De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland had de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd tot 20 december 2026 voor twee weekenden per maand. De moeder ging in hoger beroep omdat zij van mening was dat voor deze weekendplaatsing geen machtiging nodig was. Het hof heeft de eerdere verlenging van de machtiging door de kinderrechter vernietigd omdat er op dat moment geen rechtsgeldige machtiging bestond die verlengd kon worden.
De feiten betreffen een minderjarige die sinds december 2021 onder toezicht staat van de gecertificeerde instelling (GI) en sinds september 2022 met spoed uit huis geplaatst is. Na diverse woonvormen en begeleidingsvormen verblijft de minderjarige sinds augustus 2024 met een machtiging in een gezinshuis en logeert hij sinds januari 2025 op een zorgboerderij. De GI zocht aanvankelijk naar een nieuwe woonplek, maar sinds augustus 2025 is de huidige situatie met verblijf bij de moeder en logeren op de zorgboerderij als voldoende beoordeeld.
Het hof overweegt dat het verblijf van de minderjarige op de zorgboerderij niet noodzakelijk is voor zijn verzorging en opvoeding, maar bedoeld is om de moeder te ontlasten. De moeder staat hier ook achter en onderhoudt goed contact met de zorgboerderij. Daarom is een machtiging voor deze weekendplaatsing niet vereist. De beslissing van de kinderrechter wordt vernietigd en het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging wordt afgewezen.