ECLI:NL:GHARL:2026:842

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
200.344.203/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens onterecht beslag op aandelen in BV

Vastgoed Royal Event Centre B.V. vordert schadevergoeding wegens onterecht door [geïntimeerde] gelegde conservatoire beslagen op haar erfpachtrecht en aandelen. De kantonrechter had reeds geoordeeld dat het beslag onrechtmatig was, maar de schadevergoedingsvorderingen afgewezen. Vastgoed stelde in hoger beroep een hogere schadevergoeding en aanvullende kosten.

Het hof bevestigt dat het beslag onrechtmatig was jegens Vastgoed, maar oordeelt dat Vastgoed geen schade heeft geleden. De vermeende schade zou bij Tempus Bene 2 B.V. zijn ontstaan, de moedervennootschap en verkoper van de aandelen, maar Vastgoed heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [geïntimeerde] ook jegens Tempus Bene onrechtmatig heeft gehandeld. Bovendien is niet gebleken dat het beslag de transactie met Ton’s Vastgoed B.V. daadwerkelijk heeft verhinderd.

De vordering tot vergoeding van misgelopen winst en gemaakte interne kosten wordt afgewezen, omdat deze schade niet aan Vastgoed kan worden toegerekend. De indirecte bestuurders van Vastgoed hebben onvoldoende onderbouwd dat hun tijdsbesteding aan de voorgenomen transactie kosten voor Vastgoed opleverde. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt Vastgoed tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.

Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens onterecht gelegd beslag wordt afgewezen en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.344.203/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10335538
arrest van 10 februari 2026
in de zaak van
Vastgoed Royal Event Centre B.V.,
die is gevestigd in Almere,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna:
Vastgoed,
advocaat: mr. A.M. van Aerde te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
die woont in [woonplaats1] ,
en bij de kantonrechter optrad als eiser in conventie, gedaagde in reconventie,
hierna:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. M. Hurks te Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure bij het hof

1.1
Het verloop van de procedure bij de kantonrechter blijkt uit de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Almere (hierna: de kantonrechter) van 25 oktober 2023 en 14 februari 2024.
1.2
Het verloop van de procedure bij het hof blijkt uit:
- de appeldagvaarding van 14 mei 2024;
- het tussenarrest van 20 augustus 2024, waarbij een mondelinge behandeling is gelast, die op verzoek van partijen niet heeft plaatsgevonden;
- de memorie van grieven tevens houdende overlegging producties;
- de memorie van antwoord;
- de dagbepaling voor het houden van een mondelinge behandeling
- het verslag (proces-verbaal) van de (enkelvoudige) mondelinge behandeling van 20 januari 2026, waarbij ook producties van de zijde van Vastgoed zijn overgelegd.
1.3
Aan het slot van de mondelinge behandeling is een datum bepaald waarop arrest zal worden gewezen.
1.4
In haar memorie van grieven heeft Vastgoed haar vordering gewijzigd en vermeerderd. Zij vordert niet meer dat de gelegde beslagen worden opgeheven. In plaats van betaling van € 259.000,- schadevergoeding vordert zij nu betaling van € 336.000,- en
€ 15.450,- schadevergoeding wegens respectievelijk misgelopen winst en gemaakte interne kosten. Subsidiair vordert zij [geïntimeerde] te veroordelen tot vergoeding van de door haar en Tempus Bene 2 BV (hierna: Tempus Bene) geleden en nog te lijden schade op te maken bij staat.
Bij de kantonrechter had Vastgoed ook gevorderd dat wordt uitgesproken (‘voor recht verklaard’) dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door ten laste van haar beslag te leggen zoals hij heeft gedaan. Die - door de kantonrechter toegewezen - vordering heeft zij bij het hof niet herhaald. Omdat tegen het oordeel van de kantonrechter op dit punt geen beroep is ingesteld, staat dit oordeel van de kantonrechter bij het hof niet ter discussie. Aan het feit dat Vastgoed de vordering niet heeft herhaald, zullen dan ook geen gevolgen worden verbonden.
1.5
[geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging en vermeerdering van eis. De vermeerdering van eis is tijdig ingesteld, bij het eerste inhoudelijke processtuk in de procedure bij het hof. Het hof zal beslissen op de gewijzigde/vermeerderde eis. Het tekent daarbij aan dat het ook niet zelf (‘ambtshalve’) redenen ziet om de wijziging/vermeerdering buiten beschouwing te laten.

2.De kern van de zaak

2.1
Het gaat in deze zaak nog om de vraag of Vastgoed aanspraak kan maken op schadevergoeding vanwege - onterecht - door [geïntimeerde] gelegde conservatoir beslagen.
2.2
De kantonrechter heeft, zoals gezegd, weliswaar uitgesproken dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door ten laste van Vastgoed beslagen te leggen, maar zij heeft de vorderingen tot schadevergoeding van Vastgoed afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog (en ook tot een hoger bedrag dan bij de kantonrechter was gevorderd) worden toegewezen.
2.3 Het hof zal beslissen dat de vorderingen van Vastgoed niet toewijsbaar zijn en zal het vonnis van de kantonrechter om die reden bekrachtigen. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd. Het hof zal eerst de relevante feiten vaststellen en daarna de standpunten van partijen bespreken. In dat verband zal het hof ook de bezwaren (‘grieven’) van Vastgoed tegen het vonnis van de kantonrechter bespreken.

3.De relevante feiten3.1 Vastgoed is rechthebbende op het recht van erfpacht betreffende een perceel aan de Trekweg 21 in Almere. Op het perceel is een evenementenhal gebouwd. In die hal worden onder meer Surinaamse en Hindoestaanse feesten en bruiloften gehouden. De hal werd geëxploiteerd door Royal Event Centre B.V. (hierna: REC). REC was ook aandeelhouder van Vastgoed.3.2 [geïntimeerde] was vanaf 1 april 2015 bij REC in dienst. REC heeft hem op 4 december 2019 op staande voet ontslagen. REC heeft dat ontslag ingetrokken. De arbeidsovereenkomst is per 1 mei 2020 met wederzijds goedvinden geëindigd.3.3 [geïntimeerde] meende dat hij nog aanspraak had op betaling van bijna € 107.000,- netto aan salaris en overuren over de periode 1 april 2015 tot en met 31 maart 2018 (periode 1) en van ruim € 23.000,- over de periode 1 april 2018 tot en met 30 september 2019 (periode 2). Volgens [geïntimeerde] was hij in periode 1 niet alleen bij REC maar ook bij Vastgoed in dienst.3.4 REC heeft haar aandelen in Vastgoed op 3 februari 2022 verkocht aan TempusBene 2 B.V. (hierna: Tempus Bene) tegen een koopprijs van € 854.704,-. De levering vond plaats op 7 maart 2022. In de specificatie van deze koopprijs, die als bijlage aan het koopcontract is gehecht, wordt uitgegaan van een waarde van het onroerend goed van€ 1.930.000,-. Bij de berekening van de koopsom is ook rekening gehouden met de overname van een latente belastingclaim van € 80.000,-.3.5 De bestuurders van Tempus Bene en van Ton’s Vastgoed B.V. hebben op 22 april 2022 een beknopt (één pagina) schriftelijk stuk - aangeduid als ‘heads of terms’ - ondertekend, waarin zij verklaren dat Tempus Bene de aandelen in Vastgoed ‘en daarmee het vastgoedobject Evenementenhal Rey Events gelegen te Almere’ voor € 2.189.000,- aan Ton’s Vastgoed B.V. verkoopt. Volgens het stuk wordt ‘Het object’ overgedragen inclusief de volledige inboedel, alle vastgelegde boekingen op het moment van de overdracht en alle gerelateerde domeinnamen en bijbehorende sociale media accounts. De levering zal op1 september 2022 plaatsvinden.3.6 Op 24 juni 2024 heeft [geïntimeerde] ten laste van Vastgoed conservatoir (derden)beslag doen leggen op het recht op erfpacht betreffende het perceel aan de Trekweg 21 in Almere en onder de Rabobank.3.7 Op 28 juli 2022 hebben een van de bestuurders van Tempus Bene en de bestuurder van Ton’s Vastgoed B.V. een beknopte schriftelijke verklaring ondertekend, waarin is vermeld dat zij afzien van de overeenkomst van 22 april 2022. In deze verklaring is vermeld:“De oorzaak van de ontbinding is een beslaglegging die vooraf niet bekend noch besproken was”3.8 [geïntimeerde] heeft REC en Vastgoed gedagvaard voor de kantonrechter en onder meer betaling gevorderd van de in 3.3 vermelde bedragen, met rente en kosten. In reconventie heeft Vastgoed opheffing van de ten laste van haar gelegde beslagen, een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Vastgoed en Tempus Bene door ten laste van Vastgoed beslag te leggen en betaling van € 259.000,- schadevergoeding aan Vastgoed althans verwijzing naar de schadestaat gevorderd. In de toelichting op deze vordering in de conclusie van eis in reconventie heeft Vastgoed opgemerkt dat de vorderingen ten behoeve van Tempus Bene worden ingesteld door Vastgoed op basis van een door Tempus Bene aan Vastgoed verstrekte last tot inning, waarbij Vastgoed de vorderingen int in eigen naam ten behoeve van Tempus Bene.3.9 In een tussenvonnis van 8 november 2023 heeft de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] tegen REC in conventie gedeeltelijk toegewezen en die tegen Vastgoed afgewezen. De kantonrechter heeft de beslissing op de vorderingen van Vastgoed in reconventie aangehouden. In het eindvonnis van 14 februari 2024 heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Vastgoed door ten laste van Vastgoed beslag te leggen, maar heeft zij de andere vorderingen van Vastgoed afgewezen.

4.De beoordeling van het geschil

De reikwijdte van het geschil bij het hof4.1 [geïntimeerde] heeft geen grieven gericht tegen de afwijzing van zijn vorderingen op Vastgoed door de kantonrechter en evenmin tegen de beslissing van de kantonrechter om voor recht te verklaren dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens Vastgoed door ten laste van haar beslag te leggen. Die beslissingen staan dan ook niet ter discussie. Het hof zal er dan ook van uitgaan dat [geïntimeerde] ten onrechte ten laste van Vastgoed beslag heeft gelegd.
4.2
De kantonrechter heeft alleen voor recht verklaard dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Vastgoed en niet ook dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Tempus Bene, hoewel dat - zoals gezegd - wel was gevorderd. De kantonrechter heeft ‘
de overige vorderingen’ afgewezen. Daaronder vallen de vorderingen tot schadevergoeding, dan wel verwijzing naar de schadestaat, en ook de vordering om voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Tempus Bene.
4.3
De twee grieven van Vastgoed zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat niet aannemelijk is geworden dat schade is geleden. Volgens de kantonrechter is Tempus Bene nog steeds houder van de aandelen en kan het pand dus nog steeds worden verkocht, gelet op de uitlatingen van de indirect bestuurder van Vastgoed mogelijk zelfs tegen gunstiger voorwaarden. Om die reden is de gevorderde schade vanwege het niet doorgaan van de overeenkomst met Ton’s Vastgoed onvoldoende onderbouwd en niet toewijsbaar. Dat door het niet doorgaan van de koop andere schade is geleden dan de misgelopen verkoopwinst is volgens de kantonrechter gesteld noch gebleken. Grief 1 van Vastgoed bestrijdt het oordeel van de kantonrechter dat niet is gebleken dat door het niet doorgaan van de transactie schade is geleden. Grief 2 bestrijdt het oordeel dat ook geen andere schade is geleden. In de toelichting op grief 1 heeft Vastgoed weliswaar aangevoerd dat Vastgoed en/of Tempus Bene schade heeft geleden door het onrechtmatige beslag, maar dat [geïntimeerde] door het beslag te leggen ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens Tempus Bene stelt zij niet. En dus ook niet dat de kantonrechter de vordering om voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Tempus Bene ten onrechte heeft afgewezen. In de memorie van grieven heeft Vastgoed ook een aantal verweren van [geïntimeerde] besproken die niet in de grieven al aan de orde kwamen. Ook in die bespreking leest het hof geen grief tegen de afwijzing door de kantonrechter van de vordering van Vastgoed om voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Tempus Bene.
4.4
Pas tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de advocaat van Vastgoed op vragen van de raadsheer-commissaris aangegeven dat [geïntimeerde] jegens zowel Vastgoed als Tempus Bene onrechtmatig heeft gehandeld. Indien deze stelling al als een grief moet worden opgevat, is de grief te laat geformuleerd. Gelet op de ‘in beginsel strakke twee-conclusieregel’ had Vastgoed deze grief in beginsel in de memorie van grieven moeten aanvoeren. Vastgoed heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat een uitzondering zou moeten worden gemaakt op deze regel en het hof ziet ook overigens geen grond voor zo’n uitzondering.
4.5
Gezien het voorgaande staat de afwijzing door de rechtbank van de vordering voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Tempus Bene bij het hof niet ter discussie. Het hof dient er dan ook alleen om deze reden al van uit te gaan dat van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] jegens Tempus Bene geen sprake is. Los daarvan overweegt het hof dat ook niet aannemelijk is geworden dat [geïntimeerde] door ten laste van Vastgoed beslag te leggen op het erfpachtrecht ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens Tempus Bene. Het enkele feit dat Tempus Bene stelt schade te hebben ondervonden door de beslaglegging (omdat de beoogde transactie met Ton’s Vastgoed niet doorging) betekent nog niet dat [geïntimeerde] ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens Tempus Bene. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist, bijvoorbeeld dat [geïntimeerde] op de hoogte was van de transactie tussen Tempus Bene en Ton’s Vastgoed en/of deze transactie met het beslag wilde verhinderen. Dat daarvan sprake is geweest, heeft Vastgoed niet gesteld. Het volgt in elk geval niet uit het feit dat het doel van het beslag was om vervreemding van het recht van erfpacht te voorkomen. Het recht van erfpacht kon niet door Tempus Bene, maar alleen door Vastgoed, als de rechthebbende op dat recht, worden vervreemd. Tempus Bene werd door het beslag op zichzelf dus niet (kenbaar) in haar belangen getroffen. En de verkoop van de aandelen van Vastgoed door Tempus Bene deed geen afbreuk aan de mogelijkheden van [geïntimeerde] om verhaal te zoeken op de activa van Vastgoed, zoals het recht van erfpacht.
4.6
[geïntimeerde] heeft derdenbeslag gelegd onder de Rabobank en op het erfpachtrecht. Dat door het derdenbeslag onder de Rabobank schade is geleden, is gesteld noch gebleken. Het gaat er dan ook alleen om of Vastgoed - al dan niet als lasthebber van Tempus Bene - aanspraak heeft op vergoeding van schade door het gelegde beslag op het erfpachtrecht.
Wiens schade wordt gevorderd?4.7 Vastgoed stelt dat zij schade vordert voor zichzelf en voor Tempus Bene op basis van de haar door Tempus Bene verleende last tot inning. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van Vastgoed toegelicht dat sprake is van alternatieve vorderingen; het is aan het hof om te bepalen of de schade door Vastgoed of door Tempus Bene is geleden. Vanwege de aan Vastgoed verstrekte last tot inning is de vordering tot schadevergoeding van Vastgoed toewijsbaar, of die schade nu door Vastgoed of door Tempus Bene is geleden, zo begrijpt het hof het betoog van Vastgoed.
4.8
Het hof gaat mee in dit betoog. Maar dat betekent niet dat in het midden kan blijven wie schade heeft geleden, Vastgoed of Tempus Bene, en of daarvoor een grondslag is met die schade tot gevolg. De vordering tot schadevergoeding is immers alleen toewijsbaar wanneer niet alleen sprake is van schade, maar ook van onrechtmatig handelen jegens degene die schade heeft geleden en van causaal verband tussen dat handelen en de schade. En uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat [geïntimeerde] wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens Vastgoed, maar niet jegens Tempus Bene. Wanneer de schade alleen bij Tempus Bene is gevallen, is de vordering tot schadevergoeding dan ook niet toewijsbaar, omdat daarvoor een grondslag voor aansprakelijkheid ontbreekt.
De schade vanwege de misgelopen winst
4.9
Aan de vordering tot vergoeding van de misgelopen winst heeft Vastgoed ten grondslag gelegd dat de transactie tussen Tempus Bene en Ton’s Vastgoed vanwege het beslag niet is doorgegaan. Als het beslag niet zou zijn gelegd, zou Tempus Bene een verkoopwinst van € 339.000,- hebben gerealiseerd. Nu heeft zij die winst niet gerealiseerd. Uit deze stellingen van Vastgoed volgt al dat de schade is geleden door Tempus Bene. Dat ligt ook voor de hand, omdat Tempus Bene de verkoper was bij de voorgenomen transactie, zij de verkoopprijs zou ontvangen en dus ook de eventuele verkoopwinst zou realiseren. De schade is in elk geval niet geleden door Vastgoed; Vastgoed, althans de aandelen in Vastgoed, was het voorwerp van de beoogde koopovereenkomst en zij kan dan ook per definitie geen schade lijden als deze overeenkomst niet doorgaat.
4.10 Gezien het voorgaande kan in het midden blijven of de transactie inderdaad niet is doorgegaan vanwege het gelegde beslag en of als daarvan sprake is geweest daardoor schade is geleden en, zo ja, op welke wijze die schade moet worden begroot. Ook de vraag of nu sprake is van afgeleide schade of van directe schade kan verder onbesproken blijven. Overigens geldt zowel voor afgeleide als voor directe schade dat de vordering tot vergoeding van deze schade alleen toewijsbaar is wanneer het gelegde beslag ook onzorgvuldig is jegens Tempus Bene. Van dat laatste is nu juist niet gebleken.
4.11
De vordering tot vergoeding van de misgelopen winst is dan ook niet toewijsbaar. [1] Dat geldt ook voor schade door een eventuele waardedaling van de aandelen door een inmiddels (beweerdelijk ) lagere waarde van het evenementengebouw.
De schade vanwege gemaakte interne kosten4.12 Vastgoed stelt dat haar indirecte bestuurders erg veel tijd hebben gestoken in de voorgenomen transactie. Nu deze transactie niet is doorgegaan, is die tijd voor niets besteed. Met deze voor niets bestede tijd is, uitgaande van een uurtarief van € 150,-, een kostenpost van € 15.450,- gemoeid. Vastgoed verwijst naar een urenoverzicht, waaruit volgt dat haar (indirecte) bestuurders in de maanden februari tot en met april 2022 103 uren in de transactie met Tempus Bene hebben gestoken.
4.13
Indien de schade door Tempus Bene is geleden is de vordering om de hiervoor besproken redenen niet toewijsbaar. Tijdens de mondelinge behandeling is namens Vastgoed echter aangevoerd dat de schade primair door Vastgoed is geleden. De indirecte bestuurders van Vastgoed hadden de tijd die ze nu vergeefs aan de transactie hebben besteed op een voor Vastgoed nuttige manier kunnen aanwenden.
4.14
[geïntimeerde] heeft dat gemotiveerd weersproken. De tijd die de indirecte bestuurders van Vastgoed en Tempus Bene in de voorgenomen transactie met Ton’s Vastgoed hebben gestoken is besteed ten behoeve van Tempus Bene, de beoogde verkoper en niet ten behoeve van Vastgoed. Vastgoed had ook geen baat bij de beoogde transactie; als die transactie winst zou opleveren, kwam die winst niet ten goede aan Vastgoed, maar aan Tempus Bene, de aandeelhouder van Vastgoed en beoogd verkoper van de aandelen van Vastgoed, aldus [geïntimeerde] .
4.15
In het licht van dit verweer van [geïntimeerde] heeft Vastgoed onvoldoende onderbouwd dat de kosten die zijn gemoeid met de (vergeefse) werkzaamheden van de bestuurders van Vastgoed en Tempus Bene betreffende de transactie met Ton’s Vastgoed kosten zijn die ten laste komen van Vastgoed en dus schade van Vastgoed opleveren. De indirecte bestuurders zijn ook verbonden aan andere ondernemingen waaronder Tempus Bene en de beoogde transactie was inderdaad een transactie van Tempus Bene en niet van Vastgoed. Vastgoed was geen partij bij deze transactie en de opbrengst ervan kwam niet haar maar haar aandeelhouder Tempus Bene toe. De in het overzicht vermelde werkzaamheden betreffen uitsluitend de onderhandelingen met Ton’s Vastgoed over de transactie en op het opstellen van de ‘head of terms’, typisch activiteiten die door een aandeelhouder worden ondernomen bij het vervreemden van haar aandelen in een dochtervennootschap, maar geen werkzaamheden die het reilen en zeilen van die dochtervennootschap of anderszins het bestuur van die vennootschap betreffen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de aanwezige (indirecte) bestuurder van Tempus Bene en Vastgoed ook niet duidelijk kunnen maken of en zo ja op welke wijze de door hem en zijn medebestuurder gemaakte uren worden doorbelast aan Vastgoed en al helemaal niet dat dit ook is gebeurd met de uren die zouden zijn besteed aan de voorgenomen transactie met Ton’s Vastgoed.
4.16
Gelet op het voorgaande heeft Vastgoed niet aannemelijk gemaakt dat (een deel van) de uren die door haar indirect bestuurders zijn besteed aan de voorgenomen transactie voor rekening komen van Vastgoed. Dat betekent dat de daarop volgende vraag naar (de mogelijkheid van) de aannemelijkheid van schade vanwege de tijdsbesteding ten behoeve van Vastgoed onbesproken kan blijven. Overigens is in de stukken van Vastgoed nog geen begin van een antwoord op die vraag te lezen. Ook kan het realiteitsgehalte van de urenspecificatie - 23 uur (nog afgezien van de onderhandelingen) voor het opstellen van een simpele ‘head of terms’ van één pagina is bizar veel - en van het gehanteerde uurtarief - dat wordt gebaseerd op een maandsalaris van € 25.000,-, terwijl dat volgens de overgelegde managementovereenkomst in april 2022 nog ruim € 10.000,- bedroeg - verder onbesproken blijven.
4.17
Ook deze vordering is dan ook niet toewijsbaar [2] en het bewijsaanbod betreffende de aan de beoogde transactie bestede tijd is niet ter zake dienend.
De conclusie4.18 Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Vastgoed in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Vastgoed tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak
. [3]

5.De beslissing

Het hof:
5.1
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 14 februari 2024;
5.2
veroordeelt Vastgoed tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 2.053,- aan griffierecht
€ 9.414,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x appeltarief VI);
5.3
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, O.E. Mulder en J. Smit en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.

Voetnoten

1.Grief 1 faalt.
2.Grief 2 faalt.
3.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.