Uitspraak
1.De procedure bij de rechtbank
2.De procedure bij het hof
3.De feiten
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2020.
4.De procedure bij de rechtbank
5.5. Het oordeel van het hof
- [geïntimeerde] is huurder van de woning. Hoewel [appellante] alsnog had kunnen proberen om als medehuurder te worden aangemerkt, heeft zij daar in de afgelopen twee jaren geen actie toe ondernomen in een bodemprocedure. Het hof wijst erop dat een verzoek om medehuurder te worden ook na de beëindiging van de samenwoning kan worden gedaan, mits dat verzoek zo spoedig na die beëindiging is gedaan als in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kan worden gevergd [1] . Daarvan is naar het voorshandse oordeel van het hof geen sprake;
- Sinds het vonnis van 27 januari 2025 moet het voor [appellante] voldoende duidelijk zijn geweest dat zij de woning diende te verlaten. Ook nadien heeft zij nog een ruime periode gehad om elders onderdak te vinden. Pas 15 maanden na dit vonnis is [appellante] daadwerkelijk vertrokken;
- [appellante] heeft inmiddels sinds 20 februari 2026 een urgentieverklaring voor een huurwoning;
- Volgens de raad voor de kinderbescherming en de GI kunnen de kinderen zonder bezwaren bij [geïntimeerde] verblijven, wat nu ook gebeurt. De kinderen zijn dus niet dakloos;
- Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is duidelijk geworden dat [appellante] er zelf voor kiest om de kinderen maar tweemaal per week te zien. [geïntimeerde] staat open voor een veel ruimere regeling.