De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland over het gezamenlijk gezag en de omgangsregeling van haar minderjarige kind, geboren in 2015. De vader is erkend als ouder en de minderjarige verblijft sinds een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing bij de stiefvader. De gecertificeerde instelling (GI) heeft een brief gestuurd waarin zij aangeeft dat de minderjarige bij de stiefvader zal blijven wonen, maar heeft onvoldoende informatie verstrekt over het opgroeiperspectief en de gevolgen daarvan voor het gezag en de zorgverdeling.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof vastgesteld dat de GI niet aanwezig was en geen schriftelijke informatie had aangeleverd, waardoor het hof zich geen goed beeld kon vormen van de situatie. De ouders hebben aangegeven open te staan voor hulpverlening om hun communicatie te verbeteren. Het hof acht het daarom niet verantwoord om zonder deze essentiële informatie een beslissing te nemen en wijst de behandeling aan.
Het hof heeft de GI als belanghebbende aangemerkt en verzocht uiterlijk 9 september 2026 schriftelijk te informeren over haar standpunt. De zaak wordt voortgezet na ontvangst van deze informatie. Tevens zal het hof de minderjarige per brief informeren over de aanhouding van de behandeling.