Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.De kern van de zaak
2.2 [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en een (voorwaardelijke) tegenvordering ingesteld, inhoudend een veroordeling van [appellant] tot opheffing van een door haar ten laste van [geïntimeerde] gelegd conservatoir beslag, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
3.De feiten
3.10 [appellant] heeft het pand inmiddels verkocht en geleverd aan een derde voor een koopprijs van € 1.250.000.
4.De beoordeling
[appellant] vordert niet langer de algehele vernietiging en ontbinding van de overeenkomst omdat zij het pand inmiddels heeft verkocht en geleverd aan een derde. Op verschillende juridische grondslagen (dwaling, wanprestatie, onrechtmatige daad, ongerechtvaardigde verrijking) vordert zij te verklaren voor recht dat de koopovereenkomst rechtsgeldig gedeeltelijk is ontbonden met de buitengerechtelijke verklaring van 22 maart 2024 althans gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst door het hof, dat laatste uitsluitend voorzover dat nodig mocht zijn om € 211.000 of € 115.681 als schadevergoeding te kunnen toewijzen, althans de gevolgen van de koopovereenkomst en de leveringsakte te wijzigen ex artikel 6:230 lid 2 BW Pro en haar nadeel op te heffen door [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 211.000 of € 115.681. In alle gevallen moeten de gevorderde bedragen worden vermeerderd met wettelijke (handels)rente vanaf 9 december 2023 of 22 maart 2024, of de datum van opeisbaarheid. Verder vordert zij veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van buitengerechtelijke kosten en terugbetaling van wat [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft betaald, en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.
De eindafrekening voor service- en/of verwarmingskosten over het tijdvak eindigend op 31 december 2022 (derhalve kalenderjaar 2022) is dan wel wordt door en voor rekening en risico van Verkoper opgemaakt. Dat is kennelijk gebeurd op verzoek van [appellant] , omdat [naam1] in zijn e-mail van 23 maart 2023 heeft geschreven dat in de koopakte moet worden opgenomen dat
“de huur-/servicekostenachterstanden worden niet overgenomen door koper. Deze worden dus niet verrekend bij de levering. Verkoper is zelf verantwoordelijk voor het innen van alle huurachterstanden/servicekostenafrekening.
“ zal door Koper op de Overdrachtsdatum van Verkoper worden aanvaard in de feitelijke, juridische, fiscale, technische, bouwkundige en milieukundige toestand waarin het Verkochte zich alsdan bevindt, met alle bekende en onbekende zichtbare en verborgen gebreken en in de alsdan geldende gebruiksstaat (‘as is') en onder gestanddoening van de lopende huurovereenkomsten met betrekking tot ruimte in het Verkochte, waarbij Verkoper ter zake van het Verkochte geen enkele garantie aan Koper verstrekt en ter zake van de toestand van het Verkochte jegens Koper ook geen enkele aansprakelijkheid aanvaardt. Voor wat betreft de verhuurde staat van het Verkochte wordt verwezen naar het huuroverzicht dat als bijlage B aan deze Koopovereenkomst is gehecht.
mogelijkheiddat [onderneming4] de huurovereenkomst op een eerder moment dan per ultimo augustus 2026 zou kunnen beëindigen, met als gevolg dat er een kans bestond op huurderving, althans een onzekere situatie in het leven riep die [appellant] aanleiding zou hebben gegeven tot onderhandelingen met [onderneming4] over een nieuw of aangepast huurcontract. Het is die mogelijkheid en de mogelijke gevolgen daarvan die gekwantificeerd - op geld gewaardeerd - moet worden. De berekeningen die [appellant] heeft gepresenteerd en de daarop gebaseerde bedragen die zij vordert (een vereist hoger aanvangsrendement van 21% dat tot een verlaging van de te betalen koopprijs met € 211.000 moeten worden verdisconteerd althans twee jaren huurderving van € 115.681) kunnen daarom niet gevolgd worden. Die gaan niet uit van een mogelijkheid daartoe maar van feitelijke beëindiging van de huurovereenkomst door [onderneming4] met ingang van 31 augustus 2024 en strekken tot financieel herstel van een toestand die niet bestond op het moment van het aangaan van de koopovereenkomst en waarvan evenmin zeker was dat die zou intreden. [appellant] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat [geïntimeerde] een koopovereenkomst met [appellant] zou hebben gesloten indien [appellant] een lager bod zou hebben uitgebracht waarin met deze rendementseisen rekening was gehouden.