ECLI:NL:GHARL:2026:4724

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
21-000744-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen verduistering gelden Centrale Ondernemingsraad Nationale Politie

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van verduistering van gelden van de Centrale Ondernemingsraad van de Nationale Politie, samen met haar echtgenoot. De feiten betreffen het onrechtmatig gebruiken van een creditcard van de COR voor privé-uitgaven in de horeca en contante geldopnames, waarbij bedragen ten onrechte als zakelijke uitgaven werden verantwoord.

Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de rechtbank Overijssel en deed opnieuw recht. Het hoger beroep was niet ontvankelijk voor enkele vrijspraken die als losstaande feiten konden worden beschouwd. De bewezenverklaring omvatte verduistering van een bedrag van €1.125,-- en meermalen gepleegde verduistering van diverse bedragen tussen mei 2015 en juni 2016.

Procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte leidden tot een voorstel voor een geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uur met een proeftijd van twee jaar. De verdachte berustte in de bewezenverklaring en kwalificatie en voerde geen bewijsverweren. Het hof achtte de straf passend gezien de ernst van de feiten, de persoon van verdachte, de ouderdom van de feiten en de overschrijding van de redelijke termijn.

De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uur met een proeftijd van twee jaar wegens medeplegen van verduistering.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000744-20
Uitspraakdatum: 17 juni 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 30 januari 2020 met parketnummer 08-963500-17, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsman, mr. W.R. Jonk, advocaat te Amsterdam, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft bij vonnis van 30 januari 2022, waartegen het hoger beroep gericht is, verdachte ter zake van:
  • medeplegen van verduistering (feit 1 primair), en;
  • medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd (feit 2 primair);
veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, te vervangen door twintig dagen hechtenis.
Verder heeft de rechtbank de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en bepaald dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Het hof vernietigt het vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – omdat het tot een andere kwalificatie en een andere strafoplegging komt en doet daarom opnieuw recht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Bij inleidende dagvaarding is aan verdachte onder 2 – kort gezegd – ten laste gelegd verduistering door samen met haar medeverdachte meerdere privé-uitgaven in de horeca te betalen met de creditcard van de [benadeelde partij] en door contant geld op te nemen met deze creditcard. Bij het hiervoor genoemde vonnis is verdachte vrijgesproken ten aanzien van twee transacties met de creditcard van de [benadeelde partij] , te weten:
  • op of omstreeks 10 juli 2015 een contante geldopname van euro 750,- bij [locatie 1] (feit 2, tweede gedachtestreepje);
  • op of omstreeks 15 juli 2015 een bedrag van euro 98,50 bij [locatie 2] (feit 2, derde gedachtestreepje).
Het hoger beroep is volgens de akte instellen hoger beroep van 12 februari 2020 onbeperkt ingesteld en dus ook tegen deze vrijspraken gericht. Het hof is van oordeel dat deze vrijspraken feiten betreffen die als los feit ten laste gelegd hadden kunnen worden en dat daartegen gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering geen hoger beroep openstaat. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. De feiten waarvoor dit geldt zijn hierna niet meer in de weergave van de tenlastelegging opgenomen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. primair
zij in of omstreeks de periode van 3 december 2015 tot en met 11 december 2015 te [plaats 1] en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een geldbedrag van euro 1.125,--, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan de (Centrale Ondernemingsraad van de) [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededaders, en welk goed verdachtes mededader uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als voorzitter van de Centrale Ondernemingsraad van de [benadeelde partij] onder zich had, althans welk goed/geldbedrag verdachte en/of haar mededader in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader een terugstorting van euro 1.125,-- (wegens niet geleverde goederen aan de Centrale Ondernemingsraad van de [benadeelde partij] ) laten bijschrijven op een (bank)rekening van " [naam] ", althans een ander dan de (Centrale Ondernemingsraad van de) [benadeelde partij] ;
1. subsidiair
zij in of omstreeks de periode van 3 december 2015 tot en met 11 december 2015 te [plaats 1] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag van euro 1.125,--, in elk geval enig goed dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader toebehoorde, te weten de (Centrale Ondernemingsraad van de) [benadeelde partij] , heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2. primair
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 mei 2015 tot en met 9 juni 2016 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (nader te noemen) geldbedrag(en), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan de (Centrale Ondernemingsraad van de) [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn/haar mededaders, en welk(e) geldbedrag(en) verdachtes mededader, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als voorzitter van die Centrale Ondernemingsraad, in elk geval anders dan door misdrijf (telkens) onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend immers heeft zij, verdachte en/of haar mededader, (telkens) met de door de (Centrale Ondernemingsraad van de) [benadeelde partij] aan verdachtes mededader ter beschikking gestelde creditcard (een) betaling(en) verricht voor privé uitgave(n) in de horeca en/of een contante geld opname gedaan, te weten:
- op of omstreeks 26 augustus 2015 een bedrag van euro 159,12 bij [locatie 3] , en/of
- op of omstreeks 17 maart 2016 een bedrag van euro 223,-- bij [locatie 4] [plaats 1] , en/of
- op of omstreeks 25 maart 2016 een bedrag van euro 163,25 bij [locatie 4] [plaats 1] ,
terwijl verdachtes mededader daartoe (telkens) niet gerechtigd was en/of verdachtes mededader deze betaling(en) (vervolgens) niet als privé-uitgaven heeft aangemeld bij de (Centrale Ondernemingsraad van de) [benadeelde partij] en/of als zakelijke uitgave(n) opgenomen in de (schriftelijke) verantwoording van zijn creditcard-uitgaven, ten gevolge waarvan deze betalingen (telkens) ten onrechte als zakelijk zijn aangemerkt en (derhalve) voor rekening van de (Centrale Ondernemingsraad van de) [benadeelde partij] zijn gebleven/gekomen;
en/of
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 mei 2015 tot en met 9 juni 2016 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen (nader te noemen) geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de (Centrale Ondernemingsraad van de) [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), immers heeft zij, verdachte en/of haar mededader, met de door de (Centrale Ondernemingsraad van de) [benadeelde partij] aan verdachtes mededader ter beschikking gestelde creditcard (een) betaling(en) verricht voor privé uitgaven in de horeca en/of een contante geldopname gedaan, te weten:
- op of omstreeks 26 augustus 2015 een bedrag van euro 159,12 bij [locatie 3] , en/of
- op of omstreeks 17 maart 2016 een bedrag van euro 223,-- bij [locatie 4] [plaats 1] , en/of
- op of omstreeks 25 maart 2016 een bedrag van euro 163,25 bij [locatie 4] [plaats 1] waarbij verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) voornoemde geldbedrag(en) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door het (telkens) gebruik maken van de bij die creditcard behorende pincode;
2. subsidiair
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 mei 2015 tot en met 9 juni 2016 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de (Centrale Ondernemingsraad van de) [benadeelde partij] (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van enig geldbedrag/goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, immers heeft zij, verdachte tezamen met haar mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, met de door de (Centrale Ondernemingsraad van de) [benadeelde partij] aan verdachtes mededader ter beschikking gestelde creditcard (een) betaling(en) verricht voor privé uitgaven in de horeca en/of een contante geldopname gedaan, te weten:
- op of omstreeks 26 augustus 2015 een bedrag van euro 159,12 bij [locatie 3] , en/of
- op of omstreeks 17 maart 2016 een bedrag van euro 223,--bij [locatie 4] [plaats 1] , en/of
- op of omstreeks 25 maart 2016 een bedrag van euro 163,25 bij [locatie 4] [plaats 1] ,
terwijl verdachtes mededader daartoe (telkens) niet gerechtigd was en/of verdachtes mededader deze betaling(en) (vervolgens) niet als privé-uitgaven heeft aangemeld bij de (Centrale Ondernemingsraad van de) [benadeelde partij] en/of als zakelijke uitgave(n) opgenomen in de (schriftelijke) verantwoording van zijn creditcard-uitgaven, ten gevolge waarvan deze betaling(en) (telkens) ten onrechte als zakelijk zijn aangemerkt en (derhalve) voor rekening van de (Centrale Ondernemingsraad van de) [benadeelde partij] zijn gebleven/gekomen en aldus de (Centrale Ondernemingsraad van de) [benadeelde partij] (telkens) werd bewogen tot voornoemde afgifte(n);
2. meer subsidiair
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot en met 9 juni 2016 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk uit de opbrengst van door misdrijf verkregen geldbedrag(en), te weten een contante geldopname op 10 juli 2015 van euro 750,-- (van een bankrekening van de [benadeelde partij] ) bij [locatie 1] , voordeel heeft getrokken, door deze contante geldopname te gebruiken voor (een) privé uitgave(n).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Procesafspraken

Gemaakte procesafspraken
Op 28 mei 2025 heeft het hof een ondertekende overeenkomst met procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte ontvangen. De procesafspraken zijn op de zitting van 3 juni 2026 besproken.
Het afdoeningsvoorstel houdt het volgende in:
  • Het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting rekwireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten conform het vonnis van de rechtbank en een taakstraf voor de duur van veertig uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, vorderen;
  • Door de verdediging zullen geen (bewijs) verweren worden gevoerd;
  • Verdachte berust met het maken van procesafspraken in de bewezenverklaring en de kwalificatie van de rechtbank en beoogt hiermee een voorspoedige behandeling van haar strafzaak;
  • Verdachte zal fysiek aanwezig zijn bij de inhoudelijke behandeling van onderhavig afdoeningsvoorstel;
  • Verdachte zal zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de straf;
  • Verdachte en het Openbaar Ministerie zien af van het instellen van cassatie indien het hof Arnhem-Leeuwarden komt tot een gelijke afdoening van de zaak (inhoudende de bewezenverklaring en strafoplegging) conform de tussen de partijen gemaakte afspraken.
Beoordeling van de procesafspraken
Op de terechtzitting in hoger beroep zijn de procesafspraken en de totstandkoming daarvan door verdachte en de advocaat-generaal bevestigd en toegelicht. Daarbij is aan de orde gekomen dat verdachte in de concrete omstandigheden van de voorliggende zaak vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Verdachte heeft bij de totstandkoming van de procesafspraken en op de zitting juridische bijstand gehad van een advocaat.
Het hof stelt vast dat de procesafspraken op basis van vrijwilligheid en wederkerigheid tot stand zijn gekomen en de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep in aanwezigheid van zijn raadsman ondubbelzinnig heeft aangegeven zich geheel te kunnen vinden in de gemaakte procesafspraken en daarmee akkoord te gaan.
Het hof neemt als uitgangspunt dat het geen partij is bij de procesafspraken tussen de verdachte en het Openbaar Ministerie, daaraan ook niet gebonden is en zelfstandig heeft te beslissen op de in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering genoemde vragen (vgl. HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252).

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd – kort en zakelijk weergegeven – tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde gelijk aan de bewezenverklaring in het vonnis van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
Door of namens verdachte is ter terechtzitting geen bewijsverweer gevoerd in het licht van de met het Openbaar Ministerie getroffen overeenkomst. Desgevraagd heeft verdachte verklaard zich te kunnen vinden in hetgeen de rechtbank in haar vonnis bewezen heeft verklaard.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de hierna vermelde bewezenverklaring wordt gedekt door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. In het geval cassatie wordt ingesteld zal het hof de bewijsmiddelen uitwerken. De bewezenverklaring wijkt op kleine punten af van de bewezenverklaring van de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, in die zin dat:
1. primair
zij in
of omstreeksde periode van 3 december 2015 tot en met 11 december 2015 te [plaats 1]
en/of elders in Nederlandtezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,opzettelijk een geldbedrag van euro 1.125,--,
in elk geval enig goed,dat
geheel of ten deletoebehoorde aan de (Centrale Ondernemingsraad van de) [benadeelde partij] ,
in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededaders,en welk goed verdachtes mededader uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als voorzitter van de Centrale Ondernemingsraad van de [benadeelde partij] onder zich had,
althans welk goed/geldbedrag verdachte en/of haar mededader in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den),wederrechtelijk zich
heeft/hebben toegeëigend, immers
heeft/hebben verdachte en
/ofhaar mededader een terugstorting van euro 1.125,-- (wegens niet geleverde goederen aan de Centrale Ondernemingsraad van de [benadeelde partij] ) laten bijschrijven op een (bank)rekening van " [naam]
", althans een ander dan de (Centrale Ondernemingsraad van de) [benadeelde partij];
2. primair
zij op
een of meertijdstip
(pen
)in
of omstreeksde periode 1 mei 2015 tot en met 9 juni 2016
te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 2] en/of eldersin Nederland
(telkens
)tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen, (telkens
)opzettelijk
(nader te noemen
)geldbedrag
(en
), in elk geval enig goed, dat geheel of ten deletoebehorende aan de (Centrale Ondernemingsraad van de) [benadeelde partij] ,
in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn/haar mededaders,en welk
(e
)geldbedrag
(en
)verdachtes mededader, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als voorzitter van die Centrale Ondernemingsraad,
in elk geval anders dan door misdrijf (telkens
)onder zich had
(den),
(telkens
)wederrechtelijk zich
heeft/hebben toegeëigend immers heeft
zij, verdachte en
/ofhaar mededader,
(telkens
)met de door de (Centrale Ondernemingsraad van de) [benadeelde partij] aan verdachtes mededader ter beschikking gestelde creditcard
(een)betaling
(en
)verricht voor privé uitgave
(n
)in de horeca
en/of een contante geld opname gedaan,te weten:
- op
of omstreeks26 augustus 2015 een bedrag van euro 159,12 bij [locatie 3] , en
/of
- op
of omstreeks17 maart 2016 een bedrag van euro 223,-- bij [locatie 4] [plaats 1] , en
/of
- op
of omstreeks25 maart 2016 een bedrag van euro 163,25 bij [locatie 4] [plaats 1] ,
terwijl verdachtes mededader daartoe
(telkens
)niet gerechtigd was en
/ofverdachtes mededader deze betaling
(en
) (vervolgens
)niet als privé-uitgaven heeft aangemeld bij de (Centrale Ondernemingsraad van de) [benadeelde partij] en
/ofals zakelijke uitgave
(n
)heeft opgenomen in de
(schriftelijke
)verantwoording van zijn creditcard-uitgaven, ten gevolge waarvan deze betalingen
(telkens
)ten onrechte als zakelijk zijn aangemerkt en
(derhalve
)voor rekening van de (Centrale Ondernemingsraad van de) [benadeelde partij] zijn gebleven/gekomen;
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van verduistering.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte in overeenstemming met de procesafspraken tussen de verdachte en het Openbaar Ministerie te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van veertig uren, met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft het hof verzocht de vordering van de advocaat-generaal (en daarmee de procesafspraken) te volgen.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich, samen met haar echtgenoot en medeverdachte [medeverdachte] , schuldig gemaakt aan verduistering, doordat door medeverdachte [medeverdachte] met de creditcard van de [benadeelde partij] betalingen zijn gedaan voor privé-uitgaven van hem en verdachte in de horeca en die creditcardbedragen vervolgens door medeverdachte [medeverdachte] zijn opgegeven als zakelijke uitgaven ten behoeve van de [benadeelde partij] . Ook is ten onrechte een bedrag van ruim € 1000,- op de zakelijke rekening van verdachte teruggestort, terwijl dat geld aan de [benadeelde partij] toekwam. Het hof rekent het verdachte aan dat zij zich, terwijl zij zich bewust was van de herkomst het geld, de etentjes heeft laten aanleunen en zelf niet actief het op de rekening van haar bedrijf gestorte bedrag heeft teruggegeven.
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 mei 2026 volgt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Nu het afdoeningsvoorstel van het Openbaar Ministerie en de verdediging in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak en de overige omstandigheden van de zaak en de persoon van verdachte, waarbij het hof nadrukkelijk de ouderdom van de feiten en de overschrijding van de redelijke termijn betrekt, zal het hof wat betreft de hoogte van de op te leggen straf aansluiten bij dat afdoeningsvoorstel. Alles afwegende acht het hof een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van veertig uren, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde).

BESLISSING

Het hof:
Verklaartverdachte niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep, voor zover dat gericht is tegen de deelvrijspraken in het vonnis waarvan beroep van het feit ten laste gelegd onder 2 (tweede en derde gedachtestreepje).
Vernietigthet vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door
mr. O.O. van der Lee, voorzitter,
mr. J. Corthals en mr. M. Zwartjes, raadsheren,
in aanwezigheid van mr. G.J.H. van Vliet, griffer,
en op 17 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 17 juni 2026.
Tegenwoordig:
mr. M.J. Ouweneel, voorzitter,
mr. G. Nijpels, advocaat-generaal,
mr. R. Kaatman, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.