ECLI:NL:GHARL:2026:4204

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
200.363.085/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beëindiging gezamenlijk gezag en toewijzing eenhoofdig gezag aan moeder

De vader en moeder zijn de ouders van drie minderjarige kinderen die sinds december 2023 onder toezicht staan van een gecertificeerde instelling. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij de moeder, terwijl de kinderen sinds februari 2025 in een jeugdhulpaccommodatie verblijven. De omgang tussen vader en kinderen is sinds eind 2024 gestopt.

De rechtbank heeft het gezamenlijk gezag beëindigd en het gezag eenhoofdig aan de moeder toegekend. De vader is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan en verzocht het hof de beschikking te vernietigen en het verzoek van de moeder af te wijzen.

Het hof oordeelt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen. De vader is niet bereikbaar en heeft geen gebruik gemaakt van zijn mogelijkheid tot het toelichten van zijn standpunt. De gecertificeerde instelling benadrukt het belang van snelle gezagsbeslissingen vanwege de problematiek van de kinderen.

Gezien het langdurige contactverbod tussen vader en moeder en de veiligheidssituatie acht het hof het niet mogelijk het gezamenlijk gezag te handhaven. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het gezag eenhoofdig toe aan de moeder.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het gezag eenhoofdig toe aan de moeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.085/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 244598)
beschikking van 25 juni 2026
inzake
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. E. Peeters te Groningen,
en
[verweerster](de moeder),
die woont op een bij het hof bekend adres,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. E.R. Postma te Groningen.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 1 oktober 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 23 december 2025;
- een journaalbericht namens de vader van 22 januari 2026 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 30 maart 2026 met een begeleidende brief;
- een journaalbericht namens de moeder van 4 juni 2026 met bijlage(n).
2.2.
Op 8 juni 2026 zijn de hierna nader te noemen [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen met de voorzitter hebben gesproken.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft op 11 juni 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- mr. Peeters;
- de moeder (via een videoverbinding) met mr. Postma;
- een vertegenwoordiger namens de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen (de GI), die door het hof in deze procedure als informant is aangemerkt en is opgeroepen voor de mondelinge behandeling;
- een vertegenwoordiger namens de raad.

3.De feiten

3.1.
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad en samengewoond. Deze relatie is in december 2023 verbroken.
3.2.
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige1] , geboren [in] 2012;
- [minderjarige2] , geboren [in] 2014, en
- [minderjarige3] , geboren [in] 2014.
3.3.
[minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] (hierna: de kinderen) staan sinds 14 december 2023 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 14 december 2026.
3.4.
Bij beschikking van 15 augustus 2024 is de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder bepaald. Ook is bepaald dat de GI de regie heeft over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, waarbij de GI aan de hand van de bevindingen van de hulpverlening bepaalt op wat voor een manier (begeleid of onbegeleid) en hoe frequent de kinderen contact hebben met de vader.
3.5.
Bij beschikking van 18 februari 2025 is een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Bij beschikking van 11 maart 2025 is de beslissing over de spoedmachtiging bekrachtigd en is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 18 september 2025. De vader heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 11 maart 2025. Het hof heeft bij beschikking van 5 augustus 2025 de beschikking van 11 maart 2025 bekrachtigd. In december 2025 heeft de kinderrechter de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd.
3.6.
Sinds 18 februari 2025 wonen de kinderen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Daarvoor woonden zij bij de moeder.
3.7.
De moeder heeft meerdere keren per week omgang met de kinderen. De kinderen komen ook bij de moeder thuis. Sinds eind 2024 heeft er geen omgang meer plaatsgevonden tussen de vader en de kinderen. Sinds eind december 2024 zijn ook de wekelijkse belmomenten beëindigd.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het gezamenlijk gezag van de vader en de moeder over de kinderen beëindigd. De rechtbank heeft bepaald dat alleen de moeder met het ouderlijk gezag over de kinderen wordt belast.
4.2.
De vader komt met drie grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de moeder om haar alleen met het gezag over de kinderen te belasten, alsnog af te wijzen.
4.3.
De moeder voert verweer en verzoekt het hof het verzoek van de vader in hoger beroep af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1.
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.2.
Naar het oordeel van het hof is sprake van gewijzigde omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van het gezag over de kinderen mogelijk maken.
5.3.
Het hof is het eens met het oordeel van de rechtbank. Het hof neemt - na eigen onderzoek - de overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
5.4.
Sinds de bestreden beschikking is de situatie van de vader niet verbeterd, integendeel. Zowel de GI als de advocaat van de vader hebben de afgelopen maanden geen contact meer kunnen krijgen met de vader. De vader is ook niet ter zitting verschenen, waardoor hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zijn standpunt nader toe te lichten. Daarbij komt dat de GI tijdens de zitting heeft verklaard dat het gelet op de problematiek van de kinderen en de behandeling die zij daarvoor (zullen) krijgen, van groot belang is dat er snel gezagsbeslissingen kunnen worden genomen. Dat is niet mogelijk wanneer de vader zijn gezag over de kinderen zou behouden. De vader is al langere tijd volkomen uit contact. Daarnaast mag en kan er geen communicatie plaatsvinden tussen de vader en de moeder vanwege de veiligheid van de moeder en de kinderen.
Gelet hierop is het voor de moeder niet mogelijk om uitvoering te geven aan het gezamenlijk gezag. Hetgeen namens de vader in het beroepschrift is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel: beëindiging van het gezag van de vader is in dit geval niet prematuur, maar een noodzakelijke en passende maatregel.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 1 oktober 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. Leentjes, L. van Dijk en I.A. Vermeulen, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.