ECLI:NL:GHARL:2026:4019

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
200.367.615
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 onder a en b BWArt. 1:260 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling wegens onvoldoende stabiliteit in ontwikkeling kinderen

De ouders hebben twee minderjarige kinderen die sinds 2 februari 2024 onder toezicht staan van een gecertificeerde instelling (GI). De ondertoezichtstelling is reeds meerdere malen verlengd. De vader is in hoger beroep gegaan tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling, terwijl de moeder en de GI deze verlenging steunen.

Het hof heeft de stukken bestudeerd, waaronder het beroepschrift, verweerschriften en een brief van een van de kinderen. Tijdens de zitting op 19 mei 2026 waren beide ouders met hun advocaten aanwezig, evenals een vertegenwoordiger van de GI.

De wet stelt dat een ondertoezichtstelling kan worden verlengd als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en de ouders niet voldoende meewerken aan hulpverlening. Het hof sluit zich aan bij de motivering van de kinderrechter dat de ontwikkeling van de kinderen nog steeds ernstig wordt bedreigd en dat de gestelde doelen nog niet volledig zijn bereikt.

Hoewel er positieve ontwikkelingen zijn, zoals uitgebreidere begeleide omgang tussen vader en kinderen, is de situatie nog onvoldoende stabiel. De communicatie tussen de ouders blijft problematisch en er loopt een procedure over het gezag, wat extra spanning veroorzaakt. Het hof benadrukt het belang van voortzetting van de hulpverlening en bekrachtigt daarom de verlenging van de ondertoezichtstelling tot 2 februari 2027.

Uitkomst: Het gerechtshof bekrachtigt de verlenging van de ondertoezichtstelling tot 2 februari 2027 wegens voortdurende bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.367.615
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 604271
beschikking van 18 juni 2026
over de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] en [minderjarige2]
in de zaak van
[vader](de vader)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. R. Dijkstra
en
[moeder](de moeder)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. H.E. Brokers-van Dijk
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland(de GI)
die is gevestigd in Utrecht

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] en [minderjarige2] verlengd tot 2 februari 2027. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben twee kinderen:
- [minderjarige1] , geboren [in] 2014, en
- [minderjarige2] , geboren [in] 2018.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
2.3.
De kinderen wonen bij de moeder.
2.4.
De kinderen staan sinds 2 februari 2024 onder toezicht van de GI en deze is daarna steeds verlengd. De ondertoezichtstelling loopt nog tot 2 februari 2027.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van de kinderen te verlengen met een jaar.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 2 februari 2027.
3.3.
Die beslissing is mondeling gegeven op 20 januari 2026 en op schrift gesteld op 2 februari 2026.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vaderis het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep en wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
4.2.
De moederis het wel eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter in stand laat.
4.3.
De GIwil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 14 april 2026
  • het verweerschrift van de moeder
  • het verweerschrift van de GI
  • een journaalbericht van mr. Dijkstra van 12 mei 2026 met bijlagen
4.5.
[minderjarige1] heeft een brief geschreven. Hij heeft verteld wat hij vindt van de ondertoezichtstelling.
4.6.
De zitting bij het hof was op 19 mei 2026. Aanwezig waren:
  • de vader met zijn advocaat
  • de moeder met haar advocaat
  • een vertegenwoordiger van de GI (via een beeldverbinding)

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening.
Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen [1] . Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
5.2.
De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar. [2]
5.3.
De vader is het niet eens met het oordeel van de kinderrechter dat (nog steeds) sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. De GI erkent volgens de vader dat sprake is van een ontwikkeling in de communicatie tussen de ouders. De vader staat open voor communicatie met de moeder en verleent medewerking aan alle vormen van hulpverlening.
Er is vooruitgang met betrekking tot alle gestelde doelen van de ondertoezichtstelling, aldus de vader.
5.4.
Net als de kinderrechter vindt het hof dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen is voldaan. Het hof verwijst naar de beslissing van de kinderrechter, sluit zich aan bij de motivering daarvan en neemt die over. Die motivering houdt in, kort gezegd, dat de ontwikkeling van [minderjarige1] en [minderjarige2] nog steeds ernstig wordt bedreigd en dat de gestelde doelen nog niet volledig zijn behaald. Er is wel sprake van een (positieve) ontwikkeling waarbij de begeleide omgang tussen de vader en de kinderen is uitgebreid sinds Positief Welzijn is betrokken bij het gezin, maar de situatie is voor de ontwikkeling van [minderjarige1] en [minderjarige2] nog onvoldoende stabiel. De vader zet zich in om zijn medewerking te verlenen en wil graag toewerken naar onbegeleide omgang, maar het is onduidelijk hoe de omgang voor de kinderen zal verlopen wanneer deze ongestructureerd en onvoorbereid plaatsvindt, zonder enige vorm van hulpverlening.
Daarnaast zijn de ouders nog steeds niet in staat om zonder hulpverlening met elkaar te communiceren en er loopt nog een procedure bij de rechtbank over het gezag, wat zorgt voor extra spanning tussen hen. Het is belangrijk dat de GI betrokken blijft om de hulpverlening te monitoren en de reeds ingezette hulpverleningstrajecten voort te zetten.
5.5.
Het hof voegt daaraan toe dat – zoals de GI en de moeder ook hebben aangevoerd – de hulpverlening zal stagneren en dat de ouders opnieuw moeten beginnen met het opbouwen van de hulpverlening en hun communicatie als de ondertoezichtstelling nu zou worden beëindigd. Dat is niet in het belang van de kinderen. Het risico is te groot dat hulpverlening in een vrijwillig kader onvoldoende is om de huidige stabiliteit te behouden of te verbeteren, nu de huidige situatie pas is bereikt na een langdurige periode van ondertoezichtstelling. Nodig is dat beide ouders zich inzetten voor verbetering van hun communicatie en hun samenwerking met de hulpverlening en dat de nu ingezette positieve ontwikkeling niet wordt doorbroken.
5.6.
De beslissing van de kinderrechter moet daarom in stand blijven (worden bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 20 januari 2026.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, D.J.M. van de Voort en A.L.H. Ernes, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 18 juni 2026 uitgesproken in het openbaar.

Voetnoten

1.artikel 1:255 lid 1 onder Pro a en b BW
2.artikel 1:260 lid 1 BW Pro