ECLI:NL:GHARL:2026:4248

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
21-000003-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVW 1994Art. 6 WVW 1994Art. 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 23 SrArt. 24 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor dodelijk verkeersongeval wegens ontbreken aanmerkelijke schuld, geldboete voor snelheidsovertreding

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis van de rechtbank Gelderland vernietigd en in hoger beroep een andere beslissing genomen. Verdachte werd verdacht van het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag in strijd met artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Het hof oordeelde dat niet kon worden vastgesteld dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend heeft gereden, en sprak hem daarom vrij van dit primair tenlastegelegde feit.

Wel werd vastgesteld dat verdachte de maximumsnelheid van 50 km/u niet in acht nam en met een snelheid tussen 88 en 96 km/u reed, waardoor hij gevaar op de weg veroorzaakte in strijd met artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Dit subsidiair tenlastegelegde werd wettig en overtuigend bewezen verklaard. Het hof wees de onderzoekswensen van de verdediging af, omdat het dossier voldoende duidelijkheid bood over de verkeerssituatie en de zichtbaarheid van de borden.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het verkeersongeval waarbij het slachtoffer overleed, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat hij niet eerder was veroordeeld. Het hof legde een geldboete van €1.000,- op, te vervangen door tien dagen hechtenis bij niet-betaling, en zag af van een taakstraf of rijontzegging. Hiermee werd recht gedaan aan de ernst van de overtreding en de impact op verdachte en de nabestaanden.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van aanmerkelijke schuld aan het dodelijk verkeersongeval en veroordeeld tot een geldboete voor snelheidsovertreding.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000003-25
Uitspraakdatum: 11 juni 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 19 december 2024 met parketnummer 05-150413-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] in [geboorteplaats verdachte] ,
wonende te [woonadres verdachte] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 28 mei 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadslieden,
mr. J.R.T. Jonker en mr. H.E. Versteeg, hebben aangevoerd.
Ten slotte heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door nabestaanden [nabestaande] en [nabestaande] , de ouders van [slachtoffer] , naar voren is gebracht.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood. Daarbij is aan verdachte een taakstraf opgelegd voor de duur van 240 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs en een andere strafoplegging dan de rechtbank Gelderland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
Hij op of omstreeks 21 december 2022 te [plaats] , in de gemeente [plaats] , in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [straat] , zeer, aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord [locatie] van bijlage I bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur was aangegeven
- heeft gereden met een snelheid, ongeveer gelegen tussen de 88 en 96 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- terwijl hij de kruising van de door hem bereden weg, de [straat] , met de afrit (links [plaats] ) van de [locatie] naderde en/of
- terwijl een of meerdere voertuigen gebruik maakten van de uitvoegstrook op voornoemde afrit, - niet de snelheid van het door hem bestuurde motorrijtuig heeft aangepast aan de verkeerssituatie ter plaatse en/of de maximumsnelheid ter plaatse en/of in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg en/of voornoemde kruising kon overzien en waarover deze vrij waren en/of
- met een snelheid van ongeveer 93 kilometer per uur is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een ander motorrijtuig dat vanaf de voornoemde afrit van de [locatie] de door hem bereden rijstrook overstak,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;
subsidiair
hij op of omstreeks 21 december 2022 te [plaats] , in de gemeente [plaats] , in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [straat] ,
- geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord [locatie] van bijlage I bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid, ongeveer gelegen tussen de 88 en 96 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- terwijl hij de kruising van de door hem bereden weg, de [straat] , met de afrit (links [plaats] ) van de [locatie] naderde en/of
- terwijl een of meerdere voertuigen gebruik maakten van de uitvoegstrook op voornoemde afrit,
- niet de snelheid van het door hem bestuurde voertuig heeft aangepast aan de verkeerssituatie ter plaatse en/of de maximumsnelheid ter plaatse en/of in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde voertuig zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat door hem bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg en/of voornoemde kruising kon overzien en waarover deze vrij waren en/of
- met een snelheid van ongeveer 93 kilometer per uur is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een ander voertuig dat vanaf de voornoemde afrit van de [locatie] de door hem bereden rijstrook overstak,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Gebruikte bewijsmiddelen

In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen inhoudende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

Standpunt van de advocaat-generaal
Het tenlastegelegde
De advocaat-generaal heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, in die zin dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden. Zij heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte de borden waaruit volgde dat er ter plaatse een snelheidsbeperking van 50 kilometer uur gold in verband met wegwerkzaamheden had moeten zien. Doordat hij deze niet heeft gezien, heeft hij 43 kilometer per uur te hard gereden en kon hij zijn voertuig niet op tijd tot stilstand brengen toen het slachtoffer met haar auto overstak. Hierdoor is het verkeersongeval ontstaan en is het slachtoffer overleden.
Onderzoekswensen
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat alle onderzoekswensen van de verdediging moeten worden afgewezen.
Standpunt van de verdediging
Het tenlastegelegde
De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Zij hebben hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat sprake was van een onduidelijke en onoverzichtelijke wegsituatie waarin verdachte niet verweten kan worden dat hij dacht dat er 80 kilometer per uur mocht worden gereden. De borden met 50 kilometer per uur moeten de dag van het ongeval weggedraaid zijn geweest, zodat ze niet zichtbaar waren. Er waren bovendien ter plaatse geen actieve werkzaamheden zichtbaar, waardoor de inrichting van de weg in dit geval niet in overeenstemming was met de 50 kilometer per uur borden.
Ten aanzien van het primair tenlastegelegde hebben de raadslieden nog aangevoerd dat ook vrijspraak moet volgen omdat geen sprake is van een causaal verband, en dat ook geen sprake is van normatieve of subjectieve aanmerkelijke schuld of subjectieve vermijdbaarheid (verdachte kon niet anders handelen). Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde is aangevoerd dat onvoldoende is aangetoond waarom de gegevens van de airbagmodule, volgens welke verdachte 93 kilometer per uur reed, correct zouden zijn. Er moet worden uitgegaan van een snelheid van 88 kilometer per uur, waardoor vrijspraak moet volgen omdat verdachte een beperkte snelheidsovertreding heeft begaan en daarmee niet kan worden gezegd dat sprake is van gevaarzetting.
Onderzoekswensen
De raadslieden van verdachte hebben bij appelschriftuur van 13 januari 2025 de volgende onderzoekswensen ingediend:
  • het horen van een verkeersdeskundige om inzicht te krijgen in de verkeerssituatie en de volledigheid van de bebording en over de vraag of het over het hoofd zien van de [locatie] borden zonder J16 borden kan worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend;
  • het horen van de heer [deskundige] (wegdeskundige) over de weginrichting op de [straat] de dag van het ongeval, de week daarvoor en de dag na het ongeval en of er ten tijde van het ongeval sprake was van brandende werklampen;
  • het horen van de heer [naam] , nu hij verdachte via Facebook heeft bericht dat hij contact had gehad met Rijkswaterstraat en volgens hem de borden al twee dagen voor het ongeval weggedraaid werden;
  • het horen van de verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] en de twee verkeersregelaars die aanwezig waren na het ongeval over de situatie ter plaatse en specifiek aan de verkeersregelaars of zij de borden hebben teruggedraaid ná het verkeersongeval, onder andere toen het aanrijdende verkeer in goede banen moest worden geleid.
Nadat de poortraadsheer bij beslissing van 8 april 2025 vooralsnog geen aanleiding zag deze verzoeken toe te wijzen, hebben de raadslieden bij brief van 5 mei 2025 en ter zitting van het hof op 28 mei 2026 hun onderzoekswensen gehandhaafd.
Beoordeling hof
Vaststaat dat verdachte op 21 december 2022, als bestuurder van een personenauto ( [kenteken] ), op de [straat] reed, komende uit de richting van [plaats] en rijdende in de richting van [plaats] . Vanaf de afrit 21 van [locatie] links, komende uit de richting van [plaats] en rijdende in de richting van de T-splitsing met de [straat] kwam een Audi . De Audi diende voorrang te verlenen aan verdachte. De voorrangsregeling was aangeduid met haaientanden en bord B6. Om onbekende reden heeft de Audi geen voorrang verleend aan de BMW van verdachte. Ter hoogte van de T-splitsing van [locatie] links en de [straat] reed de BMW van verdachte tegen de linkerflank van de Audi aan. Als gevolg van de aanrijding is de bestuurster van de Audi , [slachtoffer] , aan haar verwondingen overleden.
Voor de bestuurders van beide personenauto’s bedroeg de ter plaatse toegestane maximumsnelheid normaal gesproken 80 kilometer per uur. Verdachte heeft verklaard dat de eerste agenten die na het ongeval ter plaatse kwamen op enig moment tegen hem zeiden dat er een snelheidsbeperking gold van 50 kilometer uur omdat sprake was van wegwerkzaamheden op de [locatie] . Verdachte was hier naar eigen zeggen niet van op de hoogte. Hij heeft de tijdelijke borden die vóór het viaduct onder de [locatie] daar stonden met het gebod om maximaal 50 kilometer per uur te rijden niet gezien. Hij heeft ook niet gezien dat er wegwerkzaamheden waren. Hij vermoedt ongeveer 80 kilometer per uur te hebben gereden.
De vraag die het hof moet beantwoorden is of het aan de schuld van verdachte in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 is te wijten dat hij als verkeersdeelnemer een ongeval heeft veroorzaakt, waardoor een ander wordt gedood (het primair tenlastegelegde) dan wel dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat hij artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 heeft overtreden (het subsidiair tenlastegelegde).
In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. ‘Schuld’ als delictsbestanddeel bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.
Bij de beoordeling van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hier bedoelde zin.
In de rechtspraak van de Hoge Raad over schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 is tot uitdrukking gebracht dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte een andere verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen, niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, nog niet kan volgen dat de verdachte zich ‘aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig’ heeft gedragen.
De achtergrond van deze rechtspraak is dat van iedere verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij zijn gedrag afstemt op (onder meer) andere, voor hem waarneembare of te verwachten verkeersdeelnemers aan wie hij voorrang moet verlenen of met wie hij anderszins in zijn rijgedrag rekening moet houden. Uit deze rechtspraak kan echter niet als algemene regel worden afgeleid dat schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 in geen geval kan worden bewezenverklaard als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt.
(HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, rechtsoverweging 2.6.12.6.3.)
Vrijspraak van het primair tenlastegelegde
In deze zaak is de schuld in de tenlastelegging als volgt geconcretiseerd. Verdachte heeft als bestuurder van zijn motorrijtuig zich niet gehouden aan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Hij reed met een snelheid van ongeveer 88 tot 96 kilometer per uur. Met die snelheid heeft hij de kruising met de afrit van de [locatie] genaderd en is hij met een snelheid van ongeveer 93 kilometer per uur in aanrijding gekomen met een ander motorrijtuig dat vanaf de voornoemde afrit van de [locatie] de door hem bereden rijstrook overstak. Hij heeft zijn motorrijtuig niet tot stilstand kunnen brengen binnen de afstand waarover hij die weg en/of voornoemde kruising kon overzien en waarover deze vrij was. Door deze aanrijding is de bestuurder van het andere motorrijtuig, [slachtoffer] overleden. Het hof moet beoordelen of deze gedragingen van verdachte, bezien in het licht van de overige omstandigheden van het geval, kunnen worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend rijgedrag.
De plaats van de aanrijding is kort na het ongeval onderzocht. Uit het proces-verbaal snelheid en impact analyse van Forensische Opsporing Verkeer volgt dat op een afstand van ongeveer 176 meter vóór de botsplaats aan beide zijden van de rijbaan borden van model [locatie] waren geplaatst met daarop de aanduiding "50".
Verdachte heeft verklaard dat hij de borden van model [locatie] aan beide zijde van de rijbaan met daarop de aanduiding “50” niet heeft gezien. Door de verdediging is gesteld dat het zou kunnen dat verdachte de borden niet heeft gezien, omdat deze van het verkeer waren weggedraaid. De politie heeft in 2024 nader onderzoek gedaan naar de borden. Uit dit onderzoek blijkt niet dat de bedoelde borden voor het ongeval op 21 december 2022 waren weggedraaid. De politiemedewerkers ( [naam] en [naam] ) die belast waren met het Forensische Opsporing Verkeer ( [medewerkers] ) waren binnen een uur na het incident ter plekke en hebben foto’s gemaakt van de verkeerssituatie. Op één van de foto’s (p. 65) zijn de borden met aanduiding ‘50’ te zien. Op die foto zijn de borden niet van het verkeer weggedraaid. In het proces-verbaal van bevindingen van 6 april 2024 merkt [naam] op dat door hem of [naam] geen handelingen zijn verricht aan de bebording. Door de politiemedewerkers van het [team] is niet medegedeeld dat zijzelf of iemand anders handelingen heeft verricht aan de bebording. De aangetroffen situatie van de bebording kwam overeen met de door de wegbeheerder bedoelde situatie. In het proces-verbaal aanrijding misdrijf staat dat tussen het moment van aanrijding en het door [naam] en [naam] ingestelde onderzoek er geen wijzigingen waren in de situatie op de plaats van het ongeval. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 26 juni 2024 blijkt dat verbalisant [naam] contact heeft gehad met een medewerker van de [provincie] . Het wegdraaien van de borden gebeurt in opdracht van de [provincie] en wordt uitgevoerd door [naam] . Door een medewerker van de provincie is in het systeem gekeken en hij heeft daarover informatie verschaft aan verbalisant. Uit die informatie blijkt niet dat de borden op 21 december 2022 of daarvoor waren weggedraaid.
Door de verdediging is aangevoerd dat volgens de heer [naam] de borden al voor het ongeval zouden zijn weggedraaid. Kort na het ongeluk heeft [naam] echter als volgt op het nieuwsbericht over het ongeluk gereageerd:

Ter plaatse geldt al drie weken een maximumsnelheid van 50 km omdat een uitvoerder daar alvast de borden heeft neergezet zonder dat de werkzaamheden plaatsvinden. Politie is op de hoogte en de provincie is op de hoogte gebracht! Het gevaar is nu dat mensen waaronder ik zelf (die weten dat de snelheidsbeperking nu onzin is) gewoon 80 km/u rijden. Iemand die niet weet van die onzin beperking verwacht dus niet dat er 80 gereden wordt. Mijn stelling is nu dat dat naar mijn mening zowel politie als wegbeheerder medeverantwoordelijk zijn voor deze aanrijding.’
Uit dit bericht volgt dus juist dat [naam] ervan uitging dat de borden met de afbeelding “50” ook nog tijdens (en vlak voor) het ongeval zichtbaar waren.
Het hof stelt op grond van het dossier vast dat op 21 december 2022 de borden met daarop de aanduiding “50” (op 176 meter voor de botsplaats) voor verdachte zichtbaar waren, maar dat hij ze niet heeft gezien.
Verdachte had deze borden behoren waar te nemen en zijn snelheid daarop moeten aanpassen. Dat de reden (in- en uitvoegend werkverkeer) voor het plaatsen van de borden zich niet (meer) voordeed, maakt dat niet anders. Verdachte heeft harder dan 50 kilometer per uur gereden. De politie heeft een indicatieve snelheidsberekening gemaakt waaruit volgt dat verdachte direct voorafgaand aan de aanrijding reed met een snelheid van minimaal 88 kilometer per uur en maximaal 96 kilometer per uur. Het hof ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van deze berekening te twijfelen en gaat daarom van die snelheid uit.
De verdachte is dus onoplettend geweest en vanwege die onoplettendheid heeft hij te hard gereden. Dit gedrag kan de verdachte worden verweten.
Ten aanzien van de mate van verwijtbaar acht het hof het volgende van belang:
In tegenstelling tot de rechtbank kan het hof op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte gedurende geruime tijd de gelegenheid heeft gehad om de borden met de tijdelijke maximumsnelheid van 50 kilometer per uur te zien. Onvoldoende duidelijk is onder welke verkeersomstandigheden verdachte de borden naderde en passeerde. Uit het dossier volgt dat (gelet op de rijrichting van verdachte) de borden (die hij passeerde voor de plaats van het ongeval) geplaatst waren na een kruispunt zodat het zicht op de borden mogelijk voor verdachte tijdens het naderen van die borden beperkt werd door afslaand verkeer. Het bord met de snelheidsbeperking dat geplaatst was (vanuit de rijrichting van verdachte) na de plaats van het ongeval, heeft verdachte mogelijk niet kunnen zien vanwege de auto die kort voor de aanrijding vanaf de afrit van de [locatie] de invoegstrook op reed.
Het hof weegt verder mee dat uit het dossier niet blijkt dat er langs of vanaf de [straat] werkzaamheden zichtbaar waren, of dat het algemene verkeersbeeld verdachte noopte tot het aanhouden van een lagere snelheid dan de gebruikelijke 80 kilometer per uur.
Uit het dossier blijkt niet van andere verkeersfouten of omstandigheden die wijzen op onoplettend of onvoorzichtig verkeersgedrag. Komende vanaf de afrit van de [locatie] zag verdachte een voertuig naderen dat wilde invoegen op de [straat] . Achter het invoegende voertuig zag hij ook de Audi van het slachtoffer naderen. Hij zag dat deze afremde en ging ervan uit dat de bestuurster hem voorrang zou verlenen. Om ruimte te maken voor het invoegende voertuig heeft verdachte zijn snelheid enigszins verhoogd. Toen hij zag dat de Audi , die hij aanvankelijk zag afremmen, toch voor hem de rijbaan overstak, heeft hij tegen zijn inzittenden geroepen: “Wat doet die nou?”. Dit past bij het beeld dat verdachte door het oversteken van de Audi kort vóór de aanrijding werd verrast. De verklaring van verdachte vindt steun in de verklaringen van de inzittenden van de auto van verdachte, die door de politie als getuige zijn gehoord.
Uit deze omstandigheden volgt dat verdachte wel aandacht had voor de overige verkeersdeelnemers en zijn rijgedrag afstemde op de verkeerssituatie zoals die zich voor hem voordeed. Deze omstandigheden passen niet bij het beeld van een bestuurder die gedurende enige tijd onvoldoende aandacht voor het verkeer heeft gehad. Het verwijt dat verdachte kan worden gemaakt, is daarmee in de kern dat hij de verkeersborden met de tijdelijke maximumsnelheid van 50 kilometer per uur niet heeft waargenomen, terwijl hij deze wel had behoren waar te nemen. Verdachte heeft daarom aanzienlijk sneller gereden dan was toegestaan.
Gelet op de wijze waarop de schuld in de tenlastelegging is geconcretiseerd, het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en ernst van de vastgestelde verkeersfout en de overige omstandigheden van het geval, is het hof van oordeel dat verdachte weliswaar een verwijtbare verkeersfout heeft gemaakt, maar dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van de voor een veroordeling ter zake van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 vereiste aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid of onoplettendheid.
Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde.
Bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ook van het subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is onder meer aangevoerd dat moet worden uitgegaan van een snelheid van 88 kilometer per uur en dat, mede gelet op de onduidelijke verkeerssituatie, niet kan worden vastgesteld dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt.
Het hof verwerpt dit verweer. Zoals hiervoor is overwogen, staat vast dat verdachte geen gevolg heeft gegeven aan de verkeersborden die een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur aangaven. Dat er ter plaatse geen actieve werkzaamheden zichtbaar waren waardoor de inrichting van de weg in dit geval niet in overeenstemming was met de 50 kilometer per uur borden, maakt dit niet anders. Verdachte heeft veel harder gereden dan was toegestaan en daarmee gevaar op de weg veroorzaakt. Uit het dossier volgt dat er een oorzakelijk verband is tussen de te hoge snelheid van verdachte en de (kracht van de) aanrijding met de auto van het slachtoffer. Bovendien geldt in algemene zin dat het zich niet houden aan de maximumsnelheid tot risicovolle situaties kan leiden onder meer omdat andere verkeersdeelnemers hun gedrag afstemmen op de verwachting dat men zich aan de maximumsnelheid houdt.
Het hof is daarom van oordeel dat verdachte door deze gedragingen gevaar op de weg heeft veroorzaakt als bedoeld in artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en acht het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
De onderzoekswensen
De verdediging heeft verzocht diverse getuigen en deskundigen te horen over de verkeerssituatie ter plaatse, de weginrichting, de aanwezigheid van werkzaamheden en de zichtbaarheid van de verkeersborden.
Het horen van [naam] (p. 2 van de appelschriftuur) acht het hof niet in het belang van de verdediging. [naam] was niet op de plaats of (voor zover bekend) in de buurt van het ongeval. Niet blijkt dat [naam] op 21 december 2022 kennis heeft genomen van de stand van de borden. De verdediging wil hem niettemin horen omdat volgens [naam] de borden al voor het ongeval waren weggedraaid. [naam] zou dat (geruime tijd na het ongeval) in een Facebookgesprek tegen verdachte hebben gezegd. Echter uit de hierboven weergegeven reactie van [naam] op het nieuwsbericht blijkt juist dat hij eerst (kort na het ongeval) in de veronderstelling verkeerde dat de borden ten tijde van het ongeval nog steeds zichtbaar waren.
Ten aanzien van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] en de twee verkeersregelaars (p. 4 van de appelschriftuur) geldt dat de verdediging deze wil horen in verband met de vraag of zij (nog voordat de politiemedewerkers van [medewerkers] waren gearriveerd) de borden met de aanduiding “50” na het ongeval teruggedraaid hebben zodat ze zichtbaar waren voor het verkeer.
Het hof wijs dat verzoek in verband met het ontbreken van het verdedigingsbelang af; nader onderzoek heeft geen toegevoegde waarde. Het hof begrijpt het verzoek namelijk aldus dat de verdediging de betreffende mensen wil horen in verband met een voor de verdediging openstaande vraag. Het antwoord op die vraag staat echter al in het dossier; tussen het moment van de aanrijding en de aanvang van het sporenonderzoek zijn er op de plaats van het ongeval geen wijzigingen geweest (p. 6).
Daarnaast geldt dat in geval de borden op 21 december 2022 na het ongeval waren teruggedraaid (zodat ze weer zichtbaar waren voor het verkeer) inhoudt dat de borden reeds op 21 december 2022 (of eerder) van het verkeer zouden zijn weggedraaid. Als die borden op of voor 21 december 2022 waren weggedraaid, zou dat gebeurd zijn in opdracht van de [provincie] . Uit het nadere opsporingsonderzoek is echter gebleken dat die borden (pas) op 22 december 2022 zijn weggedraaid, terwijl niet is gebleken dat ze al op 21 december 2022 (of eerder) waren weggedraaid.
Bovendien blijkt uit een openbare bron (bericht van [bron] op internet) dat tijdens de avond van het ongeval (zoals was te verwachten) de weg waar het ongeval had plaatsgevonden voor het verkeer was afgesloten. Op dat afgesloten gedeelte van de weg stond op 21 december 2022 ook een - voor het verkeer zichtbaar - tijdelijk bord met de aanduiding “50” (zoals te zien op de foto op 25 van het dossier). Er was geen enkele reden voor verbalisanten of verkeersregelaars om op een afgesloten (of af te sluiten) weg een bord terug te draaien zodat het zichtbaar is voor verkeer (dat daar niet zou komen). Nu dat bord op of voor 21 december 2022 niet was weggedraaid (en dus na het ongeval op 21 december 2022 ook niet was teruggedraaid), geldt hetzelfde voor de borden die verdachte passeerde kort voor de aanrijding.
Gelet op het bovenstaande ziet het hof ook geen verdedigingsbelang om [deskundige] op dit punt te horen. Het verzoek om [deskundige] te horen houdt ook verband met de vraag of er op 21 december 2022 werklampen zichtbaar waren. Nu het hof er niet van uitgaat dat die lampen zichtbaar waren, heeft de verdediging er ook in dat opzicht geen belang bij om [deskundige] als getuige te horen.
Ten aanzien van het verzoek om een verkeersdeskundige (p. 4 van de appelschriftuur) te horen geldt dat dit verzoek is gedaan omdat de verdediging betwist dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtig en/of aanmerkelijk onoplettend gedrag. Nu het hof dat niet bewezen acht, is er geen verdedigingsbelang bij het horen van de verkeersdeskundige.
Het hof wijst alle verzoeken af.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
subsidiair
hij op
of omstreeks21 december 2022 te [plaats] , in de gemeente [plaats] , in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [straat] ,
- geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord [locatie] van bijlage I bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid, ongeveer gelegen tussen de 88 en 96 kilometer per uur,
in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden wasen
/of
- terwijl hij de kruising van de door hem bereden weg, de [straat] , met de afrit (links [plaats] ) van de [locatie] naderde en
/of
- terwijl een of meerdere voertuigen gebruik maakten van de uitvoegstrook op voornoemde afrit,
- niet de snelheid van het door hem bestuurde voertuig heeft aangepast aan de verkeerssituatie ter plaatse en/of de maximumsnelheid ter plaatse en/of in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem bestuurde voertuig zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat door hem bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg en/of voornoemde kruising kon overzien en waarover deze vrij waren en/of
-
met een snelheid van ongeveer 93 kilometer per uur is gebotst tegen, althansin aanrijding is gekomen met, een ander voertuig dat vanaf de voornoemde afrit van de [locatie] de door hem bereden rijstrook overstak,
door welke gedraging
(en
)van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft bij bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden op te leggen. Ten aanzien van de bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde heeft de advocaat-generaal geen afzonderlijk standpunt ingenomen.
Standpunt van de verdediging
In het geval het hof tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring komt, hebben de raadslieden verzocht dat rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en daarom toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft dusdanig ernstige en negatieve gevolgen van het verkeersongeval ondervonden dat een taakstraf of rijontzetting geen recht zou doen aan wat hij zelf heeft meegemaakt.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft op 21 december 2022 als bestuurder van een personenauto geen gevolg gegeven aan een verkeersteken dat een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur aangaf. Vervolgens heeft hij gereden met een snelheid gelegen tussen de 88 en 96 kilometer per uur. Door zo te handelen heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt. Van verkeersdeelnemers mag worden verwacht dat zij gevolg geven aan verkeerstekens en hun rijgedrag daarop afstemmen. Verdachte heeft dat nagelaten.
Dit bewezenverklaarde verkeersgedrag heeft plaatsgevonden in de context van een zeer ernstig verkeersongeval, waarbij [slachtoffer] is overleden.
Het hof heeft kennisgenomen van hetgeen de ouders van het slachtoffer ter terechtzitting naar voren hebben gebracht. Daaruit is gebleken welk onherstelbaar verlies zij hebben geleden en welke ingrijpende gevolgen het overlijden van hun dochter nog dagelijks voor hen heeft. Het hof realiseert zich dat oplegging van een straf, zoals die door rechters voor verkeersovertredingen worden opgelegd, het verlies van hun dochter op geen enkele manier kan verzachten.
Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte volgens het uittreksel justitiële documentatie van 1 mei 2026 niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Het hof heeft ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte in aanmerking genomen, zoals deze door verdachte en zijn raadslieden ter zitting van het hof naar voren zijn gebracht. Sinds het verkeersongeval heeft verdachte een emotionele last ervaren. Hij heeft het ongeval en de bijbehorende herinneringen een plek moet geven en heeft maandenlang minder of niet kunnen werken vanwege fysieke klachten en de emotionele impact van het ongeluk, wat ook gevolgen had voor zijn werk als zelfstandige.
Gezien de ernst van het bewezenverklaarde ziet het hof echter geen reden om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en dus geen straf op te leggen, zoals door de raadslieden is bepleit.
Nu het bewezenverklaarde een overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 betreft, acht het hof een geldboete de passende strafmodaliteit. Met een geldboete wordt de ernst van het door verdachte veroorzaakte verkeersgevaar tot uitdrukking gebracht. Tegelijkertijd doet deze straf recht aan de omstandigheid dat het hof verdachte vrijspreekt van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, dat verdachte niet eerder is veroordeeld en dat hij zelf ook ingrijpende gevolgen van het ongeval heeft ondervonden. Het hof ziet daarom geen aanleiding voor oplegging van een taakstraf of een ontzegging van de rijbevoegdheid.
Alles afwegende acht het hof de oplegging van een geldboete van € 1.000,00 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door tien dagen hechtenis, passend en geboden. Het hof heeft daarbij gelet op de draagkracht van verdachte.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Ten aanzien van het onder subsidiair bewezenverklaarde
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Steenbrink, mr. J.D. den Hartog en mr. I.C.E. Draisma, in aanwezigheid van de griffier mr. I.H. Scharrenberg en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 11 juni 2026.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 11 juni 2026.
Tegenwoordig:
mr. J. Steenbrink, voorzitter,
mr. O.J. Ingwersen, advocaat-generaal,
mr. D. van der Geld, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.