ECLI:NL:GHARL:2026:4020

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
200.366.553/01 en /02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 Verordening Brussel II-ter (EU 2019/1111)Art. 1:251a BWArt. 1:377a lid 3 BWArt. 1:253a BWArt. 1:267 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen schorsing ouderlijk gezag en omgangsregeling na detentie vader

De rechtbank Midden-Nederland had het gezag van de vader over zijn twee minderjarige kinderen geschorst en het contact tussen hen voorlopig verboden, vanwege de detentie van de vader en de traumatische omstandigheden binnen het gezin.

De vader ging in hoger beroep tegen deze beslissing en verzocht om herstel van zijn gezag en een zorgregeling met contactmogelijkheden, waaronder bellen en bezoek in de penitentiaire inrichting. De moeder steunde de beslissing van de rechtbank en vroeg om schorsing van het gezamenlijke gezag ten gunste van haar alleen.

Het hof oordeelde dat de rechtbank niet bevoegd was om het gezag ambtshalve te schorsen, omdat dit alleen op verzoek van een overheidsorgaan kan. Daarom vernietigde het hof de schorsing van het gezag. Tegelijkertijd bevestigde het hof het verbod op omgang, omdat het contact op dit moment niet in het belang van de kinderen is gezien hun traumatische ervaringen en de noodzaak van hulpverlening.

Het hof verplichtte de moeder om de vader via een tussenpersoon regelmatig te informeren over de kinderen, zodat hij betrokken blijft. Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad werd door het hof afgewezen, waarmee de beschikking van de rechtbank grotendeels in stand bleef.

Uitkomst: Het hof vernietigt de schorsing van het gezag van de vader, bekrachtigt het omgangsverbod en wijst het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummers gerechtshof 200.366.553/01 en 200.366.553/02
zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 602451 en 602454
beschikking van 18 juni 2026
over de zorgregeling en het gezag
in de zaak van
[verzoeker](de vader)
die nu verblijft in [verblijfplaats]
in [plaats1] , gemeente [gemeentenaam]
advocaat: mr. K.W. van Nieuwkerk
en
[verweerster](de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. J.X.C. Peters

1.Samenvatting

De rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) heeft het gezag van de vader over van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] geschorst en bepaald dat er voorlopig geen omgang plaatsvindt tussen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en de vader. Het hof beslist dat de beslissing over het gezag niet zo moet blijven en de beslissing over de omgangsregeling wel zo moet blijven, en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn met elkaar getrouwd. De moeder heeft bij de rechtbank een verzoek tot echtscheiding ingediend.
2.2.
Zowel de ouders als de kinderen hebben de Poolse nationaliteit.
2.3.
De ouders hebben samen twee kinderen:
- [de minderjarige1] , die is geboren [in] 2014 in [plaats2] (Polen) en,
- [de minderjarige2] , die is geboren [in] 2016 in [plaats2] (Polen).
2.4.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen bij de moeder. De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
2.5.
De vader is sinds mei 2025 gedetineerd.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De vader heeft de rechtbank gevraagd een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen tweemaal per week met hem bellen (eenmaal doordeweeks en eenmaal in het weekend) en maandelijks met hem beeldbellen en bij hem in de Penitentiaire inrichting (PI) op bezoek komen.
3.2.
De moeder heeft de rechtbank bij wege van zelfstandig verzoek gevraagd het gezamenlijke gezag van de ouders te beëindigen en haar alleen met het gezag over de kinderen te belasten.
3.3.
De rechtbank heeft het gezag van de vader geschorst totdat hier definitief op is beslist en bepaald dat er voorlopig geen omgang plaatsvindt tussen [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en de vader. De rechtbank heeft de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) verzocht te onderzoeken welke beslissing over het gezag in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is en wat de mogelijkheden zijn ten aanzien van het contact tussen de vader en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De definitieve beslissing heeft de rechtbank aangehouden tot 18 februari 2027.
3.4.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 18 februari 2026.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vaderis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank over het schorsen van zijn gezag ongedaan maakt en dat het hof een (voorlopige) zorgregeling tussen hem en de kinderen vaststelt; die zorgregeling moet dan inhouden dat de kinderen tweemaal per week met hem bellen (eenmaal doordeweeks en eenmaal in het weekend) en maandelijks met hem beeldbellen, en dat ze bij hem in de PI op bezoek komen (tijdens vader-kinddag). De vader vraagt het hof ook voor de duur van het hoger beroep de werking van de bestreden beschikking te schorsen (de beslissing over het gezag).
4.2.
De moederis het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat. De moeder vraagt het hof bij wege van zelfstandig verzoek het gezamenlijk gezag van partijen te schorsen voor de duur van de procedure in eerste aanleg totdat de rechtbank heeft beslist over het gezag, althans voor de duur van één jaar, en de moeder in deze periode alleen met het gezag te belasten.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 18 maart 2026
  • het verweerschrift
  • de stukken van de vader, ingediend op 22 mei 2026
4.4.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben allebei een brief geschreven. Zij hebben hierin verteld wat zij ervan vinden om contact te hebben met de vader.
4.5.
De zitting bij het hof was op 28 mei 2026. Aanwezig waren:
  • de vader met zijn advocaat
  • de moeder met haar advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming
Beide ouders werden bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.

5.Het oordeel van het hof

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Zowel de ouders als de kinderen hebben de Poolse nationaliteit. Daarom dient het hof eerst ambtshalve te beoordelen of aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Het geschil heeft betrekking op de ouderlijke verantwoordelijkheid. Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de Verordening Brussel II-ter (EU 2019/1111) is de Nederlandse rechter bevoegd van dit geschil kennis te nemen omdat de kinderen op het moment van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden.
5.2.
De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven opgeworpen, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.
Ontvankelijkheid
5.3
De beschikking van de rechtbank is een zogenoemde deelbeschikking: ten aanzien van een deel van het verzochte (over de schorsing van het gezag van de vader en de bepaling dat er voorlopig geen omgang plaatsvindt) is uitdrukkelijk beslist. Tegen dat deel staat hoger beroep open. De vader is dus ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Wat staat in de wet?
Gezag
5.4.
In artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter na ontbinding van het huwelijk op verzoek van de ouders of van een van hen kan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Omgang
5.5.
De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
In het incident: de schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad
5.6.
De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beslissingen van de rechtbank meteen werking hebben, ook als – zoals nu – hoger beroep is ingesteld. De (advocaat van de) vader heeft verzocht om ten aanzien van de gezagsbeslissing de directe werking van de beschikking te schorsen. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de advocaat dat verzoek ingetrokken, indien het hof een eindbeslissing neemt over het gezag. Het hof neemt een eindbeslissing.
Dit betekent dat het verzoek is ingetrokken waarmee het hof aanneemt dat de vader de gronden van het hoger beroep die zien op het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad, niet handhaaft. Dit brengt mee dat het hof de vader in dit verzoek niet-ontvankelijk zal verklaren.
In de hoofdzaak: de standpunten van de ouders
5.7.
Volgens de vader was de rechtbank niet bevoegd om het gezag van de vader ambtshalve te schorsen. De beslissing was bovendien niet nodig omdat de ouders volgens de vader samen het gezag kunnen blijven uitoefenen, ook nu de vader gedetineerd zit. De vader mist [de minderjarige1] en [de minderjarige2] heel erg. Hij heeft ze al ruim een jaar niet gezien en wil graag dat het contact hersteld wordt. De vader vreest dat de band tussen de beide kinderen en hem anders verder zal verwateren en dat het contactherstel steeds lastiger zal worden.
5.8.
Volgens de moeder kon de rechtbank het gezag van de vader wel ambtshalve schorsen. Zij stelt dat de rechtbank op grond van artikel 1:253a BW ook ‘het mindere’ (schorsing van het gezag) kan toewijzen. Volgens de moeder kunnen de ouders niet overleggen over de kinderen omdat de vader gedetineerd zit en de moeder getraumatiseerd is door het geweld dat tijdens het huwelijk heeft plaatsgehad.. De vader heeft bovendien een contact- en gebiedsverbod tot maart 2027. De kinderen hebben volgens de moeder ook veel meegekregen van de gebeurtenissen tijdens het huwelijk. Zij zijn als gevolg daarvan nog niet klaar voor contactherstel. Volgens de moeder is het van belang dat de hulpverlening voor de kinderen wordt opgestart en het tempo van de kinderen wordt gevolgd.
5.9.
De raad heeft het hof tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om de beschikking van de rechtbank in stand te laten. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben volgens de raad veel meegemaakt. Zij hebben hulp nodig om dit te verwerken en te werken aan hun herstel. De raad hoopt dat de kinderen de nare herinneringen kunnen verwerken en weer ruimte krijgen voor de fijne herinneringen aan hun vader. Ook de ouders hebben volgens de raad hulp nodig. De vader moet proberen te erkennen dat de kinderen door de gebeurtenissen zijn getraumatiseerd. Hij moet tevens zijn eigen emoties weghouden bij de kinderen en de kaartjes die hij aan de kinderen stuurt, luchtig houden. Ook de moeder moet de gebeurtenissen uit het verleden verwerken. Op grond van het bovenstaande is er op dit moment volgens de raad geen ruimte voor contactherstel.
Hoe oordeelt het hof?
Gezag
5.10.
Het hof zal eerst beoordelen of de rechtbank bevoegd was het gezag van de vader ambtshalve tijdelijk te schorsen. Naar het oordeel van het hof was de rechtbank hiertoe niet bevoegd.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de wet geen mogelijkheid biedt om ambtshalve het gezag van de vader tijdelijk te schorsen. [1] Schorsing van het gezag is mogelijk op grond van de artikelen 1:267 en 1:268 BW. De schorsing kan echter slechts worden uitgesproken op verzoek van een overheidsorgaan (de raad of het OM) of de pleegouders, niet door de ouders zelf. Omdat er geen schorsing door een overheidsorgaan is verzocht en er geen pleegouders betrokken zijn, kan de schorsing van het gezag niet worden uitgesproken.
5.11.
Het hof volgt de moeder niet in haar standpunt dat op grond van haar verzoek op basis van artikel 1:253a BW de rechtbank het gezag van de vader tijdelijk kon schorsen. Artikel 1:253a BW is een geschillenregeling en biedt geen grond om de beslissing over het gezag zelf te wijzigen, in die zin dat alsnog een van de ouders met het gezag wordt belast.
5.12.
Het hof zal dit deel van de beslissing van de rechtbank ongedaan maken (vernietigen).
Omgang
5.13.
Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat contactherstel met de vader op dit moment niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is. De raad heeft in dezelfde zin geadviseerd. Op dit moment is de weerstand tegen contact met de vader die de kinderen laten zien, groot en hebben zij geen enkele ruimte om op een positieve manier aan de vader terug te denken. De kinderen zijn veelvuldig getuige geweest van huiselijk geweld en zij moeten eerst de tijd en rust krijgen om te verwerken wat zij hebben gezien en meegemaakt. Pas nadat zij de gepaste hulp hebben gekregen ontstaat er mogelijk ruimte voor een positiever beeld van hun vader, waaruit een interesse in hem kan groeien. Met de hulpverlening kan dan gekeken worden of contactherstel met de vader in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is. Ook de regeling die de vader voorstelt, beeldbellen of een video opnemen waarin de vader een boek voorleest, vindt het hof om deze reden nu nog niet in het belang van de kinderen.
5.14.
De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank afgesproken dat de moeder aan de vader, via een tussenpersoon, eens in de twee maanden een e-mail stuurt met informatie over de kinderen. Het hof benadrukt dat de moeder verplicht is om deze informatieregeling na te komen en dat zij – vooral omdat er nu geen omgang is – de vader ruim en volledig van informatie over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] moet voorzien. Het blijven informeren van de vader is belangrijk zodat de vader op de hoogte blijft van hoe het met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gaat. Dit is nodig om goed te kunnen aansluiten bij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] als de omgang in de toekomst mogelijk weer wordt opgestart, maar ook reeds omdat hij de vader is en het recht heeft om betrokken te blijven bij het wel en weer van zijn kinderen.
5.15.
Het hof zal de beslissing van de rechtbank over de omgangsregeling in stand laten (bekrachtigen).

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
18 februari 2026, voor zover die ziet op de schorsing van het ouderlijk gezag van de vader;
6.2.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 18 februari 2026, ten aanzien van de omgangsregeling;
6.3.
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad in hoger beroep
6.4.
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, R. Feunekes en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier en in het openbaar uitgesproken op
18 juni 2026.

Voetnoten

1.HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:684