Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3728

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.354.764
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BWArt. 843a RvPensioenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aansprakelijkheid Capgemini voor schade door vervallen pensioenindexatie en overheveling beleggingsdepot

Deze zaak betreft een schadestaatprocedure waarin het hof de omvang van de schade vaststelt die [appellant] lijdt door het vervallen van de voorwaardelijke toeslagregeling en de overheveling van €3,2 miljoen uit het gesepareerde beleggingsdepot (GBD). Het hof bevestigt eerdere oordelen dat Capgemini aansprakelijk is voor deze schade.

De pensioenregeling voorzag in een voorwaardelijke toeslagregeling die na 2015 is komen te vervallen doordat pensioenen niet meer binnen het GBD konden worden geïndexeerd. Daarnaast heeft Capgemini zonder toestemming een bedrag van €3,2 miljoen uit het egalisatiedepot overgeheveld naar een kostendepot, wat de toeslagverlening negatief heeft beïnvloed. Het hof oordeelt dat Capgemini tekort is geschoten in haar zorgplicht en goed werkgeverschap.

De schade wordt vastgesteld op basis van het gemiste toeslagpercentage van 1,15% over het gegarandeerde eindkapitaal van €197.843, wat leidt tot een schadevergoeding van €2.275,20. Andere vorderingen, zoals schade door het vervallen van het recht om pensioen binnen het GBD aan te kopen tegen een vaste rekenrente, worden afgewezen. Het verzoek tot deskundigenbenoeming en incidentele vorderingen worden eveneens afgewezen. Het hoger beroep wordt verworpen en [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het hoger beroep af, waarbij de schadevergoeding wordt vastgesteld op €2.275,20 en [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.764
zaaknummer rechtbank 11196048 (ECLI:NL:RBMNE:2025:670)
arrest van 9 juni 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. H. van Meerten
en
Capgemini Nederland B.V.
die is gevestigd in Utrecht
advocaat: mr. C.E. Dingemans

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de kantonrechter) op 19 februari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 13 april 2026 is gehouden.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
Deze zaak betreft een schadestaatprocedure. Het hof heeft in de hoofdprocedure tussen partijen een arrest gewezen op 18 april 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:3817). Daarin heeft het hof:
- geoordeeld dat Capgemini aansprakelijk is voor de schade die [appellant] lijdt doordat de in de artikelen 6 en 14 van het pensioenreglement neergelegde voorwaardelijke toeslagregeling over de pensioenuitkering van [appellant] is komen te vervallen;
-
geoordeeld dat Capgemini aansprakelijk is voor de schade die [appellant] lijdt doordat een bedrag van € 3,2 miljoen uit het egalisatiedepot van het GBD overgeheveld is naar een kostendepot;
- Capgemini veroordeeld tot vergoeding van de schade die [appellant] hierdoor heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
2.2.
[appellant] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat Capgemini wordt veroordeeld om aan hem een bedrag van € 112.004 te vergoeden en daarnaast de expertisekosten aan hem te vergoeden. [appellant] heeft een incidentele vordering ingesteld, waarin hij afgifte heeft gevorderd van het document waaruit zou blijken dat aanwending van het kapitaal voor pensioen binnen de regeling vanaf 2015 is gestopt en dat Capgemini daar al in 2015 van op de hoogte was.
۷
2.3.
De kantonrechter heeft Capgemini veroordeeld om een bedrag van € 2.275,20 aan Nationale Nederlanden af te storten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding en om een bedrag van € 8.792,92 aan expertisekosten te voldoen. De incidentele vordering is afgewezen en ook hetgeen [appellant] voor het overige vorderde. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vordering van [appellant] alsnog tot het bedrag van € 112.004 wordt toegewezen en dat ook de incidentele vordering wordt toegewezen.
2.4.
Het hof is het eens met de kantonrechter en zal het vonnis bekrachtigen. Dat wordt hierna toegelicht.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De vaststaande feiten
3.1.
[appellant] heeft geen grieven gericht tegen de door de kantonrechter onder 3.1. tot en met 3.12. in het vonnis van 19 februari 2025 vastgestelde feiten. Het hof gaat daarom ook uit van die feiten. Ter wille van de leesbaarheid van dit arrest zal het hof hieronder de van belang zijnde feiten nogmaals weergeven, waarbij deze zijn aangevuld met enkele andere feiten die tussen partijen vast staan.
3.2.
[appellant] is [van] 1985 [tot] 2010
۷in dienst geweest van Capgemini, dan wel de rechtsvoorganger daarvan. De rechtsvoorganger van Capgemini heeft aan [appellant] een pensioentoezegging gedaan, in de vorm van een pensioen- en kapitaalverzekering.
In de pensioenbrief van 19 december 1991 schrijft Volmac:
"Een belangrijk kenmerk van. de regeling is (...) dat de (overrente-) winstdeling wordt
gebruikt om de pensioenen resp. het kapitaal jaarlijks te verhogen. De uiteindelijke
opbrengst wordt dus in belangrijke mate beïnvloed door de rentestand op de kapitaalmarkt,
maar altijd is er een - van de beschikbare premie afhankelijke - gegarandeerde
kapitaalopbrengst (gebaseerd op een rekenrente van 4%)."
3.3.
De collectieve pensioenvoorziening was ondergebracht bij Nationale Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. (hierna: NN). Deze pensioentoezegging is vastgelegd in een pensioenreglement (hierna: PR). Daarin is bepaald dat het verzekerde kapitaal, dat bij pensionering moet worden aangewend ter financiering van pensioen, afhankelijk is van de daarvoor beschikbaar gestelde premie.
3.4.
In artikel 5 lid 5 en Pro artikel 6 van Pro het PR wordt verwezen naar artikel 14 van Pro dat reglement. Daarin staat dat jaarlijks door NN de aan de deelnemer of gewezen deelnemer toegekende overrente zal worden aangewend ter verhoging van de op het leven van de (gewezen) deelnemers verzekerde kapitalen, respectievelijk de voor de kapitalen ingekochte pensioenen en voor de verhoging van de ingegane pensioenen die op risicobasis verzekerd waren.
3.5.
Ter uitvoering van de pensioentoezegging heeft de rechtsvoorganger van Capgemini met NN een overeenkomst gesloten voor de periode van 1 januari 1991 tot en met 31december 2000. Deze overeenkomst is daarna verlengd tot 2005. Ingevolge artikel 4 van Pro de overeenkomst worden de voor de verzekeringen verschuldigde premies en de tarieven voor de aankoop van pensioenen berekend op basis van de in bijlage II bij de overeenkomst 1991-2000 genoemde grondslagen. Die bijlage geeft bepalingen over onder meer sterftetafels (1976-1980), rekenrentevoet (van 4% per jaar) en administratiekosten. Bijlage III bij deze overeenkomst regelt de wijze van beleggen, overrente en technische winst. Daarin staat dat de overrente wordt bepaald door, kort gezegd, het beleggingsresultaat, verminderd met de rekenrente en de daarop in mindering strekkende kosten, zoals administratiekosten en excassokosten.
3.6.
Met ingang van 1 januari 2003 heeft Capgemini de collectieve pensioenregeling van haar personeel ondergebracht bij Stichting Pensioenfonds Capgemini Nederland. De verdere pensioenopbouw van [appellant] vond vanaf die datum bij dit pensioenfonds plaats.
3.7.
Deelnemers die voorheen pensioen hadden opgebouwd bij NN kregen eenmalig de mogelijkheid om hun bij NN opgebouwde kapitaal over te dragen aan Stichting Pensioenfonds Capgemini Nederland. Indien zij daar niet voor kozen, bleef hun bij NN opgebouwde pensioenkapitaal premievrij achter bij NN in een gesepareerd beleggingsdepot (hierna: GBD). NN en Capgemini hebben met het oog daarop op 27 maart 2006 voor de periode van 1 januari 2005 tot 31 december 2014 een nieuwe pensioenverzekeringsovereenkomst gesloten.
3.8.
[appellant] heeft, nadat hij zowel schriftelijk als mondeling was geïnformeerd over de mogelijkheid om zijn bij NN opgebouwde pensioenaanspraken aan het pensioenfonds over te dragen, geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.
3.9.
In de pensioenverzekeringsovereenkomst van 27 maart 2006 staat dat geen opbouw meer van kapitaal, dan wel pensioen plaatsvindt, maar dat wel indexatie van de premievrije verzekeringen plaatsvindt, onder het voorbehoud dat er voldoende middelen aanwezig zijn voor indexering en dat alle kosten van de regeling worden gefinancierd uit de overrente. In bijlage 2a is bepaald dat voor de periode vanaf 1 januari 2005 de 'Sterftetafel Collectief 2003 wordt gehanteerd en dat de rekenrente wordt gesteld op 3% per jaar voor eventuele nieuwe opbouw uit indexatie.
3.10.
In artikel 1 lid 4 sub b van Pro bijlage 4 bij de pensioenverzekeringsovereenkomst is vermeld:
“Indien op 31 december 2014 de negatieve overrente meer bedraagt dan 5% van de netto
premiereserve en bovendien het gemiddelde van de laatste 3 jaren meer bedraagt dan 5%
van de netto premiereserve, wordt het beleggingsdepot ontmanteld en vervalt vanaf die datum het recht van de verzekeringnemer op overrentedeling en is de verzekeringnemer niet langer de in lid 4 omschreven vergoedingen verschuldigd.”
3.11.
In bijlage 8 bij de pensioenverzekeringsovereenkomst is uiteengezet hoe het technisch resultaat, de premiereserve en de overrente worden berekend. Artikel 5 lid 4 onder Pro 3 bepaalt daarover onder meer dat toekomstige overrente in de volgende volgorde wordt aangewend:
“- wegwerken van negatieve overrente
- uitbetaling van negatief resultaat van € 1.044.217,38
- indexatie van de aanspraken.”
3.12.
In artikel 5 lid 4 sub Pro 2 en 3 van bijlage 8 is uiteengezet hoe het technisch resultaat wordt berekend. Deze bepaling luidt als volgt:
2. Technisch resultaat
Het technische resultaat over een kalenderjaar is gelijk aan de berekende-ultimo-premiereserve per 31 december van dat jaar verminderd met de premiereserve per die datum.
De premiereserve is gelijk aan de netto premiereserve, berekend op de op bijlage 2a onder a. tot en met d vermelde grondslagen, vermeerderd met het in die bijlage onder e vermelde percentage van de opslag voor excassokosten.
De berekende-ultimopremiereserve is gelijk aan het verschil tussen: enerzijds
- de met 4% resp. 3% opgerente premiereserve per 31 december van het vorige jaar,
- de afkoopwaarden en de met de opslag voor excassokosten verhoogde netto koopsommen,
waarvoor de Rekening-Courant per een in het betrokken jaar gelegen valutadatum is
gedebiteerd, opgerent vanaf die valutadatum tot en met 31 december op basis van 4% resp.
3% en anderzijds
- de afkoopwaarden en de met de opslag voor excassokosten verhoogde netto koopsommen,
waarvoor de Rekening-Courant per een in het betrokken jaar gelegen valutadatum is
gecrediteerd, opgerent vanaf die valutadatum tot en met 31 december op basis van 4% resp.
3%
- de met de opslag voor excassokosten verhoogde, aan pensioengerechtigden uit te keren
pensioenen met valutadatum in het betrokken jaar, opgerent vanaf die valutadatum tot en met 31 december op basis van 4% resp. 3% per jaar.
3. Voor de opbouw van de premiereserve benodigde intrest.
De voor de opbouw van de premiereserve benodigde intrest is de in de berekende ultimopremiereserve begrepen intrest over het betrokken jaar.
3.13.
In de jaren 2005-2015 heeft NN deelnemers die de pensioenleeftijd bereikten de
mogelijkheid geboden om pensioen aan te kopen binnen het GBD tegen een tarief van eerst
4% en daarna 3%. Vanaf 2015 bestaat deze mogelijkheid niet meer.
3.14.
In 2018 heeft Capgemini met NN nieuwe afspraken gemaakt over de toeslagen op de pensioenen en de financiering ervan, voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017. Onderdeel van die afspraken is wederom dat de toeslagverlening wordt verleend als er voldoende middelen aanwezig zijn en dat deze toeslagverlening wordt gefinancierd uit de beschikbare overrente uit het (voortgezette) gesepareerde beleggingsdepot. Daarbij is op 12 juli 2018 een “Aanvullende overeenkomst gesepareerde beleggingen" gesloten. Daarin is onder meer vermeld dat artikel 1 lid 4 van Pro bijlage 4 van de pensioenverzekeringsovereenkomst van 27 maart 2006 wordt vervangen door de volgende bepaling:
"Indien op 31 december van enig jaar de negatieve overrente meer bedraagt dan 5% van de netto premiereserve en bovendien het gemiddelde van de laatste 3 jaren meer bedraagt dan 5% van de netto premiereserve, wordt het gesepareerde beleggingsdepot beëindigd en vervalt vanaf die datum het recht van de verzekeringnemer op overrentedeling.”
3.15.
Capgemini heeft op 31 december 2014 € 3,2 miljoen uit de egalisatiereserve overgeheveld naar een kostendepot, ter dekking van toekomstige uitvoeringskosten.
Artikel 5 lid 4 sub Pro 2 en 3 van bijlage 8 is in verband daarmee in de aanvullende overeenkomst vervangen door de volgende bepaling:
“2. Nationale-Nederlanden houdt met betrekking tot de aan de verzekeringnemer uit te keren overrente een egalisatiereserve aan. Als de voorlopige overrente (zie hiervoor sub 1) per 31 december van het betrokken jaar een positief bedrag is, wordt dit bedrag credit geboekt in de egalisatiereserve. Als de voorlopige overrente (zie hiervoor sub 1) per 31 december van het betrokken jaar een negatief bedrag is, wordt dit bedrag per die datum debet geboekt in de egalisatiereserve.
Een negatief saldo van de egalisatiereserve wordt gedurende de looptijd van de overeenkomst doorgeschoven naar volgende jaren en wordt verrekend met dan eventueel credit geboekte bedragen in de egalisatiereserve.
Per 31 december van ieder kalenderjaar na aanvang van de overeenkomst wordt een dan aanwezig positief saldo van de egalisatiereserve volledig als aan de verzekeringnemer toekomende overrente in het kostendepot geboekt. De stortingen in het kostendepot vinden maximaal plaats tot het saldo van het kostendepot gelijk is aan 3.200.000,-. Een eventueel surplus van de aan de verzekeringnemer toekomende overrente wordt aangewend voor toeslagen op basis van de op 1 januari 2015 gesloten overeenkomst voor het verlenen van toeslagen op pensioenen op basis van Basis Garantie Pensioen.
Voorwaarde voor de aanwending voor toeslagen is dat de uit het surplus te bekostigen toeslagen minimaal gelijk zullen zijn aan 0,2%. Indien het surplus niet voldoende Is voor een toeslag van 0,2%, blijft het surplus onderdeel uitmaken van de egalisatiereserve.”
3.16.
In bijlage A bij de aanvullende overeenkomst zijn bepalingen opgenomen over het kostendepot dat NN vanaf 2015 aanhoudt. In artikel 1 van Pro die bijlage staat onder meer:
De jaarlijks aan de verzekeringnemer toekomende positieve overrente als bedoeld in bijlage 8, artikel 5 lid 4 onder Pro 2 wordt in het kostendepot gestort tot het saldo van het kostendepot gelijk is aan € 3.200.000,-. Indien het saldo van het kostendepot ontoereikend is voor het financieren van de kosten op grond van de hoofdovereenkomst, dan komt het restant van de kosten voor rekening van Nationale-Nederlanden.
3.17.
NN heeft Capgemini bij brief van 23 november 2023 meegedeeld dat zij de winstdelingsregeling per 31 december 2022 heeft beëindigd omdat over de jaren 2020 tot en met 2022 sprake is van een gemiddelde negatieve stand in de egalisatiereserve (het saldo van de overrente) van meer dan 5%. Dit heeft tot gevolg dat in de pensioenen pensioenkapitalen in de toekomst niet meer worden verhoogd.
De door het hof gegeven oordelen in de hoofdprocedure
3.18.
[appellant] heeft in de hoofdprocedure in hoger beroep verklaringen voor recht gevorderd dat Capgemini tekortgeschoten is in de nakoming van de pensioenregeling en een schadevergoeding gevorderd van € 180.174,04
۷te voldoen aan een pensioenuitvoerder, of een nader te bepalen schadevergoeding.
[appellant] voerde als grondslag drie schadeveroorzakende gebeurtenissen aan, die zich alle zouden hebben voorgedaan per 1 januari 2015:
(i) het niet meer kunnen inkopen van het pensioen in het GBD tegen de gegarandeerde
rekenrente van 4% waardoor sprake is van verlies van indexatiepotentieel tot einde leven;
(ii) de wijzigingen met betrekking tot de aanwending van de overrente over het boekjaar
2014;
(iii) de administratiekosten die ineens ten laste van de deelnemers/overrente zijn gebracht.
Uitgangspunten voor het oordeel van het hof
3.19.
Het hof heeft in zijn arrest van 18 april 2023 onder 3.23. de volgende uitgangspunten vermeld voor de beoordeling van de vorderingen van [appellant] :
Voorop staat dat het hier gaat om een kapitaalovereenkomst in de zin van de huidige pensioenwet (PW). Daarbij staat (alleen) de hoogte van het kapitaal bij ingang van het pensioen vast. Het kapitaal moet (uiterlijk) op de pensioendatum worden omgezet in een periodieke uitkering tegen de dan geldende tarieven. Overeengekomen is een minimaal gegarandeerd rendement van het verzekerde kapitaal van 4% (3% voor eventuele opbouw vanaf 2003). Dat blijkt uit de pensioenbrief van [appellant] waarin deze pensioentoezegging is gedaan (3.2.). [appellant] stelt niet dat Capgemini deze garantieverplichting over het kapitaal niet is nagekomen. Dit betekent dat het tot 1 januari 2003 opgebouwde kapitaal is vermeerderd met (tenminste) 4%. Daarnaast kent de pensioenregeling een winstregeling die inhoudt dat het gegarandeerde kapitaal jaarlijks wordt verhoogd met overrente (het surplus van de beleggingsopbrengst na aftrek van kosten boven het gegarandeerde minimumrendement van 4%). Partijen zijn het erover eens dat dit een voorwaardelijke toeslagregeling is.
(i)
Geen recht tot pensioeninkoop binnen in het GBD
3.20.
Het hof heeft vervolgens onder 3.24. in zijn arrest van 18 april 2023 ten aanzien van de onder (i) genoemde gebeurtenis geoordeeld dat in artikel 14 van Pro het PR niet staat dat de deelnemer het recht heeft om het pensioen in te kopen in het GBD. Artikel 14 bepaalt Pro dat door NN toegekende overrente wordt aangewend voor verhoging van de verzekerde kapitalen of de ingekochte pensioenen. Daarin valt niets te lezen over een recht op aankoop van pensioenen binnen het GBD (tegen 4% rekenrente). Voor zover [appellant] zich beroept op (Bijlage II bij) de overeenkomst uit 1991 en (Bijlage 2a bij) de overeenkomst uit 2005 geldt dat hij niet heeft toegelicht waarom daaruit voortvloeiende (financiële) verplichtingen voor Capgemini ontstaan die doorwerken in de pensioenovereenkomst. Daarbij is van belang dat de afspraken in de overeenkomst tussen werkgever en pensioenuitvoerder niet automatisch de werkgever en de werknemer bij de pensioenovereenkomst bindt. Bovendien geldt dat de financiële verplichtingen van Capgemini na het premievrij worden van de pensioenregeling zijn geëindigd. Overigens vloeit ook uit de hiervoor genoemde bijlagen geen recht op inkoop van pensioenen binnen het GBD tegen 4% voort, omdat daarin de rekenrente is geregeld voor het verzekerde kapitaal.
Daarnaast leest het hof in een aantal andere door [appellant] genoemde stukken ook geen recht tot pensioeninkoop binnen het GBD tegen 4% (r.o. 3.25.).
3.21.
Het hof heeft verder overwogen (onder 3.27.) dat de mogelijkheid die NN tot 2015 aan gepensioneerden heeft geboden om op de pensioendatum pensioen aan te kopen binnen het GBD tegen een rekenrente van eerst 4% en later 3% is komen te vervallen, maar dat dit een besluit betreft van NN en niet van Capgemini. Nu de pensioenregeling uit 1991, waarop [appellant] zich ten opzichte van Capgemini beroept, het door hem gestelde aankooprecht niet inhoudt, is geen sprake van een aantasting daarvan.
(i)Vervolg: Vervallen voorwaardelijke toeslagregeling
3.22.
Het hof heeft wel onderkend dat de voorwaardelijke toeslagregeling, zoals bepaald in artikel 14 PR Pro, is komen te vervallen. Op grond van die bepaling werden de kapitalen, dan wel pensioenen, geïndexeerd als aan de voorwaarden daarvoor was voldaan. Die indexering vond plaats vanuit het GBD. Doordat pensioenen vanaf 2015 niet meer binnen het GBD konden worden aangekocht, konden de na 2015 aangekochte pensioenen, waaronder dat van [appellant] , niet meer geïndexeerd worden. Het hof heeft geoordeeld (onder 3.29.) dat Capgemini als goed werkgever bij het sluiten van een nieuwe uitvoeringsovereenkomst met NN, met het oog op de nadelige gevolgen van het vervallen van de voorwaardelijke toeslagregeling voor haar (ex-)werknemers, had moeten proberen in de onderhandelingen met NN hiervoor een compensatie te bedingen. Doordat Capgemini vervolgens de pensioenovereenkomst niet heeft aangepast, heeft ook niet de toets van eenzijdige wijziging van deze mogelijkheid van voorwaardelijke indexatie van de na 2015 bij een verzekeraar aangekochte pensioenen plaats kunnen vinden. Voor zover [appellant] daardoor schade lijdt zal Capgemini deze dienen te vergoeden.
(ii)
Wijzigingen met betrekking tot de aanwending van de overrente
3.23.
Zoals onder 3.15. van dit arrest is vermeld, is door Capgemini een bedrag van € 3,2 miljoen uit de egalisatiereserve (van toen € 3,9 miljoen) overgeheveld naar een kostendepot. Het hof heeft daarover als volgt geoordeeld (onder 3.33. en 3.34.):
Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] als gevolg van de overheveling toeslag over zijn opgebouwde kapitaal per ultimo 2014 heeft gemist. Zonder de ingreep was er op dat moment € 3,9 miljoen beschikbaar voor toeslagverlening en met de ingreep slechts € 750.000,-. Ook is niet in geschil dat [appellant] hiervoor geen toestemming heeft verleend. De toestemming van de Ondernemingsraad treedt daarvoor niet in de plaats. Tegenover de betwisting door [appellant] heeft Capgemini onvoldoende onderbouwd dat er daadwerkelijke dreiging was voor het eindigen van de winstdelingsregeling. Dat NN daartoe bevoegd was op grond van de uitvoeringsovereenkomst is niet in geschil, maar wel dat dat de reden en een rechtvaardiging was voor de overheveling van het bedrag uit de egalisatierekening. Capgemini heeft dat niet met stukken of anderszins onderbouwd, anders dan een door haar zelf opgestelde adviesaanvraag aan de Ondernemingsraad. Correspondentie of andere stukken waaruit blijkt van haar contacten met NN ontbreken. Capgemini heeft bij haar keuze weliswaar de Ondernemingsraad betrokken, maar te verwachten is dat de Ondernemingsraad bij zijn afweging vooral naar de belangen van de werknemers, de actieve deelnemers kijkt. Er zijn geen inactieve deelnemers bij het beslissingsproces betrokken en ook geen afvaardiging daarvan. Een deelnemersraad is pas na de overheveling, in 2017, ingesteld. Dat de instelling van het kostendepot niet kon wachten tot dat moment heeft Capgemini niet gesteld en is ook niet gebleken. Capgemini heeft ook niet aangevoerd en toegelicht dat zij de gevolgen van de kapitaaloverheveling voor de inactieve deelnemers, ook cijfermatig, in kaart heeft gebracht, zodat onduidelijk blijft wat deze gevolgen zijn en hoe zij deze heeft laten meewegen in haar beslissing. Capgemini heeft al met al onvoldoende onderbouwd dat zij tot de ingreep genoodzaakt was en daarmee of zij zich (ook) de belangen van de inactieve deelnemers voldoende heeft aangetrokken. Daarmee heeft zij ten opzichte van [appellant] gehandeld in strijd met de norm van goed werkgeverschap zoals voortvloeiend uit artikel 7:611 BW Pro.
De vraag is of [appellant] hierdoor ook daadwerkelijk schade heeft geleden. Die schade bedraagt namelijk niet het gemiste bedrag aan toeslag, zoals [appellant] stelt. Daarbij is van belang dat hij in 2015 weliswaar te weinig toeslag over het tot ultimo 2014 opgebouwde kapitaal heeft ontvangen, maar dat het bij de overheveling ging om vooruit genomen (gekapitaliseerde) kosten over de jaren 2015 tot 2019. Die kosten komen op grond van de pensioenregeling ten laste van (de overrente) van het GDB. Het gaat dus, anders dan [appellant] aanvoert, niet om kosten die Capgemini had moeten dragen (ook niet de door hem gestelde € 6 ton). De pensioenovereenkomst kent daar geen verplichting toe.
Daarnaast heeft het hof overwogen dat als de overheveling niet plaatsgevonden zou hebben, de overrenteregeling mogelijk geëindigd zou zijn.
(iii)
De administratiekosten die ineens ten laste van de deelnemers/overrente zijn gebracht
3.24.
Het hof heeft de vordering van [appellant] afgewezen, voor zover die ziet op de administratiekosten. Daartoe heeft het hof overwogen (onder 3.37.) dat de pensioenregeling geen verplichting van Capgemini kent tot bijdrage in de kosten. [appellant] heeft bovendien onvoldoende onderbouwd dat er daadwerkelijk sprake is van meer of andere kosten die in strijd met de pensioenregeling ten laste van de deelnemers zijn gebracht.
De schadeveroorzakende gebeurtenissen die in deze schadestaatprocedure voorliggen
3.25.
In de onderhavige schadestaatprocedure is ten aanzien van de onder (i) genoemde gebeurtenis op grond van de hiervoor onder 3.20 tot en met 3.22 vermelde oordelen in de hoofdprocedure slechts aan de orde of en in hoeverre sprake is van schade als gevolg van het vervallen van de voorwaardelijke mogelijkheid op het verkrijgen van toeslagen over het na 2015 bij een verzekeraar aangekochte pensioen. De rekenrente waartegen voor het bij NN opgebouwde kapitaal bij een verzekeraar een pensioen kon worden aangekocht is echter niet gegarandeerd. Voor zover bij die aankoop een lagere rekenrente is gehanteerd dan de rekenrente van 4% (dan wel 3%), waartegen andere werknemers tot 2015 binnen het GBD bij NN een pensioen konden aankopen, valt dat niet aan Capgemini te verwijten. Het verschil tussen het uiteindelijk door [appellant] met het bij NN opgebouwde kapitaal bij een verzekeraar aangekochte pensioen tegen de dan geldende markrente en het pensioen dat [appellant] had kunnen aankopen als er een rekenrente zou zijn gehanteerd van 4%, kan dan ook niet in deze schadestaatprocedure worden gevorderd. De stellingen van [appellant] die zien op de schade die [appellant] in deze schadestaatprocedure vordert vanwege het feit dat hij zijn pensioen niet (binnen het GBD) heeft kunnen aankopen tegen een rekenrente van 4% (dan wel 3%), waaronder de stelling dat die inkoopmogelijkheid onrechtmatig is beëindigd, kunnen daarom onbesproken blijven.
3.26.
Het vorenstaande betekent dat in deze schadestaatprocedure slechts de schade aan de orde kan zijn die het gevolg is van:
het feit dat de na 2015 aangekochte pensioenen niet meer geïndexeerd konden worden, als aan de voorwaarden voor indexatie zou zijn voldaan;
de overheveling van € 3,2 miljoen uit het GBD.
3.27.
[appellant] heeft ter onderbouwing van de door hem gestelde schade een memorandum, d.d. 22 april 2024 laten opstellen door Triple A Risk Finance (hierna: Triple A). Triple A heeft echter bij de berekening van de schade ook de schade meegenomen die [appellant] lijdt als gevolg van het vervallen van de mogelijkheid om pensioen aan te kunnen kopen tegen een rekenrente van 4%. Daarom kan het door Triple A opgestelde memorandum in zoverre niet als uitgangspunt dienen voor de door [appellant] gevorderde schade.
3.28.
Ten aanzien van de overheveling van € 3,2 miljoen uit het GBD heeft Triple A onder meer geschreven:
“De schade die benadeelde in 2014 heeft geleden door het onttrekken van € 3,2 miljoen uit de overrente is te bepalen door de toegekende toeslag verhoudingsgewijs aan te passen. Benadeelde heeft eind 2014 een toeslag ontvangen van circa 0,46% (uit een overrente van circa € 750.000). Op basis van een overrente van circa € 3,9 miljoen zou de toegekende toeslag circa 2,41% zijn geweest. Dit betekent dat er verschil is in kapitaal per eind 2014 Dit betekent dat er verschil is in kapitaal per eind 2014 van € 3.857 (197.843 x (2,41% - 0,46%)).
Voor de jaren na 2014 moeten de kosten worden onttrokken uit de overrente. Dit zou impact kunnen hebben op de per eind 2019 toegekende toeslag; eind 2019 was er sprake van een negatieve egalisatiereserve ter grootte van circa € 600.000”
3.29.
Verder staat in het memorandum van Triple A dat er in de jaren vanaf 2015 negatieve resultaten zouden zijn behaald met het GBD: “
De gebruikte set laat zien dat de verwachte rente in 2015 (zeer) laag en zelfs negatief was. Pas op langere
termijn zou de rente naar verwachting positief zijn.”Even verderop is vermeld: “
Als we kijken naar het verwachte overrendement, wat benodigd is om [aan] toeslagverlening toe te komen, komen we tot de conclusie dat gemiddeld bezien de overrente en daarmee de kans op toeslagverlening nihil is. Immers, om overrente te creëren dient het rendement hoger te zijn dan de 4% garantie plus kosten.”
3.30.
Capgemini heeft twee notities overgelegd van Towers Watson Netherlands B.V. (hierna: WTW) van 7 maart 2024 en 30 september 2024. Daaruit blijkt dat de voorwaardelijke toeslagregeling, ook indien het bedrag van € 3,2 miljoen niet uit het GBD zou zijn overgeheveld, in 2023 zou zijn geëindigd. In de notitie van 7 maart 2024 staat namelijk: “
Uit het winstdelingsverslag 2022 is af te leiden dat de egalisatiereserve (lees: saldo overrente) is gedaald tot ruim -/- € 22 miljoen. Dit heeft met name te maken door de negatieve beleggingsresultaten in 2022 waarbij de resultaten van de vastrentende waardenfondsen meer dan -20% waren. Ook zakelijke waardenfondsen lieten
negatieve resultaten zien. Dit heeft ertoe geleid dat de negatieve overrente in 2022 ruim 18 miljoen (-22% van de premiereserve) was. In combinatie met de negatieve overrente van de voorgaande jaren is het saldo -/- € 22 miljoen (-/- 25,3% van de premiereserve). Hierdoor is het gemiddelde over de jaren 2020 - 2022 circa -10,1% van de premiereserve.”
De conclusie in deze notitie is:
“Op basis van de ontvangen documenten komen wij tot de conclusie dat het besluit van NN inzake de beëindiging van het gesepareerd beleggingsdepot en de overrentedeling in lijn is met de beëindigingsvoorwaarden. De negatieve overrente over de laatste drie jaren bezien betreft immers meer dan 5% van de netto premiereserve, hetgeen op grond van artikel 1 lid 4 van Pro de overeenkomst aanleiding geeft om het gesepareerd beleggingsdepot en de overrentedeling te beëindigen.”
3.31.
In de notitie van 30 september 2024 is vervolgens de schade berekend als gevolg van het overhevelen van een geldbedrag ad € 3,2 miljoen vanuit de egalisatiereserve
naar het kostendepot. Daarover schrijft WTW:
“Indien dit geldbedragnietwas onttrokken, dan was er eind 2014 geen bedrag beschikbaar geweest ad € 750k, maar van € 3,9 mln om een indexatie te bekostigen. Dit zou hebben
geresulteerd in een indexatie ultimo 2014 ad ca. 2,40% in plaats van de gegeven 0,46%. Nadien zou de heren [appellant] en (…) geen indexatie meer hebben gekregen. Dit vanwege het feit dat de combinatie van de jaarlijkse kosten en overrente van het gesepareerd beleggingsdepot, negatief zou zijn geweest (vanaf eind 2014 tot en met het beëindigen van het gesepareerd beleggingsdepot). Kortom, de geleden schade voor de heren [appellant] en (…) bestaat alleen uit het verschil in toegekende indexatie van hun pensioenkapitaal ultimo
2014 tussen de 0,46% versus 2,40%, zijnde1,93%. Op basis van de jaarwerkbestanden van NN hebben wij echter vastgesteld dat de deelnemers in 2019 ook nog een indexatie hebben gekregen ad 0,8%. Dit houdt in dat het gemiste verschil in indexatie derhalve geen 1,93% bedraagt, maar1,13%.
De schade die [appellant] heeft geleden is vervolgens begroot op een bedrag van € 2.236.
۷3.32. Tijdens de zitting bij het hof is door Capgemini nader toegelicht dat, als het bedrag van € 3,2 miljoen niet zou zijn overgeheveld, dit bedrag in 2014 zou zijn aangewend voor indexatie in dat jaar. Dat volgt uit artikel 14 PR Pro, waarin dit is bepaald. [appellant] heeft niet, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist dat ieder jaar het opgebouwde bedrag uitgekeerd moest worden als aan de overige voorwaarden voor indexatie zou zijn voldaan.
Dat zou betekend hebben dat er in de jaren daarna geen toeslagen/indexaties meer verleend zouden zijn, omdat er in die jaren geen overrente meer is gerealiseerd. Dat blijkt zowel uit het memorandum als uit de notities van WTW. Gelet op het voorwaardelijke karakter van de indexaties, zou [appellant] dus in 2014 weliswaar een hogere indexatie hebben moeten ontvangen, maar zou hij daarna geen nadere indexaties meer hebben ontvangen. Uit het door Triple A opgestelde memorandum blijkt immers eveneens dat de overrente in de jaren vanaf 2015 nihil zou zijn geweest.
3.33.
[appellant] heeft evenmin gemotiveerd betwist dat het GBD in 2023 zou zijn beëindigd, ook als het bedrag van € 3,2 miljoen niet uit het GBD zou zijn overgeheveld naar het kostendepot. [appellant] heeft immers niet, althans onvoldoende gemotiveerd, bestreden dat is voldaan aan de in de aanvullende overeenkomst opgenomen bepaling dat de negatieve overrente in 2022 meer bedroeg dan 5% van de netto premiereserve en bovendien het gemiddelde van de laatste 3 jaren meer bedroeg dan 5% van de netto premiereserve. Ook uit de brief die NN op 23 november 2023 over de beëindiging van de winstdelingsregeling aan Capgemini heeft gestuurd, blijkt dat sprake was van een negatieve overrente in de jaren 2020, 2021 en 2023 van respectievelijk circa € 1,7 miljoen, € 2,8 miljoen en € 22 miljoen.
[appellant] zou dus ook indien er nog een mogelijkheid zou hebben bestaan om pensioen aan te kopen binnen het GBD (tegen de dan geldende marktrente) en ook indien het bedrag van € 3,2 miljoen niet zou zijn overgeheveld, geen nadere toeslagen meer hebben ontvangen. Dit geldt zowel voor het opgebouwde pensioenkapitaal als voor de met dit kapitaal aangekochte pensioenuitkeringen.
3.34.
Indien en voor zover [appellant] heeft willen aanvoeren dat het Capgemini niet vrij stond om een clausule, op grond waarvan de voorwaardelijke toeslagregeling zou kunnen worden beëindigd, op te nemen in de pensioenverzekeringsovereenkomst van 27 maart 2006 en de aanvullende overeenkomst van 12 juli 2018, geldt het volgende. [appellant] heeft in de hoofdprocedure niet aangevoerd dat het Capgemini niet vrij stond om deze beëindigingsclausule overeen te komen met NN, althans dat Capgemini door die clausule overeen te komen niet zou hebben gehandeld overeenkomstig de eisen van goed werkgeverschap. Zoals het hof in rechtsoverweging 3.33. van het arrest van 18 april 2023 heeft overwogen, is niet in geschil dat NN op grond van de uitvoeringsovereenkomst bevoegd was om de voorwaardelijke indexatieregeling te beëindigen. [appellant] kan die stelling daarom ook niet meer innemen in de onderhavige schadestaatprocedure. Eventuele schade die daaruit voortvloeit moet dan ook voor rekening van [appellant] blijven.
3.35.
Het voorgaande betekent dat het hof bij de vaststelling van de schade slechts uit zal gaan van de toeslag die [appellant] heeft gemist doordat € 3,2 miljoen uit het GBD is overgeheveld naar het kostendepot.
3.36.
Evenals de kantonrechter gaat het hof daarbij uit van het door Triple A genoemde percentage van 2,41%. Het hof sluit zich ook aan bij de conclusie van de kantonrechter onder 5.11. en 5.12. van het vonnis van 19 februari 2025 dat [appellant] als gevolg van de overheveling van de € 3,2 miljoen uit het GBD in 2014 slechts een toeslagmogelijkheid van 1,95% (2,41% - 0,46%) heeft gemist. Daar moet de toegekende toeslag in 2019 van 0,8% nog van worden afgetrokken, omdat deze toeslag vanwege de hogere kosten niet mogelijk was geweest als de € 3,2 miljoen in 2014 niet uit het GBD was onttrokken. De gemiste toeslag bedraagt daarom (2,41% - de toeslag van 2014 (0,46%) - de toeslag van 2019 (0,8%)) = 1,15%. Dit percentage moet worden vermenigvuldigd met het gegarandeerde/verzekerde eindkapitaal van [appellant] . Het hof gaat daarbij evenals de kantonrechter uit van het door Capgemini genoemde (hogere) bedrag van € 197.843, wat leidt tot een schade van € 2.275,20 (1,15% x 197.843).
3.37.
Andere schade die Capgemini, als gevolg van de gebeurtenissen die [appellant] in de hoofdprocedure heeft aangedragen, aan [appellant] moet vergoeden is er niet.
Afwijzing verzoek deskundigenbenoeming
3.38.
Het bovenstaande brengt mee dat het verzoek van [appellant] om een deskundige te benoemen om de schade vast te stellen zal worden afgewezen, omdat het hof aan de hand van de hierboven vermelde uitgangspunten en de door partijen in het geding gebrachte rapporten de schade zelf heeft kunnen vaststellen.
Afwijzing incidentele vordering
3.39.
[appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat de brief, die hij op grond van het door hem gedane verzoek ex artikel 843a Rv wenst te ontvangen, tot een andere uitkomst zal leiden. Een eventuele schriftelijke bevestiging van NN dat per 2015 niet meer binnen het GBD (tegen een rekenrente van 4%, dan wel 3%) kon worden ingekocht, verandert immers de hierboven weergegeven oordelen van het hof over de door [appellant] geleden schade niet. Overigens heeft Capgemini aangevoerd dat de brief van 18 oktober 2019 het stuk is waarvan [appellant] overlegging heeft gevorderd, dat die brief al in deze procedure is overgelegd door Capgemini en dat er geen andere brief is. Het verzoek dat [appellant] ex artikel 843a Rv heeft gedaan, zal om deze redenen worden afgewezen.
Geen kennisneming van productie 2 bij incidentele akte ex artikel 843a Rv
3.40.
Het hof zal evenmin als de kantonrechter kennis nemen van productie 2 die door [appellant] is overgelegd bij incidentele akte ex artikel 843a Rv. Het gaat hier om een omvangrijke productie, waarbij [appellant] niet heeft gesubstantieerd welke concrete passage uit die productie dient ter onderbouwing van welke stelling en waarom. Daarom gaat het hof daaraan voorbij.
Verwerping overige stellingen en geen bewijslevering
3.41.
De overige grieven en (daarin besloten liggende) stellingen van [appellant] hoeven, voor zover zij niet zijn besproken, niet besproken te worden, omdat zij niet tot een andere conclusie kunnen leiden. Ook het door [appellant] gedane bewijsaanbod wordt verworpen, omdat datgene wat te bewijzen is aangeboden, indien dat bewezen zou worden, niet tot een andere conclusie kan leiden.
De conclusie
3.42.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [1]
Deze proceskostenveroordeling kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 19 februari 2025;
4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Capgemini:
€ 6.803 aan griffierecht
€ 9.414 aan salaris van de advocaat van Capgemini (2 procespunten x het toepasselijke tarief VI)
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.B. Boorsma, A.E.F. Hillen en T. Zuiderman, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.