beide zaken
6.1
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.11
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 april 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;
6.12
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. Hamer, J.U.M. van der Werff en M.E.L. Klein, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is op 17 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 28 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:968