Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3264

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
200.365.163/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige voor weekendplaatsing

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland had de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd tot 20 december 2026 voor twee weekenden per maand. De moeder ging in hoger beroep omdat zij van mening was dat voor deze weekendplaatsing geen machtiging nodig was. Het hof heeft de eerdere verlenging van de machtiging door de kinderrechter vernietigd omdat er op dat moment geen rechtsgeldige machtiging bestond die verlengd kon worden.

De feiten betreffen een minderjarige die sinds december 2021 onder toezicht staat van de gecertificeerde instelling (GI) en sinds september 2022 met spoed uit huis geplaatst is. Na diverse woonvormen en begeleidingsvormen verblijft de minderjarige sinds augustus 2024 met een machtiging in een gezinshuis en logeert hij sinds januari 2025 op een zorgboerderij. De GI zocht aanvankelijk naar een nieuwe woonplek, maar sinds augustus 2025 is de huidige situatie met verblijf bij de moeder en logeren op de zorgboerderij als voldoende beoordeeld.

Het hof overweegt dat het verblijf van de minderjarige op de zorgboerderij niet noodzakelijk is voor zijn verzorging en opvoeding, maar bedoeld is om de moeder te ontlasten. De moeder staat hier ook achter en onderhoudt goed contact met de zorgboerderij. Daarom is een machtiging voor deze weekendplaatsing niet vereist. De beslissing van de kinderrechter wordt vernietigd en het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging wordt afgewezen.

Uitkomst: De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor twee weekenden per maand wordt vernietigd en het verzoek tot verlenging wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.365.163/01
zaaknummer rechtbank 202415
beschikking van 26 mei 2026
over de uithuisplaatsing van
[de minderjarige2]( [de minderjarige2] )
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. M.J. Buitenhuis te Leeuwarden,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI),
die is gevestigd in Amsterdam.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende](de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. R.P. Eefting te Assen.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] verlengd tot 20 december 2026. De machtiging geldt voor twee weekenden per maand. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben samen twee kinderen, [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . [de minderjarige1] is geboren [in]
2014. Zij woont sinds haar tweede in een pleeggezin. De ouders zien [de minderjarige1] eenmaal per acht weken onder begeleiding. [de minderjarige2] gaat ook mee naar de bezoeken aan [de minderjarige1] . De vader heeft nog een zoon, een halfbroer van [de minderjarige2] .
2.2.
[de minderjarige2] is geboren [in] 2018. Hij staat sinds 21 december 2021 onder toezicht van de GI. De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige2] .
2.3.
[de minderjarige2] is in september 2022 met spoed uit huis geplaatst in een crisispleeggezin. Er waren zorgen over verbale en fysieke agressie tussen en middelengebruik van de ouders.
Van maart 2023 tot juni 2023 zijn de moeder en [de minderjarige2] voor gezinsopname bij [naam1] geweest. Het ouderschap van de moeder binnen de beschermde en redelijk gestructureerde omstandigheden van het gezinsverblijf bij [naam1] werd als goed genoeg beoordeeld. Het advies van [naam1] kent drie varianten: gedeelde zorg met een oom en tante van vaderskant, gedeelde zorg met een neutraal pleeggezin of beschermd wonen. De moeder is vervolgens met [de minderjarige2] begeleid gaan wonen bij [naam2] met inzet van Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling vanuit [naam1] . Al snel namen de zorgen in de thuissituatie bij de moeder toe en verbleef [de minderjarige2] steeds meer bij zijn oom en tante vaderskant (vanaf mei 2024 gedurende zes dagen per week). Vanaf juli 2024 ging [de minderjarige2] niet meer naar zijn oom en tante vanwege gevoelens van onveiligheid bij [de minderjarige2] voor zijn oom. [de minderjarige2] ging volledig terug naar de moeder, die daarbij extra hulpverlening kreeg. [de minderjarige2] is in augustus 2024 met een machtiging van de kinderrechter in een gezinshuis geplaatst. In januari 2025 is hij gestart met logeren op een zorgboerderij. [de minderjarige2] kon niet langer dan tot medio mei 2025 in het gezinshuis blijven, omdat hij meer aandacht en begeleiding nodig had dan het gezinshuis hem kon bieden. In afwachting van een nieuwe passende woonplek is [de minderjarige2] in mei 2025 thuisgeplaatst bij de moeder met veiligheidsafspraken, extra begeleiding van de
[naam2] en [naam3] in combinatie met extra logeerdagen bij de zorgboerderij (twee van de vier weekenden en eventueel vakanties). [de minderjarige2] heeft doordeweeks ook dagbesteding op de zorgboerderij. Sinds augustus 2025 zoekt de GI niet meer naar een andere woonplek voor [de minderjarige2] , omdat de huidige constructie goed genoeg gaat.
2.4
De vader heeft eenmaal per week onder begeleiding contact met [de minderjarige2] .

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht [de minderjarige2] met ingang van 20 december 2025 voor nog een periode van een jaar uit huis te mogen plaatsen gedurende twee weekenden per maand.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] verlengd tot 20 december 2026 voor twee weekenden per maand.
3.3.
Deze beslissing is vastgelegd in een beschikking van 11 december 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. De moeder vindt dat voor de uithuisplaatsing voor twee weekenden per maand een machtiging niet nodig is. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
4.2.
De vader heeft op de zitting laten weten zich aan het oordeel van het hof te refereren.
4.3.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 19 februari 2026
  • de brief van de raad van 27 februari 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
  • een bericht van de vader, ingediend op 3 maart 2026
  • het verweerschrift van de GI
  • de stukken van de GI, ingediend op 30 maart 2026.
4.5.
[de minderjarige2] is uitgenodigd te vertellen wat hij vindt van de uithuisplaatsing. [de minderjarige2] heeft niet gereageerd.
4.6.
De zitting bij het hof was op 14 april 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat en een persoonlijk begeleider
  • de vader met zijn advocaat en een persoonlijk begeleider
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven een kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek van het kind. [1] De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoekt. [2]
5.2.
Bij beschikking van 5 februari 2026 (zaaknummer 200.362.120/01) heeft het hof de vorige verlengingsbeschikking van de kinderrechter van 9 oktober 2025 vernietigd en het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] voor twee weekenden per maand tot 20 december 2025 afgewezen. [3] Door deze vernietiging van de verlengde machtiging uithuisplaatsing was er op het moment dat de kinderrechter de hier bestreden beschikking wees, achteraf bezien geen sprake meer van een rechtsgeldige machtiging, zodat er ook geen machtiging was die verlengd kon worden. De op 11 december 2025 uitgesproken nieuwe verlenging van de uithuisplaatsing acht het hof daarom onrechtmatig. De beslissing van de kinderrechter zal ongedaan worden gemaakt (worden vernietigd).
5.3.
Ten overvloede overweegt het hof dat uit de behandeling ter zitting is gebleken dat de feitelijke situatie ten opzichte van genoemde beschikking van 5 februari 2026 niet is veranderd. Dat maakt dat het hof ook bij een inhoudelijke toets nu niet tot een andere beslissing zou zijn gekomen dan op 5 februari 2026 het geval was. [de minderjarige2] woont thuis bij de moeder en zijn verblijf van twee weekenden per maand op een zorgboerderij is niet noodzakelijk voor zijn verzorging en opvoeding. Het weliswaar structurele, maar in duur beperkte verblijf van [de minderjarige2] op de zorgboerderij heeft tot doel om de moeder te ontlasten. De moeder staat daar zelf ook duidelijk achter. Zij heeft goed contact met de zorgboerderij. In deze situatie is een machtiging tot uithuisplaatsing niet nodig. De beslissing van de kinderrechter zou daarom ook op inhoudelijke gronden ongedaan zijn gemaakt.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 11 december 2025, over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] en beslist:
6.2.
wijst het verzoek van de GI tot verlenging van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] , geboren [in] 2018, voor twee weekenden per maand alsnog af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en
mr. K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 26 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.
2.artikel 1:265c lid 2 BW.