Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:499

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
21-005292-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 45 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep: bevestiging vrijspraak belediging en gevangenisstraf voor bedreiging en smaad

In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland bevestigt het hof de vrijspraak van verdachte voor het feit van belediging jegens een slachtoffer, maar verbetert de motivering daarvoor. De rechtbank had verdachte vrijgesproken van belediging en veroordeeld tot een taakstraf voor pogingen tot dwang en smaad.

Het hof vernietigt de strafoplegging van de rechtbank en legt een gevangenisstraf op van 14 dagen, waarvan 12 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De straf is gebaseerd op de ernst van de bewezen feiten, waaronder bedreigingen aan het adres van een eindredacteur van een omroep en smaadschrift jegens de politie.

De bedreigingen betroffen onder meer het fysiek opzoeken van het omroepgebouw en het uiten van intimidaties richting journalisten in een periode van maatschappelijke spanningen rondom het coronadebat. De smaad betrof ongefundeerde zware beschuldigingen aan het adres van de politie. Het hof weegt mee dat verdachte eerder is veroordeeld, maar acht dit niet strafverzwarend. Verdachte heeft aangegeven niet mee te willen werken aan een taakstraf, waardoor het hof een gevangenisstraf passend acht.

Het arrest is gewezen door het hof Arnhem-Leeuwarden op 29 januari 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 14 dagen gevangenisstraf waarvan 12 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 3 jaar; vrijspraak voor belediging bevestigd.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005292-22
Uitspraakdatum: 29 januari 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 23 november 2022 met parketnummer 16-160468-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres]

Hoger beroep

Verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de rechtbank.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 18 april 2025 en 15 januari 2026 en op de zitting van de rechtbank van 9 november 2022 is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot
  • vrijspraak van verdachte ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde (kort gezegd: belediging);
  • veroordeling van verdachte ten aanzien van het onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde (kort gezegd: 2 pogingen tot dwang en daarnaast smaad) tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 weken met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte heeft aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde en veroordeeld ten aanzien van het onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde tot een taakstraf van 90 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 45 dagen hechtenis. Verder heeft de rechtbank de benadeelde partij (in verband met feit 4) niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank grotendeels op de juiste wijze en gronden heeft beslist. Ten aanzien van de strafoplegging komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het hof het vonnis dan ook vernietigen. Verder ziet het hof aanleiding om het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de vrijspraakoverweging van het onder 4 ten laste gelegde te verbeteren. Het hof bevestigt daarom het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de strafoplegging en met verbetering van de gronden.

Verbetering van de vrijspraakoverweging van het onder 4 ten laste gelegde

Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de onder 4 ten laste gelegde belediging van [slachtoffer 1] . Het hof verenigt zich echter niet met de daaraan ten grondslag liggende overweging van de rechtbank. In plaats van de overweging van de rechtbank overweegt het hof, zonder afbreuk te doen aan wat de gebruikte bewoordingen bij [slachtoffer 1] teweeg hebben gebracht, dat de bewoordingen die verdachte heeft gebruikt in de betreffende Whatsapp-berichten geen belediging in de zin van artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van [slachtoffer 1] opleveren. Nu (enkel) dat verwijt door het openbaar ministerie ten laste is gelegd, zal het hof - in lijn met de conclusie van de advocaat-generaal - verdachte vrijspreken van het onder 4 ten laste gelegde.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder gelet op het navolgende en daarbij grotendeels aansluiting gezocht bij wat de rechtbank daarover naar voren heeft gebracht
Verdachte heeft geprobeerd om de eindredacteur van [omroep] , [slachtoffer 2] , onder bedreiging met geweld te dwingen een publicatie, die betrekking had op verdachte, in te trekken. Hij heeft [slachtoffer 2] hiertoe op verschillende momenten en manieren indringend benaderd en bedreigingen in zijn richting geuit. Hierbij is verdachte zelfs fysiek naar het gebouw van de [omroep] toe gegaan om [slachtoffer 2] op te zoeken. Toen hij daar voor een dichte deur stond, heeft hij voor het gebouw van alles geschreeuwd en filmopnames gemaakt. Uit de aangifte blijkt dat [slachtoffer 2] angstig is geworden en dat zijn persoonlijk leven door verdachtes handelen is beïnvloed. De vrees dat verdachte het niet enkel bij dreigementen per telefoon en e-mail zou laten, was doordat verdachte ook naar het gebouw van de [omroep] toe ging, reëel.
Verder heeft verdachte geprobeerd om journalisten in het algemeen te dwingen om ontslag te nemen of het land te verlaten. Hij heeft hiertoe niet mis te verstane bedreigingen geuit. Dit is gebeurd in een periode dat het corona-debat en de tegengestelde meningen hierover in Nederland op scherp stonden. De politie heeft de dreigementen van verdachte serieus genomen en uitgebreid onderzoek verricht naar het bestaan van de door verdachte genoemde ‘zwarte lijst’ en de rol van verdachte hierbij. Uit het dossier is niet gebleken dat verdachte werk heeft gemaakt van de uitvoering van zijn dreigementen. Hoewel het daarom ook goed mogelijk is geweest dat hij deze in een onbezonnen opwelling heeft geuit, was dit voor de bedreigde journalisten destijds niet duidelijk. Juist gezien de opgelopen spanningen in de samenleving in die periode is het invoelbaar dat zij het dreigen met een zwarte lijst zeer serieus hebben genomen.
Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan smaadschrift jegens de politie. Dit door een ernstige beschuldiging te publiceren, zonder feitelijke onderbouwing. De bewering dat de politie welbewust een confrontatie uitlokt door zonder aanleiding geweld toe te passen tast de goede naam van de politie zonder meer aan. Niet alleen privépersonen, maar ook publieke instituties moeten beschermd worden tegen ongefundeerde beschuldigingen. Het respect voor en aanzien van de politie is ook een publiek belang. Kritiek uiten mag en is nodig, maar met het verspreiden van zware beschuldigingen zonder onderbouwing wordt de strafrechtelijke grens gepasseerd.
Het hof heeft verder gelet op het strafblad van verdachte van 15 december 2025. Daaruit volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor andere strafbare feiten. Omdat het niet om relevante recente veroordelingen gaat, laat het hof verdachtes strafblad niet in strafverzwarende zin meewegen in de strafoplegging.
Het hof heeft ten slotte ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze onder meer op de zitting in hoger beroep zijn besproken. Verdachte heeft daar naar voren gebracht dat hij probeert om een baan te vinden maar dat dit hem - vanwege de aanhangige strafzaken - niet lukt. Hij houdt zich momenteel vooral bezig met de werkzaamheden rondom zijn stichting. Verdachte geeft verder aan dat hij absoluut niet bereid is om een taakstraf uit te voeren indien deze hem zou worden opgelegd.
Alhoewel het hof in het licht van de bewezen verklaarde feiten en verdachtes persoonlijke omstandigheden in beginsel een taakstraf passend en geboden acht, gaat het hof niet tot oplegging daarvan over nu verdachte op niet mis te verstane wijze heeft aangegeven daar absoluut niet aan mee te zullen werken. Gelet hierop is het hof van oordeel dat passend en noodzakelijk is de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen waarvan 12 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van 3 jaren. Het voorwaardelijk deel van de op te leggen vrijheidsstraf dient als waarschuwing om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 63, 261 en 284 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
vernietigthet vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeeltde verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
14 (veertien) dagen.
Bepaaltdat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
12 (twaalf) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveeltdat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigthet vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. L.T. Wemes, mr. F. van der Maden en mr. R. Godthelp, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 29 januari 2026.