Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:4060

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
W200.369.459/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek tegen rechterlijke macht niet-ontvankelijk verklaard

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend in het kader van hoger beroep in belastingzaken. Het verzoek betrof twijfel aan de structurele onafhankelijkheid van de Nederlandse rechterlijke macht op basis van constitutionele gronden, waarbij werd aangevoerd dat alle rechters zijn benoemd bij koninklijk besluit, terwijl de Kroon ook de heffende autoriteit is.

De wrakingskamer heeft overwogen dat op grond van artikel 8:15 Awb Pro wraking alleen mogelijk is tegen de individuele rechters die de zaak behandelen, en niet tegen de rechterlijke macht als geheel. Omdat het verzoek zich richtte tegen de rechterlijke macht als zodanig en niet tegen de specifieke rechters, is het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast is het verzoek kénnelijk niet-ontvankelijk, waardoor een mondelinge behandeling achterwege is gelaten. De beslissing is op 16 juni 2026 in Arnhem uitgesproken en er staat geen rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet gericht was tegen de rechters die de zaak behandelen.

Uitspraak

beslissing
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Wrakingskamer
Locatie Arnhem
Wrakingsnummer W200.369.459/01
Datum beslissing:
16 juni 2026
Beslissing van de wrakingskamer
op het verzoek tot wraking, gedaan door
[verzoeker]te
[woonplaats](hierna: verzoeker)
1.
De procedure
1.1. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld in de zaken die bij de belastingkamer van het Hof zijn ingeschreven onder de nummers BK-ARN 25/367 en 25/368.
1.2. Bij bericht van 30 april 2026 heeft de griffier van het Hof aan verzoeker medegedeeld dat de tweede meervoudige belastingkamer het hoger beroep zal behandelen op 9 juni 2026.
1.3. Bij bericht van 26 mei 2026 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend.
1.4. Vervolgens is besloten het hoger beroep van verzoeker niet te behandelen op 9 juni 2026, maar deze behandeling uit te stellen.

2.Ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek

2.1.
Op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2.
Verzoeker heeft aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat op “systemisch constitutionele gronden” getwijfeld kan worden aan de structurele onafhankelijkheid van de Nederlandse rechter in fiscale geschillen. Verzoeker betoogt in dat verband – kort gezegd – dat iedere rechter is benoemd bij koninklijk besluit, en de Kroon tegelijkertijd de constitutionele heffende autoriteit is waarvan de rechtsgeldigheid van de aanslag afhankelijk is. Volgens verzoeker geldt de constitutionele structuur die het voorwerp van toetsing vormt voor elke rechter die over deze zaak zou kunnen oordelen, aangezien alle rechters in Nederland, van de rechter in eerste aanleg tot de leden van de Hoge Raad, zijn benoemd bij koninklijk besluit.
2.3.
De wrakingskamer overweegt als volgt. Uit artikel 8:15 van Pro de Awb blijkt dat een wrakingsverzoek slechts de rechters kan betreffen die de zaak van de betrokken partij behandelen. De wet biedt niet de mogelijkheid van wraking van een rechtscollege in zijn geheel (ECLI:NL:HR:2006:AX2303). Aangezien het wrakingsverzoek zowel uitdrukkelijk als naar zijn strekking is gericht tegen de rechterlijke macht als zodanig, en dus niet tegen (één van) de rechters die de zaak van verzoeker behandelen, is het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk.
2.4.
Bovendien is, om dezelfde reden, sprake van een kénnelijk niet-ontvankelijk wrakingsverzoek. De wrakingskamer laat daarom op grond van artikel 4, tweede lid, aanhef en onder e, van het Wrakingsprotocol van het Hof een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege.

3.De beslissing

De wrakingskamer verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk.
Aldus gedaan te Arnhem door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. A. van Maanen en mr. J.U.M. van der Werff, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (R.F.C. Spek)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (Artikel 8:18, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht).