ECLI:NL:GHARL:2026:777

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.352.136
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijsopdracht over afspraak tussen broers over verkoop gezamenlijk perceel

Partijen, broers en gezamenlijk eigenaar van een perceel, zijn in geschil over de verdeling van de opbrengst van de verkoop van dit perceel samen met andere percelen van de verwerende partij aan diens dochter. De appellant vordert betaling van zijn aandeel in de koopsom, stellende dat de verwerende partij ongerechtvaardigd verrijkt is.

De kantonrechter wees de vordering af omdat de verwerende partij bewees dat partijen hadden afgesproken het gezamenlijke perceel om niet over te dragen. In hoger beroep klaagt appellant over deze bewijswaardering. Het hof constateert dat de getuigenverklaringen summier en deels tegenstrijdig zijn, en dat er onduidelijkheid bestaat over de communicatie tussen de notaris en appellant en over de koopovereenkomst.

Het hof besluit daarom de verwerende partij toe te laten tot het leveren van aanvullend bewijs, waaronder overleg van de koopovereenkomst en een akte over de communicatie met de notaris. Tevens worden nadere bewijsregels gesteld voor het leveren van getuigenbewijs. De verdere beslissing wordt aangehouden tot na dit bewijs.

Uitkomst: Het hof draagt op tot aanvullend bewijs en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.136
zaaknummer rechtbank 10922710
arrest van 10 februari 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eisende partij
hierna te noemen: [appellant]
advocaat: mr. M. de Jong
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam]
die bij de kantonrechter optrad als verwerende partij
hierna te noemen: [geïntimeerde]
advocaat: mr. J. L . Vissers

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de kantonrechter) op 15 januari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit het tussenarrest van 21 oktober 2025.
1.2.
Naar aanleiding van het tussenarrest van 21 oktober 2025 heeft op 12 december 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Op die datum heeft [appellant] bij akte een nadere productie in het geding gebracht. Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
Partijen zijn broers. Zij waren samen eigenaar van een perceel dat samen met andere percelen van [geïntimeerde] is verkocht aan de dochter van [geïntimeerde] . Partijen zijn het niet eens over de verdeling van de opbrengst van het gezamenlijke perceel. [appellant] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [geïntimeerde] € 15.500 van de totale koopsom aan hem dient te betalen als vergoeding voor zijn aandeel in het gezamenlijke perceel. Hij meent dat [geïntimeerde] ongerechtvaardigd verrijkt is doordat hij de gehele koopsom heeft gehouden. De kantonrechter heeft deze vorderingen na bewijslevering afgewezen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] heeft bewezen dat partijen hebben afgesproken dat het gezamenlijke perceel om niet zou worden overgedragen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vordering van [appellant] alsnog worden toegewezen.
2.2.
Het hof zal beslissen dat [geïntimeerde] wordt toegelaten tot het leveren van (aanvullend) bewijs en licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten
3.1.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van een perceel gelegen te [plaats1] , kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [sectienummer] , [perceelnummer] (hierna ook: het gezamenlijke perceel). Dit perceel is op 29 oktober 2018 samen met drie percelen van [geïntimeerde] geleverd aan de dochter van [geïntimeerde] voor € 325.000. In de leveringsakte wordt vermeld dat de daaraan ten grondslag liggende koopovereenkomst op 25 juli 2018 is aangegaan. Deze overeenkomst (hierna: de koopovereenkomst) is in deze procedure niet ingebracht.
3.2.
In de akte van levering wordt geen onderscheid gemaakt tussen de percelen en worden geen afzonderlijke waarden toegekend aan de percelen. Er staat een totaalprijs vermeld voor de vier percelen samen.
3.3.
Volgens de nota van afrekening van de notaris van 24 oktober 2018 is van de koopsom € 65.000 geschonken aan de dochter van [geïntimeerde] ; tussen partijen is niet in geschil dat dit een schenking voor rekening van [geïntimeerde] aan zijn dochter is. Vervolgens is € 170.067,53 van de koopsom gebruikt om een hypothecaire geldlening van [geïntimeerde] en zijn vrouw bij de hypotheekhouder af te lossen. Het restant van de koopsom (na verrekening van kosten) ad € 89.804,10 is door de notaris overgemaakt naar een door [geïntimeerde] opgegeven rekeningnummer.
3.4.
[appellant] heeft de waarde van het gezamenlijke perceel laten taxeren in 2022. De taxateur heeft de waarde in het economisch verkeer getaxeerd op € 31.000.
3.5.
Op 6 juni 2023 heeft de advocaat van [appellant] [geïntimeerde] gesommeerd tot betaling van hetgeen [appellant] toekomt voor zijn aandeel in het gezamenlijke perceel.
3.6.
Op 19 juni 2023 heeft de broer van partijen, [naam1] (hierna: [naam1] ) afwijzend gereageerd namens [geïntimeerde] .
De afspraken over het gezamenlijke perceel
3.7.
Uit de leveringsakte volgt niet of partijen onderling iets hebben afgesproken over de toekenning van afzonderlijke waarden aan de verschillende percelen. De dochter van [geïntimeerde] en haar partner hebben een totaalprijs betaald.
3.8.
Partijen hebben verschillende betogen gehouden over waarom het al dan niet logisch zou zijn dat tussen hen is afgesproken dat aan het gezamenlijke perceel geen waarde wordt toegekend; dat wil zeggen dat [appellant] geen recht heeft op een deel van de koopsom. Of er een logische verklaring voor zou zijn, is echter niet doorslaggevend. Partijen kunnen immers ook iets hebben afgesproken wat niet of minder logisch is. Duidelijk is wel geworden dat partijen met hun broer [naam1] verwikkeld zijn (geweest) in diverse onderlinge financiële transacties die merendeels voortspruiten uit een gezamenlijke vof. Het hof laat dit verder in het midden, omdat hier veel onduidelijkheden over zijn.
3.9.
Vanwege de onduidelijkheid over de afspraken tussen partijen, heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 17 juli 2024 [geïntimeerde] opgedragen te bewijzen dat partijen hebben afgesproken om het gezamenlijke perceel voor € 0,00 over te dragen aan de dochter van [geïntimeerde] en haar partner. [appellant] klaagt erover dat de levering niet om niet heeft plaatsgevonden; de percelen zijn immers overgedragen voor een totale koopsom van € 325.000. Een redelijke uitleg van de bewijsopdracht, in verband met de overwegingen waarop deze steunt, is echter dat [geïntimeerde] moet bewijzen dat partijen hebben afgesproken dat er geen waarde aan het gezamenlijke perceel wordt toegekend en dat [appellant] daarom geen recht heeft op een deel van de koopsom.
3.10.
[geïntimeerde] heeft drie getuigen doen horen: [naam1] , [appellant] en zichzelf. [naam1] heeft als volgt verklaard over de totstandkoming van de afspraak:
Een paar maanden voor de akte tot overdracht waren wij op locatie en met wij bedoel ik [appellant] , [geïntimeerde] en ik en spraken wij over de overdracht. Het was [appellant] eigen voorstel om de gronden ( [sectienummer] [perceelnummer] ) om niet van de hand te doen. Wij waren daarmee akkoord en ik heb het verder met de notaris geregeld. Ik heb ook nog een e-mail van de notaris waarin dit staat. De notaris heeft de stukken betreffende de aktes via de post naar [appellant] en [geïntimeerde] gestuurd, omdat zij nog geen e-mail hadden. Naast de akte over [nummer1] speelde er ook nog de verkoop van [nummer2] op dezelfde dag. De aktes werden na elkaar gepasseerd. [appellant] is daar verschenen en kreeg uit die verkoop rond de € 81.000,00. Dus het is niet aannemelijk dat hij de stukken over [nummer1] niet zou hebben ontvangen. Hij had dus kunnen weten op dat moment dat hij € 0,00 zou ontvangen voor [nummer1] . Tijdens de akte heeft hij ook geen enkel voorbehoud gemaakt.
3.11.
[geïntimeerde] heeft het volgende verklaard over de totstandkoming van de afspraak:
De afspraak is gemaakt dat de grond zou overgaan voor € 0,00. Ik herinner mij dat [appellant] , [naam1] en ik op locatie waren. Ik denk om over de verdeling van de [nummer2] en [nummer1] te spreken en daarbij is dit afgesproken, maar ik weet niet meer hoe het precies gegaan is. (…) Ik heb geen bemoeienis gehad met de zakelijke afwikkeling van de verkopen bij de notaris.
3.12.
[appellant] tot slot, heeft als volgt verklaard:
Ik ben niet met [naam1] en [geïntimeerde] op locatie geweest om over de overdracht van de percelen te spreken. Wat zij daarover hebben verklaard, klopt niet. Het gedeelte over het stuk grond dat ik voor € 70.000,00 heb gekocht, klopt wel, maar er is nooit een afspraak gemaakt over het om niet overdragen van perceel [sectienummer] [perceelnummer] . Met betrekking tot de dag waarop de twee aktes werden gepasseerd verklaar ik dat ik voordien geen stukken van de notaris ontvangen heb, alleen een e-mail met een uitnodiging voor de overdracht. Ik heb bij de overdrachten mijn handtekening gezet. Ik wist wel waarvoor ik tekende, maar ik had mij nog niet beziggehouden met de financiële afwikkeling.
3.13.
Op grond van deze verklaringen heeft de kantonrechter bewezen geacht dat [geïntimeerde] in de bewijslevering is geslaagd en heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] daarom afgewezen. [appellant] klaagt in hoger beroep over deze bewijswaardering.
3.14.
Bij de waardering van bewijs heeft de rechter een ruime beoordelingsvrijheid. Als er na bewijslevering nog steeds gerede twijfel bestaat over de gang van zaken, dient de conclusie te zijn dat het bewijs niet geleverd is. De getuigenverklaringen over de totstandkoming van de afspraak zijn zeer summier; alleen [naam1] en [geïntimeerde] verklaren dat ze met [appellant] op locatie waren en de afspraak gemaakt is, waarbij [geïntimeerde] niet zeker weet of ze daarom op locatie waren. De aanleiding voor het op locatie zijn, de aanleiding voor het gestelde voorstel van [appellant] en verdere bijzonderheden, zoals of de afspraak is gemaakt voor of na het sluiten van de koopovereenkomst met de dochter van [geïntimeerde] , ontbreken. Ook is niet duidelijk waaruit [geïntimeerde] heeft opgemaakt dat [appellant] instemde. Daar komt bij dat [naam1] niet een onafhankelijke getuige is. Hij heeft vanaf de eerste brief over deze kwestie in juni 2023 namens [geïntimeerde] verweer gevoerd tegen de vordering van [appellant] en is bij de kantonrechter ook opgetreden als gemachtigde van [geïntimeerde] . Verder heeft hij, kennelijk namens [appellant] en [geïntimeerde] , de contacten met de notaris onderhouden. Ook hecht het hof waarde aan de schriftelijke verklaring van de neef van partijen. Hij schrijft dat [naam1] al langere tijd het bereiken van een oplossing tussen de broers in de weg staat, zo begrijpt het hof.
3.15.
Wat verder vragen oproept bij het hof is het feit dat de nota van afrekening, waarop staat dat het volledige eindbedrag zal worden overgemaakt naar een door [geïntimeerde] op te geven rekeningnummer, geadresseerd is aan partijen tezamen, maar op het adres van [geïntimeerde] . In het dossier zit verder ook geen correspondentie van de notaris gericht aan [appellant] . Onduidelijk is dus of de notaris bij [appellant] heeft geverifieerd of het klopte dat er tussen partijen geen waarde werd toegekend aan het gezamenlijke perceel en ook onduidelijk is of [appellant] op basis van informatie van de notaris wist of behoorde te weten dat hij niets zou ontvangen op grond van de onderhavige verkoop. Tot slot is onduidelijk of de door [geïntimeerde] geschetste afspraak de oorspronkelijke (of enige) afspraak is of dat, al dan niet in de koopovereenkomst, ook een (al dan niet andersluidende) afspraak is gemaakt over de verdeling van de koopsom.
3.16.
Dit maakt dat het hof op basis van het getuigenbewijs niet overtuigd is van de door [geïntimeerde] gestelde afspraak en voor een goede beoordeling daarvan meer informatie nodig heeft. Het hof zal daarom [geïntimeerde] toelaten tot het leveren van aanvullend bewijs en hem opdragen om zich bij akte uit te laten over de rechtstreekse communicatie tussen de notaris en [appellant] aangaande de onderhavige verkoop en om daarbij tevens de koopovereenkomst te overleggen.
3.17.
Indien [geïntimeerde] afziet van aanvullend getuigenbewijs, zal [appellant] bij antwoordakte mogen reageren. Indien [geïntimeerde] wel aanvullend getuigenbewijs aanbiedt, zal [appellant] bij antwoordconclusie na enquête mogen reageren op zowel de akte als het getuigenbewijs.
3.18.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
draagt [geïntimeerde] op om op de roldatum 10 maart 2026 de koopovereenkomst te overleggen vergezeld van een akte uitlating over de rechtstreekse communicatie tussen de notaris en [appellant] aangaande de onderhavige verkoop;
4.2.
laat [geïntimeerde] toe te bewijzen dat partijen hebben afgesproken dat er geen waarde aan het gezamenlijk perceel wordt toegekend en [appellant] daarom geen recht heeft op een deel van de koopsom;
4.3.
bepaalt dat, indien [geïntimeerde] uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, hij die stukken op de roldatum 10 maart 2026 in het geding dient te brengen;
4.4.
bepaalt dat, indien [geïntimeerde] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, hij tevens het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 10 maart 2026, waarna dag en uur van het verhoor zullen worden vastgesteld;
4.5.
bepaalt dat [geïntimeerde] de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;
4.6.
bepaalt dat, als getuigen worden gehoord, raadsheer-commissaris mr. G.J. Meijer de getuigen zal verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn;
4.7.
bepaalt dat, als een partij tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, deze partij het hof en de wederpartij daarvan uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een kopie moet sturen;
4.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, P.J. van der Korst en G.J. Meijer, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.