Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:4031

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
200.362.187/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 1:253a BWArt. 337 lid 1 RvArt. 358 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afwijzing verzoek wijziging voorlopige zorgregeling voor minderjarige

De vader en moeder oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over hun in 2024 geboren dochter, die bij de moeder woont. Na een periode zonder contact en begeleide omgang is de omgang beperkt tot twee uur per week onder begeleiding. De vader verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening waarbij de zorgregeling aanzienlijk zou worden uitgebreid.

De rechtbank stelde een voorlopige zorgregeling vast met begeleide omgang van twee uur per week en wachtte een raadsonderzoek af. De vader ging in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht het hof de voorlopige zorgregeling te wijzigen conform zijn verzoek.

Het hof oordeelt dat de vader ontvankelijk is in zijn hoger beroep, maar wijst het verzoek af. Het raadsonderzoek is nog gaande en het hof wil niet vooruitlopen op de uitkomsten daarvan. Hoewel de omgang positief verloopt, zijn er zorgen over de complexe dynamiek tussen ouders en de veiligheid van het kind. Het hof benadrukt het belang van vrij contact met beide ouders en het nemen van verantwoordelijkheid door de ouders.

De voorlopige zorgregeling wordt bekrachtigd en het verzoek tot wijziging afgewezen. Het hof beveelt een herstelgesprek tussen vader en begeleider om de omgang te hervatten.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot wijziging van de voorlopige zorgregeling af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.187/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 243791)
beschikking van 18 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont op een geheim te houden adres,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. M.J. Flach te Groningen,
en
[verweerster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. E. Henkelman-de Mooy te Groningen.
In zijn toetsende en/of adviserende rol is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord-Nederland, locatie Groningen.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 5 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 2 december 2025;
- een journaalbericht namens de vader met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een brief namens de moeder van 4 mei 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 8 mei 2026 met bijlage(n).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 19 mei 2026 plaatsgevonden. De ouders zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is een vertegenwoordiger verschenen.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over hun dochter [de minderjarige] , geboren [in] 2024. [de minderjarige] woont bij de moeder.
3.2
De vader heeft [de minderjarige] in de eerste periode na haar geboorte niet gezien. Daarna was er enige tijd iedere donderdagmiddag van 12:00 tot 18:00 uur omgang bij oma (vz). De omgang is hierna gestopt vanwege een tweetal incidenten. Vervolgens zijn Veilig Thuis, [naam3] en de hulpverleningsorganisatie [naam1] betrokken geraakt. Sinds mei 2025 is er begeleide omgang tussen de vader en [de minderjarige] van enkele uren per week.
3.3
De vader heeft de rechtbank bij verzoekschrift van 15 april 2025 verzocht om in het kader van een voorlopige voorziening te bepalen dat [de minderjarige] voorlopig, in afwachting van de bodemprocedure, bij hem verblijft van donderdag 10:00 uur tot zondag 18:00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] ophaalt bij de moeder en de moeder [de minderjarige] op zondag bij de vader ophaalt. Hierbij moet de volgende opbouw in acht worden genomen:
- gedurende twee weken is er elke week één middag onbegeleid contact tussen [de minderjarige] en de vader;
- hierop aansluitend is er gedurende twee weken elke week één dag onbegeleid contact tussen [de minderjarige] en de vader van 10:00 uur tot 18:00 uur;
- hierop aansluitend is er gedurende twee weken elke week van donderdag 10:00 uur tot vrijdag 18:00 uur contact tussen [de minderjarige] en de vader bij de vader thuis;
- hierop aansluitend is er gedurende twee weken elke week van donderdag 10:00 uur tot zaterdag 18:00 uur contact tussen [de minderjarige] en de vader bij de vader thuis;
- hierop aansluitend zal [de minderjarige] van donderdag 10:00 uur tot zondag 18:00 uur bij de vader verblijven.
In de bodemprocedure heeft de vader verzocht te bepalen dat [de minderjarige] (nagenoeg) de helft van de tijd bij de vader verblijft conform een regeling die aansluit bij de behoeften van [de minderjarige] en dat de vakantie- en feestdagen voor de helft en in onderling overleg worden verdeeld.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in geschil de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [de minderjarige] .
4.2
Bij de bestreden beschikking van 5 september 2025 is een voorlopige zorgregeling vastgesteld, die inhoudt dat de vader eens per week gedurende twee uren omgang heeft met [de minderjarige] , begeleid door [naam2] en waarbij [naam2] de regie krijgt over eventuele uitbreiding in frequentie en duur van de begeleide omgangsmomenten. De verdere beslissing (ten aanzien van de definitieve zorgregeling) is aangehouden in afwachting van de uitkomst van een raadsonderzoek naar de vraag of een zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] in haar belang is en hoe deze regeling in dat geval vorm zou moeten worden gegeven.
4.3
De vader is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt:) voor zover het de vaststelling van een voorlopige zorgregeling betreft en het inleidende verzoek van de vader in het kader van een voorlopige voorziening (zie ro. 3.3) alsnog toe te wijzen.
4.4
De moeder voert verweer en verzoekt het hof de vader in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit te ontzeggen, althans de bestreden beschikking al dan niet onder verbetering van gronden te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid
5.1
De vader heeft in eerste aanleg op grond van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Overeenkomstig artikel 337 lid 1 Rv Pro kan van een beschikking, waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen of geweigerd, in afwijking van de hoofdregel van artikel 358 lid 1 Rv Pro, hoger beroep worden ingesteld voordat de eindbeschikking wordt gegeven [1] . De vader is dus, anders dan de moeder stelt, ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.
De voorlopige zorgregeling
5.2
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan, zoals in deze zaak, de toedeling van de (voorlopige) zorg- en opvoedingstaken omvatten.
5.3
Het hof zal het verzoek van de vader afwijzen. Het hof stelt daarbij voorop dat bij de bestreden beschikking een voorlopige voorziening is getroffen in afwachting van een raadsonderzoek naar de vraag of en, zo ja, welke zorgregeling in het belang van [de minderjarige] is. Op de zitting heeft de raad gezegd dat het raadsonderzoek inmiddels is gestart en nog een aantal weken in beslag zal nemen. Volgens de advocaat van de moeder is door de rechtbank uitstel aan de raad verleend tot 22 juni 2026 en de raad heeft laten weten de verwachting te hebben dat het raadsrapport vóór die datum klaar zal zijn. Het hof ziet in hetgeen de vader heeft aangevoerd geen aanleiding om de voorlopige zorgregeling te wijzigen, zoals de vader dat wenst, en daarmee vooruit te lopen op de uitkomsten van het raadsonderzoek en de bodemprocedure bij de rechtbank. Uit de omgangsobservaties van de betrokken hulpverlenende instanties (voorheen [naam1] en op dit moment [naam2] ) blijkt dat een positieve interactie tussen de vader en [de minderjarige] wordt gezien en dat er in zoverre geen
contra-indicaties zijn om de zorgregeling uit te breiden. Tegelijkertijd zijn er grote zorgen over de complexe dynamiek tussen de ouders, die heeft geleid tot meerdere incidenten, een melding bij Veilig Thuis en politie-interventie. De moeder heeft zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] bij de vader vanwege zijn persoonlijke problematiek (verslavingsgevoeligheid en emotieregulatie). De vader stelt dat deze problematiek al jaren niet meer speelt en wil graag meer contact met zijn dochter, maar wordt door de moeder op afstand gehouden terwijl de (begeleide) omgangsmomenten juist goed verlopen. Dit frustreert hem, wat er zelfs toe heeft geleid dat [naam2] de omgang recentelijk heeft stopgezet, omdat de vader zich volgens de medewerkers tijdens een evaluatiegesprek intimiderend richting hen heeft opgesteld.
Hoewel het hof nu geen gronden ziet voor uitbreiding van de voorlopige zorgregeling, acht het hof het wel van belang dat er een herstelgesprek tussen de vader en [naam2] plaatsvindt, zodat de begeleide omgang van twee uren per week, zoals die als voorlopige voorziening is vastgesteld, kan worden hervat. Tot slot benadrukt het hof dat - ongeacht welke zorgregeling uiteindelijk wordt vastgelegd - het voor de verdere ontwikkeling van de nog zeer jonge [de minderjarige] van groot belang is dat zij een vrij en onbelast contact kan hebben met haar beide ouders. Om dit mogelijk te maken dienen de ouders hun verantwoordelijkheid te nemen en te investeren in hun onderliggende verhouding, communicatie en belemmeringen vanuit hun belaste (gezamenlijke) voorgeschiedenis.
5.4
Uit het voorgaande volgt dat hof geen redenen ziet om de voorlopige zorgregeling reeds nu te wijzigen. Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre dan ook bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 5 september 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.F. Veenstra, mr. B.J. Engberts en mr. C. Coster, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 18 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533