ECLI:NL:GHARL:2026:4141

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.345.441/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 5.1 lid 1 JeugdwetArt. 5.1 lid 2 JeugdwetInternationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen weigering uithuisplaatsing in netwerkpleeggezin van oma

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in het netwerkpleeggezin van de oma ten onrechte niet ten uitvoer mocht worden gelegd. De kinderrechter had dit verboden vanwege zorgen over de veiligheid en het beëindigen van het pleegzorgcontract door de pleegzorgaanbieder. Het hof toetste deze beslissing aan de hand van recente jurisprudentie van de Hoge Raad en uitgebreid raadsonderzoek.

De Hoge Raad stelde dat het beëindigen van een pleegzorgcontract niet automatisch betekent dat de plaatsing moet eindigen en dat een belangenafweging vereist is. Het hof concludeerde op basis van het raadsrapport dat de veiligheid van de minderjarige bij de oma voldoende was gewaarborgd en dat voortzetting van de plaatsing in het belang van het kind was. De oma toonde zich meewerkend en de situatie was gestabiliseerd.

Het hof vernietigde daarom het verbod op uitvoering van de machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerkpleeggezin van de oma en wees het meer of anders verzochte af. De zaak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging en het recht van het kind op veiligheid en continuïteit in de opvoedingssituatie.

Uitkomst: Het hof vernietigt het verbod op uitvoering van de machtiging tot uithuisplaatsing en bevestigt dat de minderjarige veilig bij de oma kan blijven wonen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.345.441/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 235781)
beschikking van 23 juni 2026
in de zaak van
[verzoekster](de oma moederszijde, hierna: de oma),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. N. Groeneveld te Hoogezand,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI),
gevestigd te Amsterdam,
verweerster in hoger beroep.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende1](de moeder),
[belanghebbende2](de vader),
die wonen in [woonplaats] ,
advocaat: mr. Özsaran te Groningen.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 24 september 2024 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- het verweerschrift van de GI met bijlage(n);
- een brief van de raad van 28 oktober 2024 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de oma van 20 november 2024;
- een journaalbericht namens de oma van 19 december 2024 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de oma van 6 januari 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de oma van 11 augustus 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de oma van 30 januari 2026 met bijlage(n);
- een e-mailbericht van de raad van 16 februari 2026;
- een journaalbericht namens de oma van 17 februari 2026;
- een brief van de raad van 23 maart 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting.
1.3
Op 19 mei 2026 is opnieuw een mondelinge behandeling gehouden. Verschenen zijn:
- de oma, bijgestaan door haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI; en
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

2.De motivering van de beslissing

2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 24 september 2024, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
In die (tussen)beschikking heeft het hof onder andere overwogen er niet van overtuigd te zijn geraakt dat er op dat moment een dergelijk acuut gevaar was gelegen in de opvoedingssituatie van [de minderjarige] bij oma, waardoor de uitkomsten van het door de rechtbank bij de bestreden beschikking van 16 juli 2024 gelaste raadsonderzoek niet zouden kunnen worden afgewacht voordat het hof in hoger beroep beslist. Het hof heeft de beslissing in hoger beroep aangehouden en de raad verzocht het onderzoek uit te breiden, in die zin dat ook de vraag wordt beantwoord of een voortgezette plaatsing van [de minderjarige] bij oma in zijn belang moet worden geacht en of zijn veiligheid bij oma voldoende gewaarborgd is.
De raad heeft vervolgens een rapport opgesteld, dat is gedateerd op 28 oktober 2024, waarover hierna meer (ro. 2.9).
Rechtmatigheidstoets
2.3
De machtiging die de kinderrechter op 16 juli 2024 heeft gegeven voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] , gold tot 26 november 2024 en is inmiddels (ruimschoots) verlopen. In zaken zoals hier aan de orde is echter volgens vaste jurisprudentie ruimte voor toetsing van de rechtmatigheid van een beslissing om het familie- en gezinsleven te beschermen tegen onterecht ingrijpen van overheidswege, ook wanneer de maatregel al is afgelopen. [1] Volgens de Hoge Raad geldt dit ook in het geval de machtiging niet ten uitvoer is gelegd, omdat het aannemelijk is dat alleen al de in die machtiging besloten liggende dreiging van een uithuisplaatsing het gezinsleven verstoort. [2] In dit geval ging het om de dreiging van een overplaatsing van [de minderjarige] door middel van een beperkende voorwaarde die aan de machtiging was verbonden, die niet is ingetreden omdat het hoger beroep van de oma de werking van dat onderdeel van de beslissing heeft geschorst, aangezien de kinderrechter dit onderdeel niet uitvoerbaar bij voorraad had verklaard.
2.4
Naar het oordeel van het hof heeft de oma een rechtens relevant belang om in hoger beroep te laten beoordelen of de kinderrechter op goede gronden heeft beslist dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet ten uitvoer mocht worden gelegd in het netwerkpleeggezin van de oma. Het hof gaat daarbij uit van de situatie ten tijde van de beslissing op 16 juli 2024 en van de gegevens waarover de kinderrechter beschikte, met inachtneming van het in hoger beroep gevoerde debat.
Prejudiciële vragen
2.5
De (kinder)rechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft aanleiding gezien om bij beschikking van 6 december 2024 prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad, omdat hij een tweetal rechtsvragen had die hij voor de beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek van de GI om verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van belang achtte. De volgende (eerste) vraag is voor de beoordeling in deze procedure relevant:
vraag 1.
“Is het, gelet op het in de tussenbeschikking van 16 juli 2024 ten aanzien van het
toepasselijke verdragsrecht en het wettelijk kader overwogene, mogelijk om een kind toch in
een pleeggezin te plaatsen als geen pleegzorgscreening heeft plaatsgevonden, die screening
niet positief is of wanneer de pleegzorgaanbieder tot de slotsom komt dat de plaatsing grote
veiligheidsrisico’s voor een kind met zich brengt en daarom geen verantwoordelijkheid voor
die plaatsing wil dragen?”
2.6
De Hoge Raad heeft bij prejudiciële beslissing van 19 december 2025 voornoemde vraag, na een uiteenzetting van de juridische uitgangspunten, als volgt beantwoord:
vraag 1.
“Het antwoord op de eerste vraag luidt als volgt. Aan plaatsing bij een (netwerk)pleeggezin
staat de omstandigheid dat screening van dat pleeggezin door een pleegzorgaanbieder niet
heeft plaatsgevonden, als zodanig niet in de weg. Ook de omstandigheid dat een screening
van het pleeggezin wel heeft plaatsgevonden maar geen positieve uitkomst heeft, of de
omstandigheid dat de pleegzorgaanbieder niet of niet langer verantwoordelijkheid voor die
plaatsing wil dragen omdat hij van oordeel is dat grote veiligheidsrisico's voor de minderjarige bestaan, brengt niet zonder meer mee dat de minderjarige niet in dat pleeggezin geplaatst kan worden of geplaatst kan blijven. Het resultaat van de screening en zorgen van de pleegzorgaanbieder over de veiligheid van de minderjarige zullen vanzelfsprekend veel gewicht in de schaal leggen, zowel voor de gecertificeerde instelling bij het bepalen van de verblijfplaats van de minderjarige op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing, als voor de rechter bij het beslissen op een verzoek tot verlening of verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing of een verzoek om toestemming voor wijziging van de verblijfplaats van een minderjarige die ten minste een jaar in het pleeggezin heeft verbleven. Ook andere informatie zal een rol kunnen spelen, zoals informatie en adviezen van de raad. Is de gecertificeerde instelling van oordeel dat de situatie in het pleeggezin onvoldoende veilig is voor de minderjarige, dan dient zij met het oog op het recht van de minderjarige op veiligheid en bescherming (zie hiervoor in 3.1 en 3.2) van de plaatsing of de voortzetting daarvan af te zien. Is de rechter van oordeel dat de situatie in het pleeggezin onvoldoende veilig is voor de minderjarige, dan dient hij, gelet op het recht van de minderjarige op veiligheid en bescherming (zie hiervoor in 3.1 en 3.2), zodanig te beslissen dat plaatsing in het pleeggezin wordt voorkomen of beëindigd.” [3]
Het oordeel van het hof
2.7
De kinderrechter heeft in de beschikking van 16 juli 2024 geoordeeld dat - kort gezegd - een plaatsing van een minderjarige in een pleeggezin, waarvan de pleegzorgaanbieder heeft aangegeven dat deze niet veilig en verantwoord is en waarvoor de pleegzorgaanbieder het pleegzorgcontract heeft beëindigd (zoals hier aan de orde), op grond van het verdragsrechtelijk en wettelijk kader niet toelaatbaar is en dat daarom geen ruimte is voor een belangenafweging. Het hof stelt op grond van de conclusies van de Hoge Raad voorop dat dit oordeel van de kinderrechter niet juist is. Wanneer de pleegzorgaanbieder een pleegzorgcontract heeft beëindigd omdat de pleegouder niet langer voldoet aan de in artikel 5.1 lid 1 en lid 2 Jeugdwet genoemde voorwaarden, betekent dit niet zonder meer dat ook de plaatsing is geëindigd dan wel dat deze op grond van een wettelijke bepaling moet worden beëindigd. De beslissing waar een kind geplaatst wordt of blijft, is een beslissing van de GI. De GI is daarbij gebonden aan de door de kinderrechter bepaalde grenzen van de machtiging tot uithuisplaatsing wat betreft duur en plaats. Wel is het zo dat de beëindiging van een pleegzorgcontract door de pleegzorgaanbieder vanwege zorgen over de veiligheid van een minderjarige een signaal is dat serieus moet worden genomen. Ook is andere informatie, zoals recente bevindingen in een raadsrapport, bij de weging van de omstandigheden van de minderjarige van belang. Wanneer de rechter van oordeel is dat de situatie in het pleeggezin onvoldoende veilig is voor de minderjarige [4] , dan dient zodanig beslist te worden dat de plaatsing in het pleeggezin wordt voorkomen of beëindigd. Dat kan door uitsluiting van dat specifieke pleeggezin, ambtshalve dan wel op verzoek van de ouder met gezag, zij het na een belangenafweging.
2.8
De GI heeft naar aanleiding van het beëindigen van de pleegzorgbegeleiding de hulpverlening opgeschaald en samen met de betrokken gezinscoaches (van [naam1] ) veiligheidsafspraken met de oma gemaakt. Er hebben daarnaast geplande en onverwachte bezoeken plaatsgevonden. De oma stelde zich meewerkend op en hield zich aan de gemaakte afspraken. De GI had (en heeft) geen zorgen over de fysieke of seksuele veiligheid van [de minderjarige] , maar had vooral zorgen over de complexe relatiepatronen tussen de oma en de moeder en de rest van het betrokken systeem en de draagkracht van de oma.
2.9
Om de veiligheidsrisico’s goed te kunnen inschatten heeft het hof de raad verzocht het raadsonderzoek uit te breiden (ro. 2.2). De raad heeft, op basis van onderzoeksbevindingen uit de informele screening in combinatie met het raadsonderzoek, in het rapport van 28 oktober 2024 (onder andere) geconcludeerd dat het het meest in het belang van [de minderjarige] is om bij de oma te blijven wonen. [de minderjarige] woont daar sinds hij 12 weken oud is en het is in zijn belang om te blijven opgroeien in die vertrouwde gezinssituatie. Hoewel er zorgen zijn over de draagkracht van de oma om blijvend te kunnen voldoen aan de verzwaarde opvoedvraag van [de minderjarige] , is de liefde, het geduld en de aandacht in de opvoeding bij de oma niet te vervangen. Volgens de raad wegen de zorgen niet op tegen de krachten, ook omdat de zorgen die er zijn kunnen worden ondervangen door de inzet van (aanvullende) hulpverlening, zoals een gezinshuis/zorgboerderij voor in de weekenden, en het maken van duidelijke (veiligheids)afspraken. De oma heeft oog voor het belang van [de minderjarige] , staat open voor hulpverlening en profiteert hiervan. Plaatsing op een neutrale plek zou een grote hechtingsbreuk voor [de minderjarige] opleveren, terwijl, mede gelet op zijn complexe problematiek, niet gezegd kan worden dat hij tot zijn meerderjarigheid op die andere plek kan blijven wonen en dit een risico op overplaatsing(en) betekent.
2.1
In de verlengingsbeschikkingen ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing zijn na de bestreden beschikking van 16 juli 2024 geen beperkende voorwaarden (meer) opgelegd om de maatregel niet ten uitvoer te leggen in het netwerkpleeggezin van de oma. Uit het dossier en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat [de minderjarige] nog steeds bij de oma verblijft en dat het daar goed met hem gaat, ook op school. De verstandhouding en communicatie tussen de oma en de ouders is aanzienlijk verbeterd en de situatie is gestabiliseerd ten opzichte van twee jaar geleden, ten tijde van de bestreden beschikking. De jongste dochter van de ouders, [naam2] van ruim anderhalf jaar oud, woont na een positief afgerond ouderschapstraject bij de ouders thuis. De ouders zijn consistent in hun standpunt dat zij [de minderjarige] , naast de zorg zie zij hebben voor [naam2] , niet kunnen bieden wat hij nodig heeft en dat hij bij de oma op een goede plek zit en daar goede zorg krijgt. Ook de GI heeft ter zitting benadrukt dat de oma de belangrijkste persoon/opvoeder voor [de minderjarige] is, hoewel er nog steeds zorgen zijn over haar belastbaarheid vanwege de verzwaarde opvoedvraag van [de minderjarige] en het ziektebeeld van haar partner. De GI is in overleg met de gemeente om een constructie te bedenken om het pedagogisch opvoedklimaat voor [de minderjarige] te optimaliseren. Hij zal binnenkort eens per twee weken een weekend naar een logeeropvang gaan en (her)diagnostiek voor [de minderjarige] (door [naam3] ) om te onderzoeken wat hij (verder) in de toekomst nodig heeft, bevindt zich in de afrondende fase.
Conclusie
2.11
Het hof concludeert op grond van het voorgaande, in het bijzonder het raadsrapport van 28 oktober 2024, dat ten tijde van de beslissing in eerste aanleg de veiligheid van [de minderjarige] voldoende was gewaarborgd en voortzetting van de plaatsing van [de minderjarige] bij de oma het meest in zijn belang was. Alle omstandigheden afgewogen waren de zorgen over de situatie van [de minderjarige] bij de oma niet van dien aard dat dit had moeten leiden tot een overplaatsing. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking (alsnog) zal vernietigen, voor zover is bepaald dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet ten uitvoer mag worden gelegd in het netwerkpleeggezin van de oma.

3.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 16 juli 2024, voor zover het de beslissing betreft dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet ten uitvoer mag worden gelegd in het netwerkpleeggezin van de oma (mz);
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. B.J. Engberts en mr. M.A.F. Veenstra, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 23 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
2.HR 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:395, rov. 3.1.2.
3.HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1948, rov 3.10
4.Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)