ECLI:NL:GHARL:2026:572

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
200.357.206/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vader in verzoek tot wijziging zorgregeling in GI-gestarte procedure

De vader en moeder zijn gezamenlijk gezagdragers over twee minderjarige kinderen die onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI) staan. De GI heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot wijziging van de zorgregeling, waarbij een 50/50 regeling werd voorgesteld. De moeder heeft een aangepast voorstel gedaan en verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats van een kind. De vader verzocht om een zorgregeling waarbij de kinderen eenmaal per veertien dagen bij de moeder verblijven.

De kinderrechter heeft de ouders niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoeken tot wijziging van de zorgregeling en hoofdverblijfplaats, omdat deze verzoeken niet in de juiste procedure waren ingediend. De kinderrechter heeft wel de door de GI gevraagde wijziging van de zorgregeling toegewezen.

In hoger beroep heeft de vader de bestreden beschikking aangevochten en verzocht om vernietiging van de zorgregeling. De moeder heeft verweer gevoerd en een voorwaardelijk incidenteel appel ingediend. De GI heeft haar standpunt gewijzigd en steunt nu het verzoek van de vader voor een zorgregeling met een weekend per twee weken bij de moeder.

Het hof heeft het incidenteel appel van de moeder ingetrokken en het subsidiaire verzoek van de vader verworpen. Het hof oordeelt dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot wijziging van de zorgregeling, omdat artikel 1:265g BW niet toestaat dat een zelfstandig tegenverzoek dat een gezagsgeschil betreft wordt ingediend in een door de GI gestarte procedure waarbij het verzoek niet tegen de andere ouder is gericht. Het hof wijst daarom het hoger beroep van de vader af en verklaart hem niet-ontvankelijk.

Uitkomst: De vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wijziging van de zorgregeling in de door de GI gestarte procedure.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.206
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 588391)
beschikking van 3 februari 2026
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. F. Pool,
en
de gecertificeerde instelling
stichting Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd te Utrecht,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI,
en
[belanghebbende],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.K. Kemper.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 11 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 10 juli 2025;
- het verweerschrift tevens voorwaardelijk hoger beroep met producties namens de moeder;
- het verweerschrift (standpuntstuk ) van de GI met producties;
- een journaalbericht van mr. Pool van 2 december 2025 met producties;
- een journaalbericht van mr. Kemper van 11 december 2025 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 16 december 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigers namens de GI,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2019 en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2020.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over hun kinderen. De kinderen staan ingeschreven bij de vader.
3.2
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn bij beschikking van 13 mei 2022 onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd. Voor het laatst bij beschikking van de kinderrechter van 11 september 2025 tot 13 juni 2026.
3.3
Bij beschikking van 13 mei 2022 heeft de rechtbank bepaald dat de moeder en de kinderen omgang met elkaar zullen hebben conform de adviezen van de begeleidende jeugdhulpverlenende instanties (inclusief de GI).
Tot de bestreden beschikking verbleven de kinderen wekelijks van zaterdag tot woensdag bij de vader en van woensdag tot zaterdag bij de moeder.

4.De procedure bij de kinderrechter

4.1
De GI heeft bij de rechtbank wijziging van de eerder vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken verzocht, in die zin dat een 50/50 regeling waarbij de kinderen in de even weken bij de moeder en in de oneven weken bij de vader verblijven wordt bepaald. Daarnaast heeft de GI een regeling voor de vakanties en feestdagen verzocht.
De moeder heeft in haar verweer de door de GI verzochte co-ouderschapsregeling aangepast en gespecificeerd en daarnaast verzocht te bepalen dat [de minderjarige1] voortaan haar hoofdverblijfplaats bij haar moeder zal hebben.
De vader heeft verweer gevoerd en verzocht als zorgregeling te bepalen dat de kinderen eenmaal per veertien dagen van zaterdag 9.00 uur tot zondag 17.30 uur bij de moeder verblijven.
4.2
De kinderrechter heeft de ouders niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot wijziging van de zorg- en opvoedtaken, omdat er nog geen beslissing van de kinderrechter ligt over de verdeling van de zorg- en opvoedtaken op verzoek van de GI.
De kinderrechter heeft de moeder eveneens niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] te wijzigen omdat dit verzoek, dat een gezagsgeschil met de andere ouder betreft, niet als tegenverzoek in deze procedure bij de kinderrechter kon worden gedaan.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken toegewezen en als reguliere zorgregeling bepaald dat de kinderen in de even weken bij de moeder en in de oneven weken bij de vader verblijven, waarbij het wisselmoment maandagochtend naar school is. Verder heeft de kinderrechter een uitgebreid gespecificeerde verdeling van de schoolvakanties en feestdagen vastgesteld.

5.De procedure bij het hof

5.1
Het hof heeft ter zitting besproken en beslist dat het verweerschrift van de GI en het journaalbericht van mr. Kemper van 11 december 2025 in verband met strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten, omdat deze zonder noodzaak buiten de daarvoor gestelde termijn zijn ingekomen bij de griffie van het hof. Het journaalbericht van mr. Kemper is bovendien in strijd met de twee conclusie leer.
5.2
De vader is het niet eens met de beslissing over de reguliere zorgregeling tussen de ouders en de kinderen en hij komt daarom in hoger beroep van de bestreden beschikking. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking op dit punt te vernietigen en
Primair
het verzoek van de GI tot vaststelling van een 50/50-zorgregeling, waarbij de kinderen in de even weken bij de moeder en in de oneven weken bij de vader verblijven, af te wijzen,
Subsidiair
een verdeling van de zorg- en opvoedtaken vast te stellen, waarbij de minderjarigen éénmaal per twee weken van vrijdag na schooltijd tot maandagochtend naar school bij de moeder verblijven, dan wel een verdeling vast te stellen die het hof juist acht.
5.3
De moeder voert verweer tegen het verzoek van de vader en vraagt hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep dan wel zijn verzoeken in hoger beroep af te wijzen.
Zij dient een voorwaardelijk incidenteel appel in voor het geval de ondertoezichtstelling van de kinderen tijdens deze procedure eindigt. In dat geval verzoekt zij het hof de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] alsnog te wijzigen en te bepalen dat [de minderjarige1] voortaan hoofdverblijfplaats heeft bij haar moeder.
5.4
De GI wijzigt haar standpunt in hoger beroep. De GI is, na een periode van maanden door voortschrijdend inzicht, van mening dat de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling niet langer in het belang is van de kinderen. De GI is het nu eens met het verzoek van de vader om als zorgregeling te bepalen dat de kinderen eenmaal per twee weken een weekend bij hun moeder verblijven en de rest van de tijd bij de vader zijn.

6.De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid
6.1
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder het door haar ingestelde voorwaardelijk incidenteel appel ingetrokken. De vader heeft zijn subsidiaire verzoek ingetrokken.
6.2
Het hof dient vervolgens de ontvankelijkheid van het primaire verzoek van de vader te beoordelen. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn verzoek. Het hof zal dit hierna toelichten.
6.3
De GI heeft in eerste aanleg op grond van artikel 1:265g lid 1 BW verzocht om de zorgregeling te wijzigen. De vader heeft vervolgens een zelfstandig (tegen)verzoek ingediend tot bepaling van de hoofdverblijfplaats bij hem en een uitgebreidere zorgregeling tussen hem en de kinderen. De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking de zorgregeling gewijzigd en - voor zover nu van belang - de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen.
Artikel 1:265g BW biedt, dat volgt uit het systeem van de wet en is ook kenbaar uit jurisprudentie en literatuur, niet de mogelijkheid om een zelfstandig (tegen)verzoek dat een gezagsgeschil met de andere ouder betreft in te dienen in een door de GI gestarte procedure waarbij het verzoek niet gericht is tegen de andere ouder. Het hof zal daarom de vader alsnog niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot vermeerdering/uitbreiding van de zorgregeling met de kinderen omdat een onjuiste juridische weg is bewandeld.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en incidenteel hoger beroep:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoeken in hoger beroep;
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek in voorwaardelijk incidenteel appel;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, P.B. Kamminga en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is op 3 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.