ECLI:NL:GHARL:2026:3679

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
200.360.679
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 3 BWArt. 7:671c BWArt. 7:611 BWArt. 6:248 BWArt. 7:699 lid 3 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen met toekenning transitievergoeding

Alfa Laval Nijmegen B.V. (ALN) heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer vanwege bedrijfseconomische redenen. De kantonrechter had het verzoek afgewezen omdat ALN onvoldoende had onderbouwd dat de arbeidsplaats van de werknemer moest vervallen, mede vanwege onduidelijkheid over de toepassing van het afspiegelingsbeginsel. De werknemer had een tegenverzoek ingediend wegens ernstig verwijtbaar handelen van ALN, maar dit werd afgewezen.

In hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat ALN het afspiegelingsbeginsel correct heeft toegepast en voldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 augustus 2026 wegens het vervallen van de arbeidsplaats. De werknemer heeft recht op de wettelijke transitievergoeding, maar geen billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen. Verzoeken tot pensioenschadevergoeding, salarisverhoging, outplacementvergoeding, vergoeding van advocaatkosten en behoud van vakantiedagen zijn afgewezen.

Het hof benadrukt dat ALN voldoende heeft gedaan om de werknemer te herplaatsen, ondanks diens terughoudendheid ten aanzien van functies in het buitenland en lagere salarissen. De arbeidsovereenkomst eindigt derhalve op grond van bedrijfseconomische redenen met toekenning van de transitievergoeding, en de werknemer wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 augustus 2026 wegens bedrijfseconomische redenen met toekenning van de wettelijke transitievergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.679
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen: 11671308
beschikking van 8 juni 2026
in de zaak van
Alfa Laval Nijmegen B.V.
die is gevestigd in Nijmegen
hierna: ALN
advocaat: mrs. S.A. Poelman en C. Jacobs
en
[verweerder]
die woont in [woonplaats]
hierna: [verweerder]
advocaat: mr. R.K.A. Kop

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
ALN heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, op 24 juli 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift tevens voorwaardelijk incidenteel appel
  • het verweerschrift in het voorwaardelijk incidenteel appel
1.2.
Op 29 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd beschikking te geven.

2.De kern van de zaak

2.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of een redelijke grond voor ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst aanwezig is.
2.2.
ALN heeft bij de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege bedrijfseconomische redenen (artikel 7:699 lid 3 sub a BW Pro, a-grond), subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:699 lid 3 sub g BW Pro, g-grond).
2.3.
[verweerder] heeft een tegenverzoek gedaan. Omdat hij van mening is dat ALN bij de reorganisatie en het voorgenomen ontslag ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, heeft hij de kantonrechter (ook) verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst en daarbij te bepalen dat hem een billijke vergoeding wordt toegekend wegens het onterechte ontslag. Verder maakt hij aanspraak op de transitievergoeding, betaling van nakoming van de vergoedingen uit het Sociaal Plan, vergoeding van de juridische kosten, een opzegtermijn van drie maanden, vergoeding voor pensioenschade en opheffing van het concurrentie- en relatiebeding.
2.4.
De kantonrechter heeft het verzoek van ALN tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de a-grond afgewezen. Volgens de kantonrechter heeft ALN voldoende aangetoond dat zij op grond van bedrijfseconomische redenen genoodzaakt was haar organisatie doelmatiger in te richten, met als gevolg dat arbeidsplaatsen kwamen te vervallen. Maar ALN heeft onvoldoende onderbouwd dat de arbeidsplaats van [verweerder] als gevolg van de reorganisatie moest komen te vervallen, nu zij niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe zij het afspiegelingsbeginsel heeft toegepast. Ook het subsidiaire verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond is afgewezen omdat volgens de kantonrechter geen sprake is van een ernstige en duurzame verstoorde arbeidsrelatie, waarvan geen herstel mogelijk is. ALN heeft te weinig gedaan om tot een oplossing van de (volgens haar) verstoorde arbeidsverhouding te komen.
2.5.
Het tegenverzoek van [verweerder] is toegewezen op grond van artikel 7:671c BW. In zo’n geval is de werkgever/ALN de transitievergoeding alleen verschuldigd als sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Voor de toekenning van een billijke vergoeding geldt hetzelfde. De kantonrechter is van oordeel dat ALN niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zodat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding of een billijke vergoeding.
De overige tegenverzoeken zijn afgewezen, behalve het verzoek met betrekking tot het concurrentie- en relatiebeding. De kantonrechter heeft zijn oordeel over de pensioenschade aangehouden, omdat [verweerder] had verzocht de gelegenheid te krijgen zijn verzoek in te trekken als aan de ontbinding geen billijke vergoeding zou worden verbonden. [verweerder] heeft zijn tegenverzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingetrokken, zodat de arbeidsovereenkomst in stand is gebleven en eventueel geleden pensioenschade niet meer aan de orde is gekomen.
2.6.
De bedoeling van het principaal hoger beroep van ALN is dat het afgewezen verzoek alsnog wordt toegewezen en dat het hof een tijdstip bepaalt waarop de arbeidsovereenkomst eindigt. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (mocht de arbeidsovereenkomst worden ontbonden) van [verweerder] heeft betrekking op de vergoedingen waar hij ook in zijn tegenverzoek bij de kantonrechter om had verzocht (zie 2.3.). Bovendien heeft hij verzoeken gedaan die betrekking hebben op loonsverhoging en verlofdagen.
2.7.
Het hof zal bepalen dat het principaal hoger beroep van ALN slaagt en het incidenteel hoger beroep van [verweerder] faalt. Het vonnis van de kantonrechter blijft dus niet in stand. De arbeidsovereenkomst eindigt per 1 augustus 2026. De grond voor die beëindiging is het vervallen van de arbeidsplaats vanwege bedrijfseconomische redenen (de a-grond). De verzoeken van [verweerder] zullen worden afgewezen. Het hof licht hieronder toe hoe het tot deze uitkomst komt.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

achtergrond van het geschil
3.1.
ALN maakt onderdeel uit van de wereldwijde Alfa Laval groep. ALN legt zich toe op de ontwikkeling, verkoop en productie van inert gas systems (IGS) en exhaust gas systems (EGS) voor toepassingen in de maritieme sector. De activiteiten van ALN behoren binnen de Alfa Laval groep tot de Business Unit Heat & Gas Systems (BU HGS), onderdeel van de binnen de groep te onderscheiden Divisie Marine Business. ALN dient daarbij ook als servicelocatie ten behoeve van de BU HGS.
3.2.
Op 17 november 2014 is [verweerder] bij ALN in dienst getreden. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van Senior Process System Engineer tegen een maandsalaris van € 6.042,28 bruto.
3.3.
Op 12 september 2024 is door ALN (in de persoon van Managing Director [naam1] ) een adviesaanvraag voor een reorganisatie ingediend bij de Ondernemingsraad. Daarin staat het voornemen om de aan IGS gerelateerde activiteiten geheel te staken en de aan EGS gerelateerde activiteiten vanuit de onderneming in Denemarken (Aalborg) en China (Qingdao) te verrichten. ALN zou dan enkel nog als servicelocatie ten behoeve van de BU HGS blijven voortbestaan, waardoor ruim 50 arbeidsplaatsen binnen ALN vervallen.
3.4.
Op 26 september 2024 heeft ALN een melding in de zin van de Wet melding collectief ontslag gedaan. De Ondernemingsraad heeft op 30 oktober 2024 een positief advies uitgebracht en heeft het Sociaal Plan ondertekend.
3.6.
Op 28 oktober 2024 heeft ALN voor 51 boventallige werknemers, onder wie [verweerder] , een voorlopige ontslagaanvraag (formulier A) ingediend bij het UWV. Op 29 oktober 2024 zijn individuele gesprekken gevoerd met alle werknemers van wie de arbeidsplaats zou komen te vervallen.
3.7.
[verweerder] heeft op 31 oktober 2024 verder gesproken met [naam2] (Manager System Development) en [naam3] (HR Business Partner). In dat gesprek zijn de gevolgen van de reorganisatie, waaronder herplaatsing, aan bod gekomen en heeft [verweerder] nog specifieke vragen gesteld, die de advocaat van ALN per mail van 6 november 2024 heeft beantwoord. Ook heeft de afdeling HR van ALN op die datum per e-mail drie vacatures gestuurd aan alle medewerkers die door de reorganisatie hun functie zouden verliezen. [verweerder] heeft over deze vacatures vragen aan ALN gesteld, waarna een gesprek met HR van ALN heeft plaatsgevonden.
3.8.
Op 14 november 2024 vond een gesprek plaats tussen de recruiter van ALN, [naam4] en [verweerder] , naar aanleiding van een door [verweerder] getoonde interesse in de vacante functie van Process Engineer (Service). Na afloop van het gesprek heeft [verweerder] [naam4] per e-mail laten weten dat hij over de functie zal nadenken en in dat verband gevraagd of de nieuwe functie onder zijn bestaande contract wordt voortgezet of dat er opnieuw over salaris en arbeidsvoorwaarden moet worden onderhandeld.
3.9.
[naam5] (HR Business Partner ALN) heeft [verweerder] op 18 november 2024 aanvullende informatie over de functie van Process Engineer (Service) verstrekt en aangegeven dat de werkzaamheden minder complex zouden zijn dan de (vervallen) functie van [verweerder] en de functie daardoor ook lager was ingeschaald en dat de inschaling de komende jaren niet zou worden verhoogd. Op 20 en 21 november 2024 hebben [naam5] en [verweerder] hierover via Teams gesproken. [verweerder] gaf aan door de verandering in het operationele takenpakket en het lagere salaris te twijfelen of hij wel formeel zou gaan solliciteren. [verweerder] heeft uiteindelijk niet (meer) gesolliciteerd.
3.10.
De organisatiewijzigingen binnen ALN zijn per 1 december 2024 geëffectueerd.
Daarbij is boventallige werknemers gevraagd om nog enige tijd werkzaamheden te blijven verrichten.
3.11.
Op 12 december 2024 heeft [naam5] via de advocaat van [verweerder] een nieuwe vacature voor de functie van Development Engineer binnen de afdeling Service Technology & Warranty onder de aandacht gebracht. [verweerder] heeft niet op deze vacature gereageerd.
3.12.
Het UWV heeft op 7 februari 2025 op de ontslagaanvraag beslist. Volgens het UWV heeft ALN aannemelijk gemaakt dat sprake is van bedrijfseconomische redenen om arbeidsplaatsen te laten vervallen, maar zij heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat daarmee specifiek de arbeidsplaats van [verweerder] komt te vervallen. Door deze onduidelijkheid heeft het UWV niet kunnen vaststellen of het afspiegelingsbeginsel – en daarmee de ontslagvolgorde – juist is toegepast bij de voordracht van het ontslag. Het UWV heeft ook de herplaatsingsinspanningen van ALN onvoldoende geacht. Van een redelijke grond voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst is volgens UWV geen sprake en het UWV heeft dan ook de toestemming om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op te zeggen geweigerd.
3.13.
[naam5] heeft vervolgens in een e-mail van 14 maart 2025 [verweerder] voor een herplaatsingsgesprek op 17 maart 2025 uitgenodigd. Zij heeft als bijlage bij dit e-mailbericht een overzicht van alle (circa 392) vacatures binnen de groep van Alfa Laval gevoegd. Ook heeft zij nog de vacatureteksten van vier binnen deze groep openstaande vacatures gevoegd, omdat zij meende dat deze gelet op de huidige rol van [verweerder] passend waren. [naam5] heeft [verweerder] verzocht om alvast na te denken over zijn herplaatsingsvoorkeuren, zoals een acceptabel salarisniveau en de landen waar naartoe hij bereid zou zijn te verhuizen.
3.14.
[verweerder] heeft in zijn e-mailbericht van 20 maart 2025 aan [naam5] (met cc aan [naam1] ) gereageerd op de ontvangen notulen van dit gesprek. Hij heeft niet, zoals ALN hem had verzocht, de gehele lijst van 392 vacatures van de internationale Alfa Laval organisatie doorgenomen omdat herplaatsing volgens hem de verantwoordelijkheid van de werkgever is en hij zijn eigen functie wil behouden wat dus niet met elkaar te rijmen is. Verder heeft hij laten weten geen interesse te hebben in de vier door ALN aangedragen functies, omdat het om typisch mechanical engineer functies gaat en hij geen diepgaande kennis van mechanische constructies heeft. Dit nog los van het feit dat dit functies in het buitenland zijn terwijl hij heeft besloten geen buitenlandse functies te accepteren, aldus [verweerder] .
3.15.
[naam5] heeft in reactie hierop in haar e-mail van 25 maart 2025 [verweerder] nog gewezen op twee andere vacatures, die van Technical Specialist Marine (Breda) en Global Technical Specialist (Service) (Nijmegen). [verweerder] laat dezelfde dag weten onvoldoende interesse te hebben; hij geeft de voorkeur aan het behoud van zijn eigen functie.
3.16.
Op 7 april 2025 is bij de rechtbank Gelderland het verzoek van ALN tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst binnengekomen. Bij beschikking van 24 juli 2025 heeft de kantonrechter in die rechtbank het verzoek afgewezen. Het verzoek tot ontbinding namens [verweerder] heeft de kantonrechter toegewezen, maar is door [verweerder] op 29 juli 2025 ingetrokken.
3.17.
Op 17 april 2025 is [verweerder] verzocht zijn nog resterende taken, in overleg met [naam2] , af te ronden en over te dragen, waarna hij per 28 april 2025 zou worden vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden.
3.18
Op 21 augustus 2025 vindt een gesprek plaats tussen [verweerder] , [naam5] en [naam1] , waarin [verweerder] heeft verteld over ingrijpende gebeurtenissen in zijn privéleven. Ook heeft hij aangegeven dat de hele procedure rond de reorganisatie hem zwaar viel en hij spanningsklachten ervaarde. In dit gesprek heeft ALN de opties na de uitspraak van de kantonrechter met [verweerder] gedeeld (functie van ‘Process Engineer Service’, een vaststellingsovereenkomst, hoger beroep tegen uitspraak kantonrechter) en is over mediation gesproken. Over wat hierna is afgesproken verschillen partijen van mening. Volgens [verweerder] was het de bedoeling dat hij op 26 augustus 2025 weer op het werk zou verschijnen, maar [naam1] verkeerde in de veronderstelling dat hij had gezegd dat ALN en [verweerder] pas weer op 29 augustus 2025 verder zouden praten. Toen [verweerder] op 26 augustus 2025 verscheen is hem verzocht weer naar huis te gaan.
3.19.
In een e-mail van 25 augustus 2025 van [naam5] aan [verweerder] heeft [naam5] , hoewel zij uit het gesprek van 21 augustus 2025 had begrepen dat [verweerder] geen belangstelling had voor de functie van Process Engineer Service, [verweerder] op zijn verzoek toch een functieomschrijving van deze vacante functie gestuurd. Verder schrijft [naam5] dat ALN nog heeft bezien of er alternatieve mogelijkheden voor herplaatsing voor [verweerder] zijn, maar dat die mogelijkheden ontbreken.
3.20.
Als reactie hierop heeft [verweerder] in zijn e-mailbericht van 29 augustus 2025 aan [naam5] laten weten dat hij geen interesse heeft in deze ‘aanzienlijk lager ingeschaalde, niet passende functie’ (een operationele functie die te veel van zijn huidige functie afwijkt). Hij blijft beschikbaar voor zijn eigen functie van Senior Process System Engineer en is bereid die werkzaamheden met volle inzet weer op te pakken.
3.21.
Tijdens het (vervolg)gesprek op 29 augustus 2025 hebben partijen overleg gevoerd over de in rov. 3.18. genoemde voorstellen van ALN. In dit gesprek tracht [verweerder] duidelijk te maken dat hij een functiewijziging niet zal accepteren als die niet passend is, maar dat hij wel bereid is gewijzigde werkzaamheden uit te voeren. [verweerder] heeft zijn bereidheid voor een mediation uitgesproken.
3.22.
[verweerder] heeft zich per 8 september 2025 ziekgemeld.
3.23.
In de weken nadien zijn partijen het eens geworden over het inzetten van mediation. De mediation heeft echter niet tot een oplossing tussen partijen geleid.
beoordeling
3.24.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is (artikel 7:669 lid 3 BW Pro). Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW Pro). ALN heeft aan haar verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] als gezegd primair bedrijfseconomische redenen ten grondslag gelegd (a-grond), subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en meer subsidiair de combinatiegrond (i-grond).
de beoordeling van de a-grond
3.25.
ALN beroept zich primair op ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] vanwege bedrijfseconomische redenen. De kantonrechter heeft in rov. 4.8 van zijn bestreden vonnis geoordeeld dat, gelet op de ondernemingsvrijheid die ALN toekomt, ALN voldoende heeft toegelicht en onderbouwd hoe zij tot de uitgevoerde organisatiewijziging heeft kunnen komen. Ook zonder een verlieslatende situatie, die hier volgens de kantonrechter wel aan de orde is, mag een werkgever besluiten haar organisatie doelmatiger in te richten, met als gevolg dat arbeidsplaatsen komen te vervallen, aldus de kantonrechter. Tegen dit oordeel zijn geen (principale/incidentele) grieven gericht, zodat vaststaat dat ALN op bedrijfseconomische redenen tot reorganisatie van de in rov. 3.3. van dit arrest genoemde onderdelen van ALN mocht overgaan. ALN is in hoger beroep wel opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat ALN onvoldoende heeft onderbouwd dat de arbeidsplaats van [verweerder] is komen te vervallen (rov. 4.14). ALN heeft volgens de kantonrechter niet alleen onvoldoende onderbouwd toegelicht waarom deze arbeidsplaats op grond van het afspiegelingsbeginsel moet komen te vervallen, maar ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen voor de afspiegeling zijn wanneer bijvoorbeeld collega [naam6] buiten de categorie uitwisselbare functies zou vallen, zoals [verweerder] heeft bepleit.
3.26.
Het hof is van oordeel dat ALN in hoger beroep voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat het afspiegelingsbeginsel op grond van de artikelen 11 en 13 van de Ontslagregeling correct is nageleefd en dat als gevolg van de reorganisatie binnen de door haar vastgestelde categorie uitwisselbare functies 'Process Engineer (Research & Development)' drie van de vijf arbeidsplaatsen komen te vervallen. Functies zijn uitwisselbaar als die (i) vergelijkbaar zijn wat betreft de inhoud en de voor de functie vereiste kennis, vaardigheden en competenties en (ii) gelijkwaardig zijn wat betreft het niveau en de beloning. Gezien de toelichting van ALN op de te vervallen functies samen met productie 1 van het beroepschrift en in combinatie met de overgelegde functieomschrijving voor een Senior System Engineer, heeft ALN de samenstelling van de categorie uitwisselbare functies ( [naam7] , [verweerder] , [naam6] , [naam8] en [naam9] ) voldoende onderbouwd. Daaruit volgt dat de arbeidsplaatsen van [naam7] , [verweerder] en [naam8] vervallen en de arbeidsplaatsen van [naam9] en [naam6] behouden blijven. Volgens [verweerder] hadden [naam6] (gelet op zijn mechanische aandachtsgebied) en [naam8] (gelet op zijn detachering) niet in de categorie uitwisselbare functies mogen worden opgenomen en [naam10] juist wel (verrichtte zelfde type werkzaamheden). ALN heeft haar keuze echter voldoende inzichtelijk toegelicht. [naam6] verrichtte als (Mechanical) Process Engineer werkzaamheden op het senior niveau met een gelijke beloning als de andere vier collega’s uit hetzelfde team onder leiding van [naam2] . Hoewel [naam6] over sterke capaciteiten beschikt die ALN aanduidt als ‘mechanical’, is hij net als zijn collega’s ook werkzaam aan de ‘process’-kant. Voor het hof is het goed te volgen dat ALN [naam6] binnen de Service afdeling in Nijmegen wilde behouden, gelet op zijn ‘mechanical’ inbreng wat als meerwaarde wordt beschouwd voor ALN als service-onderdeel van het concern. [naam8] was weliswaar gedetacheerd bij Alfa Laval Rotterdam B.V., maar zou terugkomen, wat bij gebrek aan budget ook is gebeurd. [naam10] is niet in de lijst opgenomen omdat hij binnen ALN weliswaar eenzelfde type werkzaamheden verrichtte als [naam7] , [verweerder] , [naam6] en [naam9] , maar dat deed hij op junior niveau en tegen een lager salaris, onder leiding van [naam9] . De uitwisselbare functies met [verweerder] zijn functies op senior niveau, zodat de keuze van ALN om [naam10] niet in deze categorie op te nemen goed te volgen is.
3.27.
[verweerder] meent dat er nog meer haken en ogen aan het door ALN toegepaste afspiegelingsbeginsel zitten. ALN had de inzet van [naam11] als extern ingehuurde process engineer eerst moeten beëindigen alvorens het dienstverband met vaste werknemers ter discussie werd gesteld. ALN heeft daartegen onvoldoende weersproken ingebracht dat [naam11] een door haar ingehuurde uitzendkracht is, die tot augustus 2025 op een junior niveau en tegen veel lagere kosten – het hof begrijpt: op een lager salarisniveau – taken verrichtte, bovendien niet voor ALN maar voor de afdeling Air Lubrication en daarmee ten behoeve van een andere business unit, die buiten de reorganisatie valt.
De functies van [naam12] en [naam13] zijn volgens [verweerder] uitwisselbaar met zijn functie. ALN heeft voldoende toegelicht waarom dat in haar ogen niet zo is. [naam12] en [naam13] waren werkzaam op de afdeling Service en niet (zoals [verweerder] en de andere vier collega’s uit de lijst van ALN) op de afdeling Research & Development. Het is de keuze van de ondernemer (ALN) om deze functies onderdeel uit te laten maken van de afdeling Service.
Volgens [verweerder] had [naam14] in de categorie uitwisselbare functies opgenomen moeten worden. Hij werkte net als [naam8] (die wel is opgenomen) vanuit de vestiging in Rotterdam als Process Engineer voor Air Lubrication.
ALN heeft in de procedure bij het UWV voldoende toegelicht dat werknemers van Alfa Laval Rotterdam die bij ALN op de payroll staan, maar buiten deze administratieve payrolldienstverlening geen binding hebben met ALN en géén arbeidsplaats binnen ALN hebben (anders dan [naam8] ), buiten de afspiegeling van ALN zijn gehouden. [naam14] is hier één van.
3.28.
[verweerder] heeft nog naar voren gebracht dat ALN geen rekening heeft gehouden met paragraaf 1.3.2 van de uitvoeringsregels van het UWV, die voorschrijft dat in internationale situaties de werkgever de noodzaak tot het vervallen van arbeidsplaatsen moet onderbouwen. Volgens [verweerder] was dit nodig omdat de internationale afdeling System Development, waartoe hij behoort, juist opgericht was om uitwisselbaarheid van werknemers te creëren tussen Aalborg en Nijmegen.
3.29.
Het hof gaat hier niet in mee. Net als de kantonrechter is het hof van oordeel dat ALN een zelfstandige, nationale, bedrijfsvestiging is binnen de groep van Alfa Laval.
De werknemers die voor Alfa Laval Aalborg werkzaam zijn, zijn bij deze onderneming in dienst. Op een buitenlandse vestiging zoals die in Aalborg is het Nederlands
recht niet van toepassing. Tegen deze overweging van de kantonrechter is bovendien niet door [verweerder] gegriefd.
3.30.
Het hof is verder van oordeel dat de situatie niet anders wordt als bijvoorbeeld [naam6] (als hem bijvoorbeeld een unieke functie zou zijn toebedeeld) uit de categorie uitwisselbare functies Process Engineer (Research & Development) zou vallen, zoals [verweerder] heeft betoogd met verwijzing naar een eigen afspiegelingsberekening.
Volgens ALN zou [naam6] zonder meer in de nieuwe organisatie terugkeren omdat zijn ‘mechanical’ expertise voor de nieuwe serviceafdeling van groot belang is. Binnen de categorie uitwisselbare functies Process Engineer (Research & Development) zou in dat geval sprake zijn van vier arbeidsplaatsen, waarvan dan binnen ALN één arbeidsplaats zou
resteren. Omdat [naam6] dan beschikbaar blijft, hoeven er niet twee arbeidsplaatsen voor als process engineers over te blijven binnen Research & Development. Binnen die categorie zouden dus alsnog drie arbeidsplaatsen komen te vervallen. ALN heeft dit voldoende inzichtelijk gemaakt met een bijbehorende afspiegelingsberekening die zij als productie 10 bij haar beroepschrift heeft overgelegd. Daaruit blijkt volgens het hof afdoende dat ook in het geval [naam6] uit de categorie uitwisselbare functies wordt gehaald, de arbeidsplaatsen van [naam9] en [naam6] overblijven en de arbeidsplaatsen van [verweerder] , [naam8] en [naam7] komen te vervallen.
3.31.
Uit het voorgaande volgt dat een redelijke ontslaggrond (de a-grond) aanwezig is. Vervolgens moet voor een geslaagd beroep op ontbinding beoordeeld worden of ALN voldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht.
herplaatsing
3.32.
[verweerder] stelt zich op het standpunt dat ALN tot 17 maart 2025 geen enkele herplaatsingsinspanning heeft verricht en de verantwoordelijkheid voor herplaatsing bij [verweerder] heeft neergelegd. Daarnaast zijn hem diverse passende vacatures niet aangeboden. [verweerder] noemt in dat verband (i) de vacature voor Senior Development Engineer die ontstond na het vertrek van [naam13] , (ii) de vacature voor Senior System Engineer in Aalborg (zijn feitelijke functie), die doelbewust buiten de officiële kanalen is gehouden, (iii) de functies van [naam15] en [naam16] , die beiden Senior Development Engineer zijn en vanuit Aalborg werken en (iv) de functie van [naam17] (Senior Development Engineer, Rotterdam).
[verweerder] acht het verder onbegrijpelijk dat hem nooit de mogelijkheid is geboden zijn eigen functie, die naar de vestiging in Aalborg is verplaatst, vanuit Nijmegen of Aalborg voort te zetten.
3.33.
Bij de beoordeling van de vraag of ALN heeft voldaan aan het herplaatsingsvereiste stelt het hof het volgende voorop. Volgens artikel 7:669 lid 1 BW Pro is opzegging van de arbeidsovereenkomst, ook indien daarvoor een redelijke grond bestaat, slechts toegestaan indien herplaatsing binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Van de werkgever wordt een actieve, op de persoon van de werknemer gerichte benadering gevergd, die inhoudt dat hij de werknemer actief begeleidt, initiërend te werk gaat en eventuele belemmeringen voor nieuwe functies wegneemt. Het ligt op de weg van de werkgever om te stellen – en zo nodig te bewijzen – dat hij heeft gedaan wat mogelijk was en wat in de rede lag om de werknemer te herplaatsen. Ten minste zal een op de persoon van de werknemer gerichte poging tot herplaatsing moeten worden gesteld. Gezien artikel 9 lid 2 van Pro de Ontslagregeling moeten, indien een onderneming tot een concern behoort, bij de beoordeling of een passende functie beschikbaar is, mede arbeidsplaatsen in andere tot het concern behorende ondernemingen worden betrokken. Van een passende functie is sprake wanneer deze aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer (artikel 9 lid 3 Ontslagregeling Pro). Toegespitst op de situatie van [verweerder] betekent het voorgaande dat ALN onderbouwd dient te stellen dat zij heeft gedaan wat mogelijk was en wat in de rede lag om [verweerder] te herplaatsen op een passende functie.
3.34.
Het hof oordeelt dat ALN dit voldoende heeft gedaan. Uit rov. 3.7. blijkt dat herplaatsing al eind oktober 2024 aan de orde is gesteld. Begin november 2024 heeft ALN drie vacatures aan alle medewerkers van ALN die bij de reorganisatie waren betrokken gestuurd. Op 14 november 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de recruiter [naam4] en [verweerder] over de vacante functie van Process Engineer (Service). Nadat [verweerder] aanvullende informatie over deze functie van [naam5] had ontvangen en in vervolg daarop enkele dagen later met haar over de vacature/functie heeft gesproken, heeft [verweerder] , gelet op het takenpakket en het lagere salaris, besloten niet op deze functie te solliciteren. Op de functie van Development Engineer binnen de afdeling Service Technology & Warranty, die [naam5] op 12 december 2024 onder de aandacht van de advocaat van [verweerder] heeft gebracht, heeft [verweerder] evenmin gereageerd. Dit bleek achteraf de functie te zijn van [naam13] . [verweerder] heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gezegd, dat hij in de veronderstelling verkeerde dat dit niet dezelfde functie was, gelet op een ander/lager salarisniveau en vakgebied. Vaststaat dat [verweerder] al in het gesprek eind oktober 2024 met [naam1] en [naam5] heeft gezegd dat de functie van [naam13] hem wel wat leek. Ook [naam1] leek deze mening toegedaan omdat hij deze functie specifiek onder de aandacht van [verweerder] , [naam10] en [naam8] heeft laten brengen, zoals hij tijdens de zitting desgevraagd heeft toegelicht. Onder deze omstandigheden had van ALN een meer proactieve houding mogen worden verwacht, waarbij zij de advocaat van [verweerder] met meer nadruk op de vacante vacature had moeten wijzen nu [verweerder] eerder had aangegeven dat hij oren naar deze functie had. Anderzijds had van [verweerder] ook verwacht mogen worden dat hij met [naam5] contact had opgenomen over de inhoud van deze functie. In plaats daarvan heeft hij zelf de conclusie getrokken dat deze functie niets voor hem was.
3.35.
Op 17 maart 2025 (nadat de UWV-procedure was afgerond) zijn partijen weer met elkaar om de tafel gaan zitten. In dat gesprek is aan [verweerder] gevraagd na te denken over een acceptabel salarisniveau en de landen waar naartoe hij bereid zou zijn om voor de vervulling van zijn werkzaamheden te verhuizen. Volgens ALN heeft [verweerder] daarop geantwoord dat hij minimaal een gelijkwaardig salaris als zijn huidige salaris wil en dat verhuizen veel impact heeft en ook aan werk voor zijn vrouw moet worden gedacht. [verweerder] heeft dit onvoldoende weersproken. Voorafgaand aan het gesprek heeft ALN [verweerder] een lijst gestuurd met 392 openstaande vacatures, met de vraag of hij wilde onderzoeken op welke vacature hij zou willen reflecteren. Naar aanleiding van het antwoord van [verweerder] op de vraag naar zijn voorkeuren, heeft ALN de vacaturelijst nogmaals doorgenomen en [verweerder] geattendeerd op de daarop voorkomende functies van Technical Specialist Marine (Breda) en Global Technical Specialist (Service) (Nijmegen) als mogelijk passende functies en hem de vacatureteksten toegestuurd.
3.36.
Zoals hiervoor (3.20) vermeld is op 21 augustus 2025 nog een andere vacante, mogelijk passende functie aangedragen, waarin [verweerder] geen interesse had.
3.37.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [verweerder] naar voren gebracht dat hij voor de functie die [naam18] nu in Aalborg vervult in aanmerking had kunnen komen, omdat dit nu juist zijn eigen functie was (system engineer). Daarvoor is hij echter niet uitgenodigd. Desgevraagd heeft ALN bevestigd dat deze functie [verweerder] niet is aangeboden omdat [verweerder] had gezegd dat hij niet naar het buitenland wilde verhuizen. Ook heeft [naam1] bevestigd dat deze functie niet bij de lijst van 392 vacatures zat die in maart 2025 aan [verweerder] is gestuurd. Volgens [naam1] is dat niet bewust gedaan. [verweerder] heeft aangevoerd dat hij deze functie goed vanuit Nederland had kunnen vervullen. Maar feit is nu eenmaal dat ALN heeft besloten dat deze functie vanuit Aalborg zou worden vervuld omdat zij de desbetreffende afdeling naar Aalborg had overgebracht. Bovendien kan [verweerder] de door ALN genoemde reden waarom zij hem niet op deze functie heeft geattendeerd niet plaatsen, omdat ALN hem wel vier andere vacante functies in het buitenland heeft toegestuurd. Het ging om twee functies in Denemarken en twee in China. Die waren overigens volgens hem niet passend omdat het mechanical engineer functies betroffen die buiten de business unit vielen (een ander vakgebied) waarin hij werkzaam is. Wat de beweegredenen van ALN op dat moment ook waren, als onweersproken staat vast dat [verweerder] heeft uitgesproken dat hij om persoonlijke redenen niet naar het buitenland wilde verhuizen.
ALN is tijdens de zitting ook nog ingegaan op de functies die [verweerder] hiervoor (zie 3.32) onder (iii) en (iv) heeft genoemd. ALN heeft de functies van [naam15] en [naam16] niet passend geacht omdat die vanuit het kenniscentrum in Aalborg worden verricht en [verweerder] te kennen heeft gegeven niet naar het buitenland te willen verhuizen. [naam17] vervult bij Alfa Laval Rotterdam een specialistische rol in ‘Air Lubrication’ en zij beschikt over een PhD van de TU Delft. [verweerder] heeft deze kennis en kunde niet, zodat ook deze functie niet passend is.
3.38.
Van ALN kan naar het oordeel van het hof, gelet op de hiervoor uiteengezette pogingen die zij heeft ondernomen om [verweerder] te herplaatsen, niet gezegd worden dat zij geen inspanningen op dat vlak heeft verricht. Die inspanningen acht het hof voldoende om tot het oordeel te komen dat ALN aan haar inspanningsverplichting om [verweerder] te herplaatsen heeft voldaan. ALN had weliswaar pro-actiever kunnen handelen bij de functie van [naam13] die zij aan de advocaat van [verweerder] had gestuurd, en niet duidelijk is geworden waarom de functie van [naam18] [verweerder] niet is aangeboden terwijl zij andere functies in het buitenland wel onder zijn aandacht bracht, maar daartegenover staat dat ALN zich in diverse langdurige gesprekken serieus de moeite heeft getroost [verweerder] te herplaatsen. Dat dit uiteindelijk niet is gelukt, heeft ook te maken met het feit dat [verweerder] niet open stond voor een functie die in het buitenland moest worden vervuld en die qua salaris niet minstens gelijk stond aan zijn huidige salaris en niet dezelfde complexiteit had. Bij het hof is het beeld ontstaan dat [verweerder] zich niet bereid heeft getoond om te opteren voor een andere functie dan die hij bekleedde, tenzij onder minstens vergelijkbare voorwaarden qua salaris en functie-inhoud. Dat is echter een verdergaande eis dan dat de functie aansluit bij zijn opleiding, ervaring en capaciteiten. Bovendien heeft [verweerder] diverse malen aangegeven een functie in het buitenland niet te ambiëren, omdat de sociale en financiële gevolgen te groot zijn. Indachtig deze voorkeuren heeft ALN serieus gezocht naar mogelijkheden en heeft zij op de persoon van [verweerder] gerichte pogingen gedaan om hem te herplaatsen.
einde van de arbeidsovereenkomst
3.39.
Het voorgaande leidt er toe dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden op de a-grond. Aan de beoordeling van de subsidiair aangevoerde ontslaggronden (de g-grond en de i-grond) komt het hof daarom niet meer toe
.
Gelet op de gehele gang van zaken rondom het einde van de arbeidsovereenkomst, ziet het hof aanleiding om de arbeidsovereenkomst niet direct te laten eindigen en de einddatum te bepalen op 1 augustus 2026. Nu [verweerder] niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, heeft hij recht op de wettelijke transitievergoeding. Het hof zal deze vergoeding toewijzen, maar kan de hoogte ervan niet berekenen omdat het hof niet over de benodigde gegevens beschikt voor de loonberekening. ALN zal [verweerder] niet houden aan de in de arbeidsovereenkomst neergelegde concurrentie en- relatiebedingen, zoals zij ook in hoger beroep heeft bevestigd. Het hof leest het dictum van het vonnis van de kantonrechter in samenhang met de overwegingen en constateert dan dat waar de kantonrechter spreekt over belemmerende bedingen, met name het relatie- en concurrentiebeding bedoeld worden en niet (bijvoorbeeld) het geheimhoudingsbeding. Daar blijft [verweerder] dus aan gebonden. In die zin is grief 7 overbodig.
de verzoeken van [verweerder]
geen billijke vergoeding
3.40.
Volgens [verweerder] heeft hij recht op een billijke vergoeding omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van ALN. [verweerder] maakt ALN in dat verband een aantal verwijten. Hij verwijt ALN in het proces van de reorganisatie halsstarrig en tegen beter weten te blijven volharden in het ontslag van [verweerder] , terwijl hij meer dan eens heeft aangetoond dat er geen reden was voor ontslag. ALN heeft hem steeds meer onder druk gezet en heeft hem ten onrechte op non-actief gesteld. Hij heeft niet om zijn ontslag gevraagd, wilde dat ook helemaal niet krijgen en was al helemaal niet uit op een verstoorde arbeidsrelatie wat ALN hem nu voor zijn voeten werpt. Het kan volgens [verweerder] niet zo zijn dat ALN geen bedrijfseconomische reden heeft om hem te ontslaan, maar wel weg komt met een ontbinding zonder billijke vergoeding. Verder voert [verweerder] aan dat was afgesproken dat hij zijn werkzaamheden op 26 augustus 2025 zou hervatten, maar dat hij op die dag door [naam1] op een uiterst onplezierige en onterechte wijze naar huis is gestuurd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft (de advocaat van) [verweerder] ook nog naar voren gebracht dat ALN onvoldoende re-integratieactiviteiten heeft gepleegd.
3.41.
Het hof volgt [verweerder] niet in zijn betoog. Gelet op wat hiervoor is overwogen, blijkt dat het hof de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de a-grond gerechtvaardigd acht. ALN heeft in redelijkheid kunnen besluiten tot de reorganisatie die zij heeft doorgevoerd en zij heeft in hoger beroep voldoende inzichtelijk gemaakt dat zij het afspiegelingsbeginsel juist heeft toegepast. Het hof begrijpt dat het voor [verweerder] een bittere pil is dat na een lang dienstverband zijn functie is weggeorganiseerd en dat hij erg teleurgesteld is dat ALN nu ook een ontslag wegens een verstoorde verhouding in stelling brengt, maar dat betekent niet dat ALN hierin een ernstig verwijt, dat tot toekenning van een billijke vergoeding moet leiden, kan worden gemaakt. Het is het hof niet gebleken dat ALN de a-grond heeft geënsceneerd en/of een valse grond voor ontslag heeft aangewend met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren. De maatstaf voor ernstig verwijtbaar handelen ligt echt veel hoger dan in de onderhavige situatie aan de orde is. Van moedwillig in strijd met de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst handelen of nalaten is naar het oordeel van het hof geen sprake. Dat geldt ook voor de non-actiefstelling op 17 april 2025 zoals [verweerder] dat noemt. Dat is niet direct juist, omdat hij per 28 april 2025 is vrijgesteld van werk met behoud van salaris, wat niet ongebruikelijk is bij een reorganisatie. In het gesprek van 21 augustus 2025 hebben partijen overlegd wanneer [verweerder] weer op het werk zou verschijnen. Daarover is blijkbaar een misverstand ontstaan (26 of 29 augustus 2025). Het hof begrijpt dat het voor [verweerder] onprettig is geweest dat (en hoe) hij op 26 augustus 2025 door [naam1] weer naar huis is gestuurd, maar ook dit wegsturen kan niet als ernstig verwijtbaar handelen van ALN worden gekwalificeerd. Het verwijt van [verweerder] dat ALN niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan, is onvoldoende onderbouwd zodat het hof daar aan voorbij gaat. Voor een billijke vergoeding is al met al geen plaats.
geen vergoeding pensioenschade
3.42.
[verweerder] verzoekt om vergoeding van zijn pensioenschade van
€ 163.941 als onderdeel van de billijke vergoeding maar ook op grond van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW Pro). Bovendien levert het beëindigen van zijn dienstverband (vooral als oudere werknemer) en hem laten zitten met pensioenschade strijd op met de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW Pro). De schade bestaat uit een bedrag van
€ 103.842 ten gevolge van gemiste premie-inleg door overgang naar de flat rate pensioenopbouw, vermeerderd met € 12.036 ten gevolge van een vrijwel zeker hogere eigen bijdrage bij een toekomstige werkgever, vermeerderd met € 16.718 gemiste premie inleg ten gevolge van een te verwachten langere periode van ziekte/werkloosheid, vermeerderd met
€ 31.346 ter compensatie van het fiscale nadeel dat een werknemer heeft bij eenmalige compensatie van deze schadebedragen tegen het hoogste belastingtarief.
3.43.
Zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van ALN met ontbinding tot gevolg. ALN heeft evenmin in het kader van de ontslagaanvraag als niet goed werkgever gehandeld. Ook overigens heeft [verweerder] te weinig gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat er sprake is van onrechtmatig handelen dan wel dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat pensioenschade moet worden vergoed. Het staat weliswaar vast dat de ontslagaanvraag door het UWV is afgewezen en dat de kantonrechter geen ontbinding op de a-grond heeft uitgesproken (vanwege het niet inzichtelijk maken van het afspiegelingsbeginsel), maar dat brengt niet mee dat sprake is van een van deze grondslagen. Als gezegd oordeelt het hof ook anders over de ontbinding dan het UWV en de kantonrechter. Het enkele feit dat de arbeidsovereenkomst ontbonden wordt vanwege bedrijfseconomische redenen vormt op zichzelf onvoldoende grond voor vergoeding van pensioenschade. Omdat een grondslag voor de toekenning voor pensioenschade ontbreekt, zal dit verzoek worden afgewezen.
geen salarisverhoging
3.44.
[verweerder] verzoekt ook om een verhoging van zijn salaris met 3%. Hij heeft per 1 januari 2025 slechts een verhoging van 1% gekregen en per 1 januari 2026 helemaal geen salarisverhoging. Die verhoging van 3% hebben zijn collega’s die niet in de reorganisatie waren betrokken, wel gekregen. [verweerder] heeft recht op een gelijke behandeling ten opzichte van zijn collega’s en dat recht wordt hem nu (reeds twee opvolgende jaren) onthouden. Het hof ziet dat anders. ALN heeft gemotiveerd onderbouwd waarom zij boventallige werknemers in 2025 niet geheel heeft willen uitsluiten, maar het voor salarisverhogingen beschikbare budget wel hoofdzakelijk heeft willen aanwenden voor de (niet boventallige) werknemers die geacht werden naar de toekomst toe voor ALN werkzaam te blijven. De keuze om boventallige werknemers per 1 januari 2025 een salarisverhoging van 1% te geven mocht ALN volgens het hof maken. Het gaat hier niet om gelijke gevallen en bovendien heeft ALN volgens het hof geen ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt. Anders dan [verweerder] stelt, heeft hij volgens ALN per 1 januari 2026 wél een salarisverhoging van 1% gekregen en dat is onweersproken gebleven.
sociaal plan
3.45.
[verweerder] wenst ook de outplacementvergoeding uit het Sociaal Plan en een retentiebonus over de door hem in 2025 gewerkte maanden te ontvangen. Dit verzoek zal worden afgewezen omdat ALN deze voorzieningen in het Sociaal Plan alleen toezegt aan boventallige werknemers met wie een vaststellingsovereenkomst is gesloten om tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen. [verweerder] heeft geen vaststellingsovereenkomst willen sluiten. [verweerder] heeft daarmee geen aanspraak op de outplacementvergoeding en evenmin op de retentiebonus.
geen vergoeding werkelijke advocaatkosten
3.46.
Omdat [verweerder] zowel in het principaal als in het incidenteel appel in het ongelijk zal worden gesteld, heeft hij geen recht op vergoeding van zijn kosten. Volgens [verweerder] heeft hij ook bij verlies recht op vergoeding van (daadwerkelijke) advocaatkosten. Het hof ziet daarvoor geen grond nu ALN in het gelijk zal worden gesteld.
vervallen van verlofdagen
3.47.
[verweerder] wenst ten slotte een verklaring voor recht dat zijn wettelijke vakantiedagen over 2025 per 1 juli 2026 niet komen te vervallen. Omdat hij aan zijn verdediging in de juridische procedures heeft moeten werken heeft hij geen verlof kunnen opnemen. Het hof vindt dit een onvoldoende reden en zal de verklaring voor recht niet uitspreken. Het is de eigen keuze van [verweerder] geweest om geen vakantie op te nemen. Het hof wil zeker geloven dat [verweerder] veel tijd en werk heeft besteed aan zijn verdediging, maar het is uiteindelijk zijn eigen keuze geweest om geen vakantiedagen op te nemen.
slotsom en proceskosten
3.48.
Het principaal hoger beroep van ALN slaagt. Het incidenteel hoger beroep van [verweerder] faalt. [verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld. Onder de kosten van het hoger beroep vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van deze uitspraak. Ook is ALN door de kantonrechter ten onrechte in de kosten veroordeeld en moet [verweerder] die terugbetalen.
3.49.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen, voor zover dit hierna in onderdeel 4 (het dictum) is vermeld, ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing in het principaal en in het incidenteel hoger beroep

Het hof:
in het principaal hoger beroep
4.1.
bepaalt het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt op 1 augustus 2026;
4.2.
veroordeelt ALN tot betaling van de wettelijke transitievergoeding aan [verweerder] ;
4.3.
veroordeelt [verweerder] tot terugbetaling van hetgeen ALN hem ter uitvoering van de betreden beschikking heeft betaald;
4.4.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van ALN bepaald op € 2.580,- voor salaris van de advocaat van ALN (2 punten x tarief II).
in het incidenteel hoger beroep
4.5.
verwerpt het beroep van [verweerder] ;
4.6.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van ALN bepaald op € 1.290,- voor salaris van de advocaat van ALN (1 punt x tarief II).
in het principaal en in het incidenteel hoger beroep
4.7.
verklaart de proceskostenveroordeling in het principaal hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad;
4.8.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.9.
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.A. van Rossum, R. Verkijk en R.J.A. Dil en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.