ECLI:NL:GHARL:2026:682

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
200.362.120/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265a BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging machtiging uithuisplaatsing voor weekendverblijf minderjarige

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland had een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige voor twee weekenden per maand verlengd tot 20 december 2025. De moeder ging in hoger beroep omdat zij van mening was dat voor deze weekendplaatsing geen machtiging nodig was. Het hof oordeelt dat de machtiging alleen vereist is bij een noodzakelijke plaatsing van het kind gedurende dag en nacht buiten het gezin.

De feiten tonen aan dat de minderjarige sinds mei 2025 bij de moeder woont en twee weekenden per maand op een zorgboerderij verblijft. De moeder heeft zelf om deze weekendplaatsing gevraagd en werkt hieraan mee. De verzorging en opvoeding blijven bij de moeder, die ook begeleiding ontvangt in het kader van de ondertoezichtstelling. De weekendplaatsing dient vooral ter ontlasting van de moeder en is beperkt in duur.

Het hof stelt vast dat de weekendplaatsing niet noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige en dat de machtiging daarom niet vereist is. Bovendien is er sprake van instemming en samenwerking tussen de moeder en de gecertificeerde instelling. Het hof vernietigt de beschikking van de kinderrechter en wijst het verzoek tot verlenging van de machtiging af.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing voor weekendverblijf wordt vernietigd en het verzoek tot verlenging afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.362.120/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 201252
beschikking van 5 februari 2026
over de uithuisplaatsing van
[de minderjarige1]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. M.J. Buitenhuis te Leeuwarden,
en
de gecertificeerde instelling:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de vader](de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. R.P. Eefting te Assen.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] verlengd tot 20 december 2025. De machtiging geldt voor twee weekenden per maand. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben twee kinderen, [de minderjarige2] en [de minderjarige1] . [de minderjarige2] is geboren [in] 2014. Zij woont in een pleeggezin. [de minderjarige1] is geboren [in] 2018. Hij staat sinds 21 december 2021 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is op 11 december 2025 verlengd tot 20 december 2026. De vader heeft nog een zoon, een halfbroer van [de minderjarige1] .
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige1] .
2.3.
[de minderjarige1] woont sinds mei 2025 bij de moeder en hij verblijft twee weekenden per maand op [naam zorgboerderij] .

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter - na wijziging - verzocht [de minderjarige1] voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis te mogen plaatsen in de weekenden.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige1] verlengd tot 20 december 2025 voor twee weekenden per maand.
3.3.
Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. De moeder vindt dat voor de uithuisplaatsing voor twee weekenden per maand een machtiging niet nodig is. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
4.2.
De vader heeft op de zitting laten weten het met de moeder eens te zijn.
4.3.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • de brief van de raad van 5 december 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
  • het stuk van de moeder, ingediend op 11 december 2025
4.5.
De zitting bij het hof was op 8 januari 2025. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • de advocaat van de vader
  • twee vertegenwoordigers van de GI

5.Het oordeel van het hof

5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven het kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek van het kind [1] . De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoekt [2] .
5.2.
De machtiging voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] liep tot 20 december 2025 en is dus al verlopen. Toch moet het hof nog toetsen of de machtiging wel mocht worden gegeven.
5.3.
Volgens het hof had de kinderrechter geen machtiging aan de GI moeten geven, omdat [de minderjarige1] thuis woont en zijn verblijf twee weekenden per maand op een zorgboerderij niet noodzakelijk is voor zijn verzorging en opvoeding. De beslissing van de kinderrechter zal ongedaan worden gemaakt (worden vernietigd).
5.4.
[de minderjarige1] woont sinds [datum] 2025 bij de moeder met duidelijke veiligheidsafspraken en begeleiding van de moeder door [naam1] en [naam2] . [de minderjarige1] verbleef eerst drie weekenden per maand op de zorgboerderij en dat is na enkele maanden teruggebracht naar twee weekenden per maand. De GI geeft aan dat de hechtingsband tussen de moeder en [de minderjarige1] goed is, dat het goed gaat met [de minderjarige1] en dat de samenwerking tussen de GI en de moeder over het algemeen goed verloopt. De GI vindt dat [de minderjarige1] bij de moeder kan wonen als hij twee weekenden per maand niet thuis is. De reden voor de weekendplaatsing is dat de moeder moet worden ontlast. De GI heeft op de zitting verklaard de weekendplaatsing verstandig te vinden.
5.5.
De moeder heeft zelf om een weekendplaatsing van [de minderjarige1] gevraagd. Zij werkt mee aan de weekendplaatsing op de zorgboerderij. Er vindt rechtstreeks overleg plaats tussen de moeder en de zorgboerderij over praktische zaken, zoals het thuis houden van [de minderjarige1] als hij ziek is en pestgedrag op de zorgboerderij. De moeder overlegt met de GI over meer structurele zaken. Zo is de weekendplaatsing na overleg tussen de moeder en de GI van twee weekenden achter elkaar aangepast naar om het weekend.
5.6.
De weekendplaatsing van [de minderjarige1] is beperkt in duur, namelijk maar voor twee weekenden per maand. De zeggenschap van de dagelijkse verzorging en opvoeding blijft bij de moeder liggen en zij kan de zorg over [de minderjarige1] dragen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat [de minderjarige1] thuis blijft als hij ziek is en de moeder dan voor hem zorgt. De moeder heeft het initiatief genomen voor de weekendplaatsing, zij ziet het belang daarvan en zij werkt daaraan mee. Het doel van de weekendplaatsing is gelegen in de ontlasting van de moeder en niet in de eventuele beperkte opvoedvaardigheden van de moeder. Voor de verzorging en opvoeding krijgt de moeder begeleiding van [naam1] en [naam2] en dit gebeurt in het kader van de ondertoezichtstelling. Het hof leidt uit deze omstandigheden af dat de weekendplaatsing niet noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en dat daarom een machtiging tot uithuisplaatsing niet nodig is.
5.7.
Het hof merkt nog op dat een uithuisplaatsing op basis van een machtiging een inbreuk is op het recht op familie- en gezinsleven en de autonomie van de moeder. Deze inbreuk is in beginsel niet gerechtvaardigd in een situatie waarin de ouder zelf het initiatief voor de plaatsing van het kind heeft genomen, de ouder en de GI het eens zijn over die plaatsing en de ouder daaraan meewerkt. In situaties als deze is er geen noodzaak voor een machtiging, ook niet als het kind onder toezicht is gesteld.
5.8.
Het hof verwacht wel van de moeder dat zij met de GI blijft communiceren over het verloop van de weekendplaatsing en dat zij over mogelijke wijzigingen daarin overleg voert met de GI. [de minderjarige1] staat namelijk onder toezicht van de GI.
5.9.
De GI heeft aangegeven dat een van de redenen voor het indienen van een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is dat dit uit de wet voortvloeit. De GI vindt dat voor elke uithuisplaatsing tijdens een ondertoezichtstelling een machtiging aan de rechter verzocht moet worden. Het hof stelt vast dat dat niet is wat in de wet staat. Artikel 1:265a BW [3] moet in combinatie met artikel 1:265b lid 1 BW [4] worden gelezen. Alleen voor een noodzakelijke plaatsing van een kind gedurende dag en nacht buiten het gezin is een machtiging vereist. Of die noodzaak er is, hangt onder andere af van de aard van de uithuisplaatsing, de vraag of en in hoeverre er sprake is van overheveling van zeggenschap van de dagelijkse verzorging en opvoeding en de vraag bij wie het initiatief ligt voor het verblijf buiten het gezin. [5] Daarnaast is relevant of de ouder instemt met de uithuisplaatsing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 9 oktober 2025 over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en wijst het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 5 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.
2.artikel 1:265c lid 2 BW.
3.Plaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin geschiedt uitsluitend met een machtiging tot uithuisplaatsing.
4.Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.