De zaak betreft een geschil over het gebruik en de betaling van erfpachtcanon voor percelen grasland eigendom van Stichting Beheer Osen c.s. De vader van appellant had een erfpachtrecht dat in 2011 verliep. Er werd onderhandeld over een nieuw erfpachtrecht met hogere canon, maar dit is nooit gevestigd. Appellant nam het bedrijf van zijn vader over en betaalde een verhoogde canon.
De rechtbank wees de vorderingen van appellant af en veroordeelde hem tot ontruiming. In hoger beroep betoogde appellant dat er een pachtovereenkomst bestond en dat hij partij was bij het nieuwe erfpachtrecht. Het hof oordeelde dat geen pachtovereenkomst tot stand is gekomen en dat appellant geen partij is bij het nieuwe erfpachtrecht, dat uitsluitend met zijn vader was overeengekomen.
Wel stelde het hof vast dat appellant onverschuldigd de verhoogde canon heeft betaald vanaf 23 december 2015, toen het erfpachtrecht aan hem werd overgedragen. De vordering tot terugbetaling daarvan is niet verjaard. Het hof vernietigde het vonnis voor zover de terugbetaling werd afgewezen en veroordeelde Osen c.s. tot betaling van het verschil in canon. De overige beslissingen werden bekrachtigd.