Uitspraak
1.[geïntimeerde1] ( [geïntimeerde1] )
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep
- het arrest van het hof van 23 januari 2024
- het verslag (proces-verbaal) van plaatsopneming/bezichtiging en mondelinge behandeling ter plaatse van 23 april 2024
- de memorie van grieven met wijziging van eis
- de memorie van antwoord
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling die op 6 mei 2025 is gehouden en de daarin genoemde nadere stukken.
2.De kern van de zaak
3.De procedure bij de rechtbank
4.De vorderingen in hoger beroep
5.De feiten waar het hof vanuit gaat
6.De toelichting op de beslissing van het hof
De gang gelegen tusschen de twee blokken van den straaten zal evenals de pomp daarstaande gezamenlijk eigendom worden van verkooper en kooper en ten dienste van de beide blokken gebruikt worden en moeten door hen beide voor gezamenlijke rekening worden onderhouden.
de gang gelegen tusschen de twee blokken van den straaten” het toegangspad is bedoeld dat nu tussen de woning van [geïntimeerde1] en de woning van [geïntimeerde2] ligt. Evenmin is aan de hand van de stukken te herleiden dat “
het erf van verkooper thans in huur bij [naam3]” hetzelfde is als het perceel van Jans Holding. In ieder geval heeft Jans Holding tegenover het verweer van [geïntimeerde1] onvoldoende onderbouwd dat in die akte een erfdienstbaarheid is gevestigd die ertoe strekt aan de eigenaar van het perceel dat nu van Jan Holding is het zakelijk recht te verschaffen om over een gedeelte van het perceel van [geïntimeerde1] te komen en te gaan van en naar [straatnaam1] . Daarbij is van belang dat [geïntimeerde1] heeft gesteld dat – zo er al een erfdienstbaarheid is gevestigd – het doel daarvan was om de bestaande waterpomp te kunnen gebruiken en dat die erfdienstbaarheid door die niet te gebruiken gedurende 30 jaar onder het destijds geldende recht is teniet gegaan. Jans Holding heeft onvoldoende uitgelegd dat de tekst van de akte uit 1884 ziet op het kunnen uitwegen naar [straatnaam1] en niet op het kunnen gebruiken van de waterpomp. Jans Holding heeft ook niet onderbouwd op welke manier er na de akte van 1884 ten laste van het perceel van [geïntimeerde1] een erfdienstbaarheid van (uit)weg of (over)pad is gevestigd. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft Jans Holding gesteld dat een dergelijke erfdienstbaarheid is ontstaan door bevrijdende verjaring. Aan die stelling gaat het hof voorbij, omdat die stelling in strijd met de zogenoemde twee-conclusie-regel niet eerder dan bij de mondelinge behandeling op 6 mei 2025 is ingenomen. Omdat Jans Holding onvoldoende aan haar stelplicht heeft voldaan, komt het hof niet toe aan bewijslevering.
Een erfdienstbaarheid van weg ten behoeve en ten laste van het bij deze verkochte en
weg” doorgehaald en is in de kantlijn handgeschreven opgenomen dat dit woord wordt vervangen door het woord “
pad”.
weg” en het vervangen daarvan door het woord “
pad” sluit daar naar het oordeel van het hof ook bij aan. Of bij het vestigen van de erfdienstbaarheid ook de bedoeling van de destijds betrokken partijen was dat daarmee werd aangegeven dat de erfdienstbaarheid niet bedoeld was om te worden gebruikt met auto’s en andere voertuigen en – vooral – of die betekenis op basis van een objectieve uitleg van de vestigingsakte uit de tekst van de erfdienstbaarheid blijkt, kan op grond van de feitelijke situatie in het midden blijven. Gebruik van de erfdienstbaarheid die op het perceel van [geïntimeerde2] rust is niet mogelijk met een (bestel)auto of aanhangwagen, omdat die breder zijn dan 1,20 meter. Dat gebruik met een handkar is toegestaan betwist [geïntimeerde2] niet (voldoende).
absoluut onvoldoende[is]
om alleen te voet over de zooi van geïntimeerden te tijgeren. Jans Holding heeft ongehinderde toegang nodig en wordt nu feitelijk zeer gehinderd om haar enige toegangsweg te kunnen gebruiken.” Deze stellingen zijn onvoldoende om te rechtvaardigen dat de bestaande toegang via de op het perceel van [geïntimeerde2] rustende erfdienstbaarheid en het persoonlijk gebruik dat [geïntimeerde1] toestaat niet volstaan voor een behoorlijke exploitatie van het perceel van Jans Holding. In het bijzonder heeft Jans Holding hiermee niet voldoende uitgelegd dat een behoorlijke exploitatie meebrengt dat zij met (bestel)auto’s of aanhangwagens van het toegangspad gebruik moet kunnen maken. Evenmin heeft Jans Holding voldoende onderbouwd dat een behoorlijke exploitatie van haar perceel meebrengt dat [naam4] of een cursist objecten moet kunnen maken die zo groot zijn dat voor het vervoer daarvan naar de openbare weg de gehele breedte tussen de woningen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] beschikbaar moet zijn. Voor aanwijzing van een noodweg is op grond van het voorgaande geen aanleiding.