ECLI:NL:GHARL:2026:742

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.356.007
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:227 BWArt. 1:228 BWArt. 1:253t BWArt. 3 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 10:105 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep stiefouderadoptie afgewezen, gezamenlijk gezag toegewezen

De rechtbank Midden-Nederland had de adoptie van twee minderjarige kinderen door de stiefmoeder uitgesproken. De moeder ging hiertegen in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof oordeelt dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor stiefouderadoptie, met name omdat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de kinderen niets meer van hun moeder als ouder te verwachten hebben.

Hoewel de kinderen de stiefmoeder als moeder beschouwen en deze wens uiten, blijft de moeder een rol wensen en is er recent contact geweest. Het hof benadrukt dat adoptie de juridische band met de oorspronkelijke ouder verbreekt en dat dit een verstrekkende maatregel is die alleen kan worden toegewezen als aan strikte voorwaarden wordt voldaan.

Het hof vernietigt daarom de beschikking van de rechtbank voor zover deze de adoptie betreft. Wel wijst het hof het subsidiaire verzoek van de stiefmoeder toe om samen met de vader het gezag over de kinderen te krijgen, omdat dit aansluit bij de feitelijke situatie en het belang van de kinderen dient. De moeder behoudt haar omgangsrecht. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Verzoek tot stiefouderadoptie afgewezen, gezamenlijk gezag aan stiefmoeder en vader toegewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.356.007
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 573337
beschikking van 10 februari 2026
over de stiefouderadoptie van [de minderjarige1] en
[de minderjarige2]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam]
advocaat: mr. C.E. Tonningen-ter Huizen
en
[verweerster1](de stiefmoeder)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. C. Waanders
en
[verweerder2](de vader)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. C. Waanders

1.Samenvatting

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft de adoptie van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] door de stiefmoeder uitgesproken. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader hebben samen twee kinderen: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . [de minderjarige1] is [in] 2012 geboren en [de minderjarige2] is [in] 2015 geboren.
2.2.
De vader woont sinds 2017 samen met de stiefmoeder. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] worden
sindsdien door de vader en de stiefmoeder samen verzorgd en opgevoed.
2.3.
Bij beschikking van de rechtbank van 2 januari 2019 is het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en is de vader met het eenhoofdig gezag over de kinderen belast. Dat betekent dat de vader alleen de belangrijke beslissingen over de kinderen mag nemen.
2.4.
De moeder, de stiefmoeder, [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de [nationaliteit] nationaliteit.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De stiefmoeder wil [de minderjarige1] en [de minderjarige2] adopteren. Zij heeft de rechtbank verzocht om de adoptie van de kinderen door haar uit te spreken. Wanneer de kinderrechter het verzoek tot adoptie niet toewijst verzoekt de stiefmoeder om gezamenlijk met de vader te worden belast met het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de stiefmoeder toegewezen en de adoptie van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] door de stiefmoeder uitgesproken.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 18 maart 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt.
4.2.
De stiefmoederis het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat en dat de moeder wordt veroordeeld in de proceskosten.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift van de stiefmoeder
4.4.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben op 15 december 2025 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij hebben verteld wat zij vinden van de stiefouderadoptie.
4.5.
De zitting bij het hof was op 16 december 2025. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • de stiefmoeder en de vader met hun advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad)

5.Het oordeel van het hof

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De vader heeft de [nationaliteit] nationaliteit. De zaak heeft daarom een internationaal karakter. Op grond van artikel 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van het verzoek. Op grond van het bepaalde in artikel 10:105 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht van toepassing op de adoptie.
Stiefouderadoptie
5.2.
Vooropgesteld wordt dat bij adoptie juridisch ouderschap wordt gecreëerd en dat alle juridische banden met de oorspronkelijke ouder worden verbroken. Dit maakt dat adoptie met veel waarborgen is omgeven. Het verzoek tot adoptie moet worden getoetst aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de artikelen 1:227 en 1:228 BW.
Wat staat in de wet?
5.3.
Op grond van artikel 1:227 lid 3 BW Pro kan het verzoek tot adoptie alleen worden toegewezen indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat het kind niets meer van zijn ouder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft en dat aan de voorwaarden genoemd in artikel 1:228 BW Pro, wordt voldaan.
5.4.
Het eerste lid van artikel 1:228, sub d, BW bepaalt dat een voorwaarde voor adoptie is dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt. Het tweede lid van genoemd artikel bepaalt dat
aan tegenspraak van in casu de moeder voorbij kan worden gegaan indien:
a. de minderjarige en de moeder niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd, of
b. de moeder het gezag over de minderjarige heeft misbruikt of de verzorging en opvoeding
van de minderjarige op grove wijze heeft verwaarloosd, of
c. de moeder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een
van de misdrijven, omschreven in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van
het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht.
Standpunten
5.5.
De moeder stemt niet in met de adoptie. Zij stelt dat de wens van de kinderen, om door de stiefmoeder geadopteerd te worden, niet vanuit henzelf komt. De moeder vindt de stiefouderadoptie ook niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Door de adoptie wordt volgens de moeder de helft van hun identiteit juridisch uitgewist. Volgens de moeder is dit schadelijk voor het zelfbeeld van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De moeder vindt ook dat niet is gebleken dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niets meer van haar te verwachten hebben. Dat er nu geen contact is, betekent volgens de moeder niet dat er in de toekomst niets meer van haar te verwachten is. Volgens de moeder is zij al jaren stabiel en is zij voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beschikbaar als ouder. De moeder stemt wel in met het verzoek van de stiefmoeder om gezamenlijk met de vader met het gezag over de kinderen te worden belast.
5.6.
De stiefmoeder stelt dat de stiefouderadoptie in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is. Volgens de stiefmoeder is dit een langdurige en diepe wens van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De stiefmoeder stelt dat de moeder sinds de geboorte van de kinderen nauwelijks contact met hen heeft gehad en dat er sinds 2018 helemaal geen contact meer is geweest. Volgens de stiefmoeder hebben [de minderjarige1] en [de minderjarige2] nu en in de toekomst niets meer van de moeder, in hoedanigheid van ouder, te verwachten. Dat er aan de zijde van de moeder veranderingen in positieve zin zouden zijn is volgens de stiefmoeder onvoldoende gebleken.
5.7.
De raad adviseert het hof het verzoek tot adoptie toe te wijzen. Hij blijft derhalve bij zijn advies zoals gegeven in het raadsrapport.
Hoe oordeelt het hof?
5.8.
Het hof zal het verzoek van de stiefmoeder afwijzen. Het hof is van oordeel dat niet is voldaan aan de in de wet gestelde eisen voor (stiefouder)adoptie en overweegt hiertoe als volgt.
Vast staat dat de stiefmoeder in ieder geval sinds 2017 een grote rol heeft gespeeld in het leven van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en de verzorging en opvoeding samen met de vader op zich heeft genomen. Het hof heeft goed naar de kinderen geluisterd en zij hebben heel helder verteld dat zij de stiefmoeder als hun moeder beschouwen en zij hebben herhaaldelijk de wens geuit dat deze band juridisch wordt geformaliseerd, ook in hun gesprek met het hof. De stiefmoeder en de vader staan ook achter deze wens van de beide kinderen.
Hier staat tegenover dat de moeder in ieder geval tot 2018 in het leven van de kinderen is geweest, dat er een omgangsregeling was en dat zij dus jarenlang wel deel uitmaakte van het leven van de kinderen. Daar is mede door middelengebruik en persoonlijkheidsproblematiek van de moeder de jaren daarna een eind aan gekomen. Dit heeft tot gevolg gehad dat de moeder en de kinderen thans feitelijk geen band hebben met elkaar. De moeder wenst echter nog altijd deel uit te maken van het leven van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Naar het oordeel van het hof kan daarom niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niets meer van de moeder in haar hoedanigheid van ouder hebben te verwachten.
5.9.
Het hof acht het ook niet in het kennelijk belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat de adoptie door de stiefmoeder wordt uitgesproken. Tijdens het gesprek met een raadsheer van het hof hebben [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verteld dat ze de moeder recent toevallig zijn tegengekomen bij de Hema. Door de stiefmoeder en de vader is tijdens de mondelinge behandeling erkend dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] na deze ontmoeting veel vragen hadden en geïnteresseerd waren in hun moeder. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben ook nog geregeld contact met opa en oma (moederszijde) en een tante (moederszijde). Voor het hof staat mede hierom niet vast dat de kinderen daadwerkelijk niets meer van de moeder als ouder te verwachten hebben. Het criterium dat het kind van zijn oorspronkelijke ouder niets meer te verwachten heeft, ziet op de ouder-kindrelatie. Het gaat dus niet om de vraag of het kind met zijn oorspronkelijke ouder in het geheel geen feitelijke contacten meer heeft of nog zal krijgen. Van belang is of het kind wel of niet kan verwachten dat de ouder nog op enigerlei wijze inhoud kan geven aan het ouderschap. Slechts indien vaststaat dat het kind ten aanzien van zijn oorspronkelijke ouder als ouder niets meer te verwachten heeft, zal aan het criterium voor adoptie zijn voldaan. Als er twijfel is over de vraag of aan de gestelde voorwaarde dat het kind van zijn ouder niets meer te verwachten heeft, is voldaan, dient het verzoek tot adoptie te worden afgewezen. Een en ander vloeit voort uit de tekst van de voorwaarde. Er wordt immers gesproken over ‘vaststaan’. Bij twijfel staat niet vast dat aan de bedoelde voorwaarde is voldaan.
5.10.
De stiefmoeder heeft nog gesteld dat de moeder eerder geen pogingen heeft ondernomen om te komen tot contactherstel, waaruit blijkt dat de kinderen niets meer van haar kunnen verwachten. Dit is niet de maatstaf. De moeder is standvastig in haar (huidige) wens het contact met de kinderen te herstellen. De moeder wil een rol in het leven van de kinderen spelen. Hiermee staat dan ook op dit moment niet vast dat voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niets meer van de moeder in hoedanigheid van ouder te verwachten hebben.
5.11.
Onder deze omstandigheden is adoptie, waarbij de juridische band tussen de kinderen en de moeder wordt doorgesneden, te verstrekkend om het doel van het verzoek te realiseren (namelijk bestendiging van de feitelijke band tussen de kinderen en de stiefmoeder). Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 1:227 lid 3 BW Pro, zodat het verzoek tot adoptie van de kinderen door de stiefmoeder reeds om deze reden zal worden afgewezen.
5.12.
De moeder spreekt het verzoek tot adoptie tegen. Aan de tegenspraak van een ouder kan voorbij worden gegaan als sprake is van in artikel 1:228, tweede lid, BW genoemde omstandigheden of, zo is in vaste jurisprudentie van de Hoge Raad bepaald, als er sprake is van misbruik van bevoegdheid of sprake is van een grove verwaarlozing in de opvoeding en verzorging. Het is het hof niet gebleken dat de moeder misbruik maakt van haar bevoegdheid tot tegenspraak. Niet gebleken is dat de moeder haar bevoegdheid enkel gebruikt om een ander te schaden, dat zij geen enkel te respecteren belang nastreeft of dat zij, het door haar gestelde belang en het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de stiefouderadoptie in aanmerking genomen, in redelijkheid niet tot uitoefening van haar recht op tegenspraak heeft kunnen komen. Ook van een grove verwaarlozing in de opvoeding en verzorging van de kinderen is niet gebleken. Dat de moeder, zoals door de stiefmoeder gesteld, niet of nauwelijks contact met de kinderen heeft onderhouden, is, zo al juist. onvoldoende om te komen tot het oordeel dat sprake is (geweest) van grove verwaarlozing van de verzorging en opvoeding van de kinderen.
5.13.
Het hof benadrukt dat het de verantwoordelijkheid van de moeder is om de verwachtingen ten aanzien van haar rol als moeder van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] waar te maken, maar ook van de vader en de stiefmoeder om de moeder hiertoe te benodigde mogelijkheden en ruimte te bieden. Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover die betrekking heeft op het adoptieverzoek.
Gezag
5.14.
Nu het hof het verzoek tot stiefouderadoptie afwijst, moet het subsidiaire verzoek van de stiefmoeder, om gezamenlijk met de vader belast te worden met het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , beoordeeld worden.
Juridisch kader
5.15.
Op grond van artikel 1:253t lid 1 BW kan de rechtbank, indien het gezag over een kind bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten.
Lid 2 van dit artikel bepaalt dat in het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder het verzoek slechts wordt toegewezen, indien:
de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en
de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.
Op grond van lid 3 van artikel 1:253t BW wordt het verzoek afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
Oordeel van het hof
5.16.
Het hof stelt vast dat aan de formele eisen van het tweede lid van artikel 1:253t BW is voldaan. Nu niet is betwist dat de stiefmoeder in een nauwe persoonlijke betrekking tot [de minderjarige1] en [de minderjarige2] staat dient nog slechts te worden beoordeeld of voldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit volgt dat, mede in het licht van de belangen van de moeder, gegronde vrees bestaat dat de belangen van de kinderen worden verwaarloosd bij inwilliging van het verzoek.
5.17.
De moeder stemt in met het toewijzen van het verzoek tot gezamenlijk gezag van de stiefmoeder. Zij erkent dat de stiefmoeder een grote rol speelt in het leven van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en kan zich erin vinden dat deze rol geformaliseerd wordt als stiefouder met gezag. Deze instemming laat onverlet dat het hof zal moeten beoordelen of het in de wet gegeven criterium daaraan niet in de weg staat.
Met de raad acht het hof het in het belang van de kinderen dat zij zich in positieve zin kunnen blijven ontwikkelen binnen het gezin van de vader en de stiefmoeder, van welk gezin zij reeds vele jaren deel uitmaken. Binnen dat gezin ervaren [de minderjarige1] en [de minderjarige2] de voor hen noodzakelijke rust en stabiliteit. Nu, behalve de vader, ook de stiefmoeder is belast met de dagelijkse verzorging en opvoeding is het van belang dat de juridische situatie voor wat het gezag betreft aansluit bij deze feitelijke situatie. Het hof zal het verzoek van de stiefmoeder, om gezamenlijk met de vader te worden belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] toewijzen. Het belang van de kinderen verzet zich daar in dit geval niet tegen.
De moeder behoudt op grond van de wet haar recht op omgang met de kinderen. Dit wordt niet beperkt door het toewijzen van het gezamenlijk gezag van de moeder en de stiefvader.
Proceskosten
5.18.
De stiefmoeder verzoekt het hof de moeder te veroordelen in de proceskosten. Het hof ziet hiervoor geen aanleiding. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu de vader en de moeder gewezen echtgenoten zijn en de procedures de uit die relatie geboren kinderen betreffen, met welke kinderen de stiefmoeder een nauwe persoonlijke betrekking heeft.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 18 maart 2025, en in zoverre opnieuw beschikkende;
wijst toe het verzoek van de stiefmoeder om haar samen met de vader te belasten met het (gezamenlijk) gezag over de minderjarigen [de minderjarige1] , geboren [in]
2012 in [geboorteplaats] , en [de minderjarige2] , geboren [in] 2015 in [geboorteplaats] ;
compenseert de proceskosten;
wijst het meer of anders verzochte af;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, K.A.M. van Os-ten Have en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.