Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3299

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
200.364.761/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:5 BWArt. 7:17 BWArt. 7:18 BWArt. 7:18a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt consumentenkoop en toewijzing schadevergoeding voor gebrekkige tweedehands boot

Eiser/appellant kocht van gedaagde een tweedehands boot die direct na levering onbestuurbaar bleek vanwege een defecte versnellingshandel. Daarnaast klaagde eiser over meerdere andere gebreken. De kantonrechter wees de vorderingen af, maar het hof oordeelde dat sprake was van consumentenkoop omdat gedaagde handelde binnen zijn handelsactiviteit.

Het hof stelde vast dat de boot niet aan de overeenkomst voldeed omdat de versnellingshandel vrijwel direct na levering faalde, wat een gevaar voor de verkeersveiligheid opleverde. Dit gebrek werd vermoed aanwezig te zijn bij aflevering, en gedaagde kon dit niet weerleggen. De klacht over de kap werd afgewezen omdat eiser bij inspectie zag dat deze niet nieuw was.

Verder erkende het hof dat diverse andere verborgen gebreken de normale bruikbaarheid van de boot belemmerden. Deze gebreken vielen onder het risico van gedaagde en de zaak werd verwezen naar schadestaat voor de hoogte van de schadevergoeding. Het hof veroordeelde gedaagde tot betaling van herstelkosten, transportkosten, wettelijke rente en proceskosten, en wees de rest van de vorderingen af.

Uitkomst: Het hof wijst gedeeltelijk schadevergoeding toe voor de defecte versnellingshandel en andere verborgen gebreken en veroordeelt gedaagde tot betaling van herstelkosten, rente en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.364.761/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 11692842
arrest van 26 mei 2026
in de zaak van
[appellant] ( [appellant] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. M. Smit
en
[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )
die woont in [woonplaats2]
niet verschenen

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen op 4 november 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de dagvaarding in hoger beroep en de daarin opgenomen grieven. [geïntimeerde] is in het hoger beroep niet verschenen. Tegen hem is daarom ‘verstek’ verleend.

2.De kern van de zaak en de procedure tot nu toe

2.1
[appellant] heeft van [geïntimeerde] een tweedehands boot gekocht waarmee hij onmiddellijk na de verkoop niet verder kon varen omdat de versnellingshandel niet meer werkte. Hij klaagt ook over andere gebreken en vordert schadevergoeding. Het hof zal hierna eerst kort de feitelijke en procedurele achtergrond schetsen en daarna thematisch de klachten beoordelen die [appellant] tegen het bestreden vonnis heeft aangevoerd.
2.2
In september 2024 heeft [geïntimeerde] via internet een boot van het merk en type Bayliner 2556 te koop aangeboden. Deze boot was 8 meter lang en 3 meter breed. In de advertentie stond dat de boot was voorzien van een nieuwe complete kap.
2.3
[appellant] heeft de boot voor € 10.000 van [geïntimeerde] gekocht. Van dit bedrag is € 6.000 in geld betaald en € 4.000 is voldaan door de inruil van een boot die [appellant] zelf al had.
2.4
Op 19 oktober 2024 is de boot in [plaats] aan [appellant] geleverd. Toen hij er 200 meter mee de haven was uitgevaren, is de boot onbestuurbaar geworden omdat hij niet meer in zijn vooruit kon worden geschakeld. [appellant] heeft de boot toen naar de kant laten drijven en heeft deze daar vastgelegd. Daar heeft de boot gelegen tot deze in februari 2025 naar Bootservice Groningen is vervoerd.
2.5
[appellant] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van schade die bestaat uit kosten van reparatie van de aandrijving (€ 6.537,42) en transportkosten (€ 1.452), vermeerderd met rente en procedurele kosten. Ook vordert hij vergoeding van de kosten van een nieuwe kap en vergoeding van andere herstelkosten. Die zouden dan in een afzonderlijke procedure moeten worden begroot (de zogenaamde schadestaat).
2.6
De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat alsnog toewijzing volgt.
2.7
Het hof zal beslissen dat de vordering deels wel toewijsbaar is, en licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Is sprake van consumentenkoop?
3.1
Voor de beantwoording van de vraag of de boot voldeed aan de verwachtingen die [appellant] ervan mocht hebben (en ook voor zijn bewijsrechtelijke positie) is het allereerst van belang om vast te stellen of sprake is geweest van consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 BW Pro.
3.2
Het begrip ‘consument’ wordt in dat artikel beschreven als de koop met betrekking tot een roerende zaak die wordt gesloten door (i) een verkoper die handelt in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit en (ii) een koper, natuurlijk persoon, die handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit.
3.3
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de boot een roerende zaak, niet- registergoed is die [appellant] als consument heeft gekocht. Voor het antwoord op de vraag of sprake is geweest van consumentenkoop, is dus doorslaggevend of [geïntimeerde] de boot heeft verkocht in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit. Bepalend voor het antwoord op
dievraag is wat partijen op het moment waarop zij de koop sloten over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden, en wat ieder van hen op die grond aan rechtsgevolgen kan worden toegerekend. De volgende vaststaande omstandigheden leiden het hof tot de conclusie dat [geïntimeerde] inderdaad contracteerde in het kader van zijn handelsactiviteit.
  • In het Handelsregister staat [geïntimeerde] geregistreerd als eigenaar van eenmanszaak ‘ [naam1] ’
  • Op de Facebookpagina van [naam1] staat dat deze eenmanszaak is gespecialiseerd in de in- en verkoop van boten
  • [geïntimeerde] sluit zijn berichten van Facebook Messenger af met ‘ [naam2] ’
  • De boot is op Marktplaats aangeboden door ‘ [naam3] ’
  • [geïntimeerde] heeft toen meerdere boten te koop aangeboden (‘Hebben nog wel andere boten’)
  • In de correspondentie met [appellant] sprak [geïntimeerde] over ‘wij’ en sloot hij af met ‘ [naam2] ’
  • [geïntimeerde] heeft ingestemd met de inruil van een oude boot van [appellant] (‘inruil welkom’)
3.4
Aan het voorgaande kan niet afdoen dat geen btw-factuur is opgemaakt, of dat – als dat al zo was - [geïntimeerde] zelf de boot als zijn privé-eigendom beschouwde. Andere omstandigheden die in de weg zouden kunnen staan aan de conclusie dat het bij [geïntimeerde] om een zakelijke transactie van zijn eenmanszaak ging, zijn het hof niet gebleken.
Het toetsingskader
3.5
Op grond van artikel 7:17 lid 1 BW Pro moet een afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoorden. Gelet op het tweede lid van dit artikel is dat niet het geval als deze, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper erover heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. In dat geval is sprake van zogenaamde non-conformiteit.
3.6
Het conformiteitsvereiste is voor een consumentenkoop nader uitgewerkt in artikel 7:18 en Pro 18a BW. Voor de vraag of een op grond van een consumentenkoop afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoordt, moet de zaak met name voldoen aan eisen die in deze bepalingen nader zijn omschreven, voor zover ze van toepassing zijn.
3.7
De wetgever heeft onderscheid gemaakt tussen zogenoemde subjectieve conformiteitseisen (artikel 7:18 lid 1 BW Pro) en objectieve (artikel 7:18 lid 2 BW Pro). Die sluiten op elkaar aan, maar zijn niet altijd goed te scheiden. Zo moet de zaak bijvoorbeeld wat betreft de beschrijving, het type en kwaliteit voldoen aan de overeenkomst (artikel 7:18 lid 1 sub a BW Pro) en moet deze geschikt zijn voor de doeleinden waarvoor zaken van hetzelfde type gewoonlijk worden gebruikt. Met betrekking tot duurzaamheid en functionaliteit moet de zaak onder meer ook de kenmerken bezitten die voor hetzelfde type zaken normaal zijn en die de koper redelijkerwijs mag verwachten, gelet op onder meer de aard van de zaak (artikel 7:18 lid 2 sub a respectievelijk Pro sub d BW). Een afwijking van de objectieve conformiteitseisen is alleen mogelijk als de consument hiervan uitdrukkelijk in kennis is gesteld én de consument die afwijking uitdrukkelijk en afzonderlijk heeft aanvaard (artikel 7:18 lid 6 BW Pro).
3.8
Van belang is in dit geval verder dat het gaat om de koop van een tweedehands boot die bestemd is om op binnenwateren mee te varen. Aangenomen moet dan worden dat de boot niet aan de overeenkomst beantwoordt als het gebruik ervan een gevaar voor de verkeersveiligheid te water oplevert door een gebrek dat niet eenvoudig door de koper kan worden ontdekt en hersteld. Onder omstandigheden kunnen ook andere afwijkingen van de verwachtingen non-conformiteit opleveren. Uiteindelijk moet worden beoordeeld wat de kopende consument op grond van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de zaak en de mededelingen van de verkoper, van de boot mocht verwachten. Een en ander moet getoetst worden aan artikel 7:17, artikel 7:18 en Pro artikel 7:18a BW.
3.9
De stelplicht en bewijslast van de non-conformiteit van de boot rusten op de koper. Bij een consumentenkoop geldt echter het wettelijke bewijsvermoeden van artikel 7:18a lid 2 BW: als de afwijking van wat is overeengekomen zich binnen één jaar na aflevering openbaart, wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet. Het is vervolgens aan de verkoper om te stellen en te bewijzen dat de zaak bij aflevering wel aan de overeenkomst beantwoordde.
De versnelling
3.1
Onbestreden is in dit geval dat de boot vrijwel direct na de koop onbestuurbaar werd omdat de versnelling niet meer functioneerde, en dat [appellant] dat gebrek niet eenvoudig kon herstellen. Het behoeft geen verdere onderbouwing dat de boot daarmee een gevaar opleverde voor het verkeer op het water. Ook meer in het algemeen was de boot daardoor niet langer geschikt voor de doeleinden waarvoor pleziervaartuigen gewoonlijk worden gebruikt. Er zijn geen omstandigheden aangevoerd of gebleken die de conclusie rechtvaardigen dat [appellant] niet mocht verwachten dat met de boot kon worden gevaren. In tegendeel, de boot is aangeboden als een nette boot die recent aantoonbaar onderhoud had gehad, en het was [geïntimeerde] bekend dat [appellant] ermee weg zou varen.
3.11
Op zich heeft [geïntimeerde] terecht aangevoerd dat de versnelling ten tijde van de koop nog wel functioneerde. Maar omdat het hier om consumentenkoop gaat, moet het gebrek dat vervolgens wel optrad worden vermoed bij de verkoop al aanwezig te zijn geweest. [geïntimeerde] heeft daartegen niets in het geweer gebracht. Dat betekent dat de boot wat dat aangaat niet aan de overeenkomst voldeed.
De kap
3.12
[appellant] heeft ook aangevoerd dat hij een nieuwe kap mocht verwachten. Hij ontdekte echter dat daarvan geen sprake was. Hij beschouwt dat ook als non-conformiteit. Het hof volgt hem daarin niet. Zoals de kantonrechter al overwoog, heeft hij immers ter zitting verklaard dat hij bij de inspectie van de boot heeft gezien dat de kap niet nieuw was. Niettemin is hij overgegaan tot de aankoop, zonder daarover vragen te stellen. Het hof volgt daarom de kantonrechter in de conclusie dat met betrekking tot de staat van de kap sprake is geweest van wilsovereenstemming, ongeacht de omschrijving van de kap in de advertentie. Ten aanzien van de kap zal dan ook geen schadevergoeding worden toegewezen.
Andere gebreken; schadestaat
3.13
[appellant] heeft nog een aantal andere gebreken opgevoerd, zoals een defecte douche en afvoer, en andere niet werkende onderdelen: de boegschroef, de ankerlier, de hoorn, verlichting, de klimaatinstallatie, elektrische panelen, de wijze van aansluiting van de koelkast en een omvormer.
3.14
Hoe gering ze misschien ook zijn, dit zijn naar het oordeel van het hof allemaal wel verborgen gebreken die in de weg staan aan een normaal gebruik van de boot in de zin van art. 7:18 lid 2 sub a BW Pro. Omdat de conformiteitsregels voor consumentenkoop een aanzienlijke verscherping van het reguliere conformiteitsvereiste inhouden, komen deze gebreken voor risico van [geïntimeerde] , tenzij hij kan bewijzen dat [appellant] die gebreken uitdrukkelijk en afzonderlijk heeft aanvaard als bedoeld in art. 7:18 lid 6 BW Pro. Dat is echter niet aangevoerd. Bovendien heeft [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd dat deze gebreken, al dan niet deels, pas na de levering van de boot zijn ontstaan.
3.15
Omdat de mogelijkheid van schade als gevolg van deze gebreken aannemelijk is (hoe bescheiden ook), zal de zaak ten aanzien daarvan naar de schadestaat worden verwezen.
De concreet gevorderde schade: kosten van herstel en andere kosten
3.16
[appellant] heeft aangevoerd dat de gehele aandrijving en modificatie vervangen moest worden (de adapter en het staartstuk), mede omdat de onderdelen al lange tijd niet meer verkrijgbaar zijn. Dat dit juist is, en dat de kosten van deze reparatie € 6.537,42 bedragen, is door [geïntimeerde] niet voldoende bestreden. Hetzelfde geldt voor andere schade die door het gebrek aan de versnelling is ontstaan (€ 1.452 aan transportkosten). Wat dat laatste betreft, gaat het hof ervan uit dat het onder de gegeven omstandigheden voor [appellant] niet mogelijk was de boot zelf terug naar de haven te trekken. [geïntimeerde] heeft hem daarbij ook niet behulpzaam willen zijn. In zoverre zijn de vorderingen dus wel toewijsbaar - in totaal: € 7.989,42. Hetzelfde geldt voor de wettelijke rente die hierover is gevorderd, met dien verstande dat de datum van verzuim niet is gespecificeerd. De rente wordt daarom vanaf de dagvaarding toegewezen.
De conclusie
3.17
Het hoger beroep slaagt deels. Omdat [geïntimeerde] overwegend in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep en bij de kantonrechter veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening
. [1]

4.De beslissing

Het hof:
4.1
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 4 november 2025 en beslist het volgende.
4.2
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 7.989,42, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;
4.3
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van schade van [appellant] voor wat betreft herstel van de in rechtsoverweging 3.13 genoemde gebreken, waarvan de hoogte van de schade nader dient
te worden opgemaakt bij de Staat en te worden vereffend volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;
4.4
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
€ 877,55 aan procedurele kosten
€ 1.464 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x het toepasselijke tarief I)
en tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in hoger beroep:
€ 526,02 aan procedurele kosten
€ 912 aan salaris van de advocaat van [appellant] (1 procespunt x het toepasselijke tarief I)
4.5
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.6
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.7
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, J.E. Wichers en M.M.A. Wind, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
26 mei 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.