ECLI:NL:GHARL:2026:653

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
200.361.375/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 358 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen na afwijzing kinderrechter

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland heeft het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen te verlengen afgewezen. De moeder van de kinderen, verzoekster, ging hiertegen in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Het hof oordeelt dat verzoekster ontvankelijk is in het hoger beroep en dat het hof de beslissing van de kinderrechter opnieuw moet beoordelen. De GI en verzoekster stellen dat er nog steeds ernstige bedreigingen zijn voor de ontwikkeling van de kinderen vanwege conflicten tussen de ouders, terwijl belanghebbende (de andere ouder) van mening is dat de ondertoezichtstelling niet langer nodig is.

Na beoordeling concludeert het hof dat er geen grote zorgen zijn die een ondertoezichtstelling rechtvaardigen. De communicatie tussen de ouders is wisselend, maar de kinderen lijden hier niet ernstig onder. De kinderen ontwikkelen zich voldoende en de ouders kunnen belangrijke beslissingen gezamenlijk nemen. Daarom wordt het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling afgewezen en de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van de verlenging van de ondertoezichtstelling omdat er geen ernstige bedreiging is voor de ontwikkeling van de kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.361.375
zaaknummer rechtbank Gelderland 453563
beschikking van 5 februari 2026
over de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2]
in de zaak van
[verzoekster]( [verzoekster] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. M.G.M. Frerix
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland(de GI)
die is gevestigd in Arnhem
en
[belanghebbende]( [belanghebbende] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. J.E.A. van Beveren

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te verlengen, afgewezen. [verzoekster] is het daar niet mee eens. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben twee kinderen: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
[de minderjarige1] is [in] 2011 geboren en [de minderjarige2] is [in] 2018 geboren.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
2.3.
De kinderen wonen bij [verzoekster] en in de oneven weken verblijven
zij van donderdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij [belanghebbende] .
2.4.
De kinderen stonden sinds 20 februari 2023 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling duurde tot 20 augustus 2025.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te verlengen met een jaar.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI afgewezen.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 14 augustus 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
[verzoekster]is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en dat de ondertoezichtstelling alsnog wordt verlengd.
4.2.
De GIwil dat de beslissing van de kinderrechter ongedaan wordt gemaakt en dat de ondertoezichtstelling alsnog wordt verlengd.
4.3.
[belanghebbende]is het wel eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter in stand laat.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift van de GI
  • het verweerschrift van [belanghebbende]
  • de brief van de raad van 24 november 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
4.5.
[de minderjarige1] is uitgenodigd te vertellen wat hij vindt van de verlenging van de ondertoezichtstelling. [de minderjarige1] heeft niet gereageerd.
4.6.
De zitting bij het hof was op 16 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • [verzoekster] met haar advocaat
  • twee vertegenwoordigers van de GI
  • [belanghebbende] met haar advocaat

5.Het oordeel van het hof

Wat staat er in de wet?
5.1.
De kinderrechter mag een kind onder toezicht stellen als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij werken de ouders niet of niet genoeg mee aan vrijwillige hulpverlening. Het moet wel zo zijn dat de ouders de verzorging en opvoeding na een tijdje weer helemaal zelf kunnen gaan doen (artikel 1:255 BW Pro).
De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar (artikel 1:260 BW Pro).
Aan de orde is eerst de vraag of een verlenging van de ondertoezichtstelling nog mogelijk is nu de ondertoezichtstelling niet door de kinderrechter is verlengd en de ondertoezichtstelling op 20 augustus 2025 is geëindigd.
De ontvankelijkheid van het hoger beroep
Oordeel van het hof
5.2.
Het hof overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid van [verzoekster] als volgt. Het hoger beroep geeft een procespartij of belanghebbende de mogelijkheid om een zaak opnieuw te laten behandelen. Op grond van artikel 358 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering kan van eindbeschikkingen binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld. De eindbeschikking van de kinderrechter is van
14 augustus 2025 en [verzoekster] is tijdig in hoger beroep gekomen. Daarmee is [verzoekster] dus ontvankelijk in het hoger beroep. De omstandigheid dat de ondertoezichtstelling niet meer verlengd kan worden staat daar niet aan in de weg. Het hof merkt op dat [belanghebbende] er terecht van uit gaat dat het hof de door de rechtbank uitgesproken ondertoezichtstelling in deze zaak niet (meer) kan verlengen. Zoals ook ter zitting is besproken is het hof echter van oordeel dat het niet zo kan zijn dat tegen een uitgesproken verlenging wel beroep open staat die tot een andere beslissing kan leiden en van een afwijzing niet. Ook een afwijzing moet door een hogere rechter kunnen worden getoetst en tot een andere beslissing kunnen leiden. Het hof is van oordeel dat het systeem van de wet meebrengt dat in geval het hof van oordeel is dat de rechtbank het verlengingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen, het hof (opnieuw) een ondertoezichtstelling kan uitspreken, die in tijd overigens wel beperkt is tot de einddatum van het oorspronkelijke door de GI gedane verleningsverzoek, in dit geval tot
20 augustus 2026.
5.3.
Nu [verzoekster] ontvankelijk is in het hoger beroep zal het hof opnieuw beoordelen of [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht moeten worden gesteld.
De ondertoezichtstelling
Standpunten
5.4.
Door [verzoekster] en de GI is gesteld dat [de minderjarige2] en [de minderjarige1] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, doordat er veel strijd is tussen [verzoekster] en [belanghebbende] en er een patroon waarneembaar is waarin periodes van rust en redelijk contact worden afgewisseld met momenten van irritatie en spanning. [verzoekster] vreest dat er, zonder tussenkomst van de GI in de vorm van een ondertoezichtstelling, niet snel genoeg beslissingen kunnen worden genomen over de gezondheid van [de minderjarige2] . [belanghebbende] vindt dat de ondertoezichtstelling niet meer nodig is. Volgens [belanghebbende] is tussenkomst van de GI niet nodig om beslissingen over [de minderjarige2] en [de minderjarige1] te nemen. [belanghebbende] werkt hierin niet tegen, maar zou slechts kritische vragen stellen.
Oordeel van het hof
5.5.
Naar het oordeel van het hof zijn er op dit moment geen grote zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] die maken dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Dat de communicatie en samenwerking tussen [verzoekster] en [belanghebbende] wisselend verloopt maakt nog niet dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] die een ondertoezichtstelling noodzakelijk maakt. Het hof is namelijk niet gebleken dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ernstig lijden onder deze situatie. Alle betrokkenen zijn het er over eens dat het op dit moment goed gaat met de kinderen en dat zij voldoende toekomen aan hun eigen ontwikkeling. [de minderjarige1] heeft geleerd om met de situatie om te gaan en zich hiervoor af te sluiten. [de minderjarige2] heeft extra aandacht nodig vanwege de zorgen om zijn gezondheid. Dit heeft in de afgelopen maanden, zonder betrokkenheid van de GI, niet tot ernstige problemen geleid waarbij de belangen en de gezondheid van [de minderjarige2] in gevaar zijn geweest. [verzoekster] en [belanghebbende] hebben laten zien dat zij er op belangrijke momenten voor [de minderjarige2] kunnen zijn en hun eigen spanningen opzij kunnen zetten. Uiteindelijk lukt het [verzoekster] en [belanghebbende] om samen belangrijke beslissingen over de gezondheid van [de minderjarige2] te nemen. Hoewel de communicatie tussen [verzoekster] en [belanghebbende] verbeterd kan worden rechtvaardigt dit op zichzelf geen ondertoezichtstelling. Het hof vindt een ondertoezichtstelling in dit geval dan ook geen passend middel en zal het verzoek van de GI (en [verzoekster] ) afwijzen en dus de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland van
14 augustus 2025 over de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ;
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, K.A.M. van Os-ten Have en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.