ECLI:NL:GHARL:2026:51

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
21-000909-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor poging tot overval op vrachtwagen met geweld

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een veroordeling van de rechtbank Gelderland. De verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van een poging tot een overval op een vrachtwagen waarbij geweld is gebruikt. De rechtbank had de verdachte eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft de zaak opnieuw beoordeeld en komt tot de conclusie dat de verdachte schuldig is aan de tenlastegelegde feiten. De verdachte heeft op 28 februari 2024, samen met een medeverdachte, geprobeerd om goederen van de benadeelde partij te stelen, waarbij geweld is gebruikt. Het hof heeft de strafmaat verlaagd naar 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast zijn er bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een contactverbod en een locatieverbod rondom de benadeelde partij. De vordering van de benadeelde partij is gedeeltelijk toegewezen, waarbij de verdachte aansprakelijk is gesteld voor materiële en immateriële schade. Het hof heeft de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf verlengd met één jaar. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer voor strafzaken, waarbij de rechters de ernst van het feit en de impact op het slachtoffer in overweging hebben genomen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000909-25
Uitspraakdatum: 8 januari 2026
TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 17 februari 2025 met parketnummer 05-281587-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 05-328902-21, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ,
gedetineerd in de P.I. [locatie]

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat er op de zitting van het hof van 17 december 2025 en wat er op de zittingen van de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. Y. Quint, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte voor – kort gezegd – een poging tot medeplegen van diefstal met geweld veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] is gedeeltelijk toegewezen, tot een bedrag € 3.610,52, met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. Verder heeft de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, inhoudende een contact- en gebiedsverbod. Tot slot is de proeftijd van de gevorderde voorwaardelijke straf van de zaak met parketnummer 05-328902-21 verlengd met één jaar.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de rechtbank Gelderland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 28 februari 2024 te [plaats] , [gemeente] in het openbaar, althans op een voor het publiek zichtbare plek, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om goederen en/of voertuigen van zijn/hun gading en/of geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- de locatiegegevens van die [benadeelde] heeft achterhaald middels het plaatsen van een tracker op de auto van die [benadeelde] ,
- zich enige tijd op het bedrijventerrein van die [benadeelde] heeft opgehouden,
- op die [benadeelde] af is gerend nadat [benadeelde] de deur van zijn vrachtwagen geopend had,
- de deur van die vrachtwagen open heeft getrokken,
- twee maal pepperspray in de richting van het gezicht van die [benadeelde] heeft gespoten,
- het trapje van de vrachtwagen op is geklommen,
- aan een been van die [benadeelde] heeft gehangen,
- de trui van die [benadeelde] vast heeft gegrepen en aan de trui heeft gehangen, en/of
- gedurende één tot twee minuten, althans enige tijd, aan het been en/of de trui van [benadeelde] heeft getrokken en/of gehangen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd om verdachte te veroordelen conform het vonnis van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat er voldoende bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Volgens verdachte was zijn rol beperkt, omdat hij pas enkele dagen voor het feit daarbij betrokken raakte. Het hof is van oordeel dat dit, ook als dat zo is, zijn betrokkenheid bij het plegen van het feit niet anders maakt en dat – ook dan – sprake is van medeplegen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten:
hij op
of omstreeks28 februari 2024 te [plaats] , [gemeente] , in het openbaar, althans op een voor het publiek zichtbare plek, tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en
/of zijn mededader
(s)voorgenomen misdrijf om
goederen en/of voertuigen van zijn/hun gading en/ofgeld
, in elk geval enig goed,dat
/diegeheel
of ten deleaan [benadeelde] ,
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n)weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen
voorafgaan, te doenvergezellen
en/of te doen volgenvan geweld
en/of bedreiging met geweldtegen die [benadeelde] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken
, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- de locatiegegevens van die [benadeelde] heeft achterhaald middels het plaatsen van een tracker op de auto van die [benadeelde] ,
- zich enige tijd op het bedrijventerrein van die [benadeelde] heeft opgehouden,
- op die [benadeelde] af is gerend nadat [benadeelde] de deur van zijn vrachtwagen geopend had,
- de deur van die vrachtwagen open heeft getrokken,
- twee maal pepperspray in de richting van het gezicht van die [benadeelde] heeft gespoten,
- het trapje van de vrachtwagen op is geklommen,
- aan een been van die [benadeelde] heeft gehangen,
- de trui van die [benadeelde] vast heeft gegrepen en aan de trui heeft gehangen, en
/of
- gedurende één tot twee minuten, althans enige tijd, aan het been en
/ofde trui van [benadeelde] heeft getrokken en
/ofgehangen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast is gevorderd om een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, inhoudende een contactverbod met aangever en een locatieverbod rondom de woning van aangever.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met zijn beperkte betrokkenheid bij de voorbereiding van het feit, en met het feit dat het slechts om een poging gaat. Er zou bij de LOVS-oriëntatiepunten eerder aansluiting gezocht moet worden bij een straatroof dan bij een overval van een vrachtwagen. Daarom zou moeten worden volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan een poging tot een overval op een vrachtwagen waarbij geweld is gebruikt. Het slachtoffer werd ongemerkt al langere tijd in de gaten gehouden en op 28 februari 2024 is hij ’s nachts op zijn eigen bedrijventerrein door de twee verdachten aangevallen, waarbij ze hem uit de vrachtwagen probeerden te trekken en waarbij twee keer pepperspray in zijn gezicht werd gespoten. Verdachten hebben hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer. Uit de voorgelezen slachtofferverklaring is gebleken hoeveel impact het feit op het slachtoffer en zijn familie heeft gehad. Het slachtoffer is sindsdien continu op zijn hoede en hij is angstig dat het opnieuw zal gebeuren.
Uit het strafblad van verdachte van 18 november 2025 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, maar dat deze van oudere datum zijn.
Het hof heeft gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht
,waarin als oriëntatiepunt voor een overval op een vrachtwagen waarbij sprake is van licht geweld of bedreiging, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden is opgenomen. De uitgangspunten gaan uit van voltooide delicten.
De reclassering heeft op 27 december 2024 gerapporteerd dat zij bij verdachte enig probleeminzicht in relatie tot het feit constateren, maar dat ze nog te weinig probleembesef en mogelijk overschatting ten aanzien van een delict-vrije toekomst zien. Verdachte heeft geen werk en hij kwam eerder in aanraking met een negatief sociaal netwerk dat hem onder druk zette. De reclassering sluit niet uit dat dit na detentie opnieuw zal gebeuren. Vanwege de geconstateerde risico’s en de instabiliteit op verschillende leefgebieden, adviseren zij een plan van aanpak om de risico’s beter te kunnen duiden en daar waar mogelijk te werken aan recidivebeperking. De reclassering adviseert daarom een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, bestaande uit: een meldplicht, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, diagnostiek en behandeling (indien nodig), dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening.
Het hof ziet in de omstandigheden dat het feit een poging betreft en de specifieke recidive van oudere datum is reden om op een lagere straf uit te komen dan het oriëntatiepunt en de straf die door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof acht het bovendien aangewezen om aan verdachte een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen, als stok achter de deur om zich in de toekomst van het plegen van strafbare feiten te onthouden.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend en geboden is. Het hof zal hieraan de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Contactverbod en locatieverbod
Het hof zal ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten bevelen dat verdachte:
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] 1964, wonende op [adres] in [plaats] ;
- zich niet zal bevinden binnen een straal van 500 meter rond het woonadres van [benadeelde] , te weten de [adres] in [plaats] ;
- zich niet zal bevinden binnen een straal van 500 meter rond het werkadres van [benadeelde] , te weten de [adres] in [plaats] .
Het hof legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van drie jaren. Voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, zal vervangende hechtenis van één week worden opgelegd voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De totale duur van de vervangende hechtenis zal de periode van zes maanden niet overschrijden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De vordering
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 6.925,52 ingediend, bestaande uit € 1.925,52 aan materiële schade (€ 110,52 aan kleding en € 1.815,- voor een beveiligingssysteem) en € 5.000,- aan immateriële schade . De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 3.610,52, bestaande uit € 110,52 aan materiële schade (kleding) en € 3.500,- aan immateriële schade, steeds met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft in hoger beroep de oorspronkelijke vordering gehandhaafd.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd om de vordering van de benadeelde partij volledig toe te wijzen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor het beveiligingssysteem geldt dat dit kort na de overval is aangeschaft met name omdat de benadeelde niet wist uit welke hoek deze overval kwam. Het hof acht deze schadepost voor toewijzing vatbaar. Ook de schadepost voor de kleding is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Het hof overweegt dat de schadeposten bovendien niet zijn betwist.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
De vordering zal voor wat betreft de kleding tot een hoogte van € 110,52 en voor de beveiligingscamera tot een bedrag van € 1.815 worden toegewezen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op
vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt het hof vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. De benadeelde is ’s nachts, op zijn eigen bedrijventerrein, door twee verdachten aangevallen, waarbij geweld is gebruikt, pepperspray naar hem is gespoten en aangever zich hevig heeft moeten verweren om te voorkomen dat ze iets van hem zouden meenemen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Het hof houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal het hof het smartengeld op een bedrag van € 3.500 vaststellen.
Het hof zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de
vordering.
Wettelijke rente
Het hof bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
- 28 februari 2024 over een bedrag van € 110,52 ter zake van de kleding
- 11 maart 2024 over een bedrag van € 1.815,00 ter zake van het beveiligingssysteem
en van de immateriële schade op
- 28 februari 2024.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Hoofdelijkheid
Het hof overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen als en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed.

Vordering tot tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 05-328902-21 is verdachte op 28 juni 2023 door de politierechter in de rechtbank Gelderland veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van vier weken, met een proeftijd van drie jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Ter terechtzitting hebben zowel de advocaat-generaal als de raadsman verzocht om de proeftijd met één jaar te verlengen. Het hof verlengt de proeftijd met één jaar, op grond van wat over verdachte bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (dertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd:
- Verdachte moet zich binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis melden bij Reclassering Nederland op het adres Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem (088 804 1401). Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
- Verdachte moet actief deelnemen aan de gedragsinterventie Cognitieve Vaardigheden (CoVa) of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.
- Verdachte moet, als de reclassering dit nodig acht, bijvoorbeeld na het afronden van de gedragsinterventie, mee aan diagnostiek en mogelijk voortvloeiende behandeling bij een forensische polikliniek, zulks ter beoordeling van de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
- Verdachte moet zich inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. Verdachte moet meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren zich niet zal bevinden binnen een straal van 500 meter rond het woonadres van [benadeelde] , te weten de [adres] in [plaats]
Voor de duur van 3 jaren zich niet zal bevinden binnen een straal van 500 meter rond het werkadres van [benadeelde] , te weten [adres] in [plaats] .
Voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] 1964, wonende op [adres] in [plaats]
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 5.425,52 (vijfduizend vierhonderdvijfentwintig euro en tweeënvijftig cent) bestaande uit € 1.925,52 (duizend negenhonderdvijfentwintig euro en tweeënvijftig cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.425,52 (vijfduizend vierhonderdvijfentwintig euro en tweeënvijftig cent) bestaande uit € 1.925,52 (duizend negenhonderdvijfentwintig euro en tweeënvijftig cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 62 (tweeënzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
- 28 februari 2024 over een bedrag van € 110,52 ter zake van kleding
- 11 maart 2024 over een bedrag van € 1.815,00 ter zake van het beveiligingssysteem
en van de immateriële schade op
- 28 februari 2024.
Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 28 juni 2023 parketnummer 05-328902-21, met een termijn van 1 (één) jaar.
Dit arrest is gewezen door
mr. L.A. Kjellevold, voorzitter,
mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. R.H. Koning, raadsheren,
in aanwezigheid van de griffier mr. S.J.H. Salvino
en op 8 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.