In deze civiele zaak staat centraal of geïntimeerde onverschuldigde betalingen heeft verricht aan de bankrekening van zijn eenmanszaak ten laste van de slagerij van de onderbewindgestelde, en of er een regresvordering bestaat betreffende de gezamenlijke huurovereenkomst.
De bewindvoerder van de onderbewindgestelde vordert terugbetaling van €48.405,95 aan onverschuldigde betalingen. Het hof oordeelt dat slechts twee overboekingen van in totaal €26.600 op 2 januari 2024 onverschuldigd zijn verricht, waarvan de helft is teruggestort. De overige betalingen zijn onvoldoende onderbouwd als onverschuldigd, mede vanwege het langdurige en complexe betalingsverkeer tussen partijen en het ontbreken van een sluitende administratie.
Ten aanzien van de regresvordering over de gezamenlijke huur van een winkelruimte vanaf april 2023, oordeelt het hof dat onvoldoende is gesteld en gebleken wat de interne afspraken waren over de verdeling van de huurbetalingen en welke bedragen daadwerkelijk zijn voldaan. Hierdoor wordt de regresvordering afgewezen.
De onderbewindgestelde wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep vanwege het beschermingsbewind. De kosten van beide instanties worden ieder door partijen zelf gedragen. De veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad.