Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De vader en moeder zijn gezamenlijk gezagdragers over twee minderjarige kinderen die onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI) staan. De GI heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot wijziging van de zorgregeling, waarbij een 50/50 regeling werd voorgesteld. De moeder heeft een aangepast voorstel gedaan en verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats van een kind. De vader verzocht om een zorgregeling waarbij de kinderen eenmaal per veertien dagen bij de moeder verblijven.
De kinderrechter heeft de ouders niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoeken tot wijziging van de zorgregeling en hoofdverblijfplaats, omdat deze verzoeken niet in de juiste procedure waren ingediend. De kinderrechter heeft wel de door de GI gevraagde wijziging van de zorgregeling toegewezen.
In hoger beroep heeft de vader de bestreden beschikking aangevochten en verzocht om vernietiging van de zorgregeling. De moeder heeft verweer gevoerd en een voorwaardelijk incidenteel appel ingediend. De GI heeft haar standpunt gewijzigd en steunt nu het verzoek van de vader voor een zorgregeling met een weekend per twee weken bij de moeder.
Het hof heeft het incidenteel appel van de moeder ingetrokken en het subsidiaire verzoek van de vader verworpen. Het hof oordeelt dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot wijziging van de zorgregeling, omdat artikel 1:265g BW niet toestaat dat een zelfstandig tegenverzoek dat een gezagsgeschil betreft wordt ingediend in een door de GI gestarte procedure waarbij het verzoek niet tegen de andere ouder is gericht. Het hof wijst daarom het hoger beroep van de vader af en verklaart hem niet-ontvankelijk.
Uitkomst: De vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wijziging van de zorgregeling in de door de GI gestarte procedure.