Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3210

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
200.347.355/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over uitleg en nakoming vaststellingsovereenkomst gezamenlijke woning na echtscheiding

Partijen, voormalig echtgenoten en gezamenlijk eigenaar van een woning, sloten in een eerder kort geding een vaststellingsovereenkomst waarin afspraken werden gemaakt over de taxatie en mogelijke overname van de woning door de man.

De vrouw stelde dat de man deze overeenkomst had geschonden, waardoor de woning aan een derde verkocht moest worden. De voorzieningenrechter wees haar vorderingen af, en ook in hoger beroep werd zij niet in het gelijk gesteld.

Het hof oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst niet zodanig uitgelegd kan worden dat iedere misstap in het stappenplan leidt tot verlies van de mogelijkheid tot overname door de man. De taxatierapporten werden als volwaardig beschouwd en de man had tijdig kenbaar gemaakt de woning te willen overnemen.

De vorderingen van de vrouw waren onvoldoende aannemelijk en werden afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd vanwege de bijzondere relatie tussen partijen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst de vorderingen van de vrouw af wegens onvoldoende aannemelijkheid van schending van de vaststellingsovereenkomst.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.347.355/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 237320)
arrest in kort geding van 19 mei 2026
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats]
hierna:
[appellante]
advocaat: mr. R.A. Bruintjes, die kantoor houdt in Leek
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
hierna:
[geïntimeerde]
advocaat: mr. O.J.C.Toxopeus, die kantoor houdt in Veendam.

1.De verdere procedure bij het hof

1.1
In het tussenarrest van 6 mei 2025 is een enkelvoudige mondelinge behandeling na memorie van antwoord bepaald op 4 november 2025.
1.2
Op 4 november 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij akte heeft [appellante] de producties 12 tot en met 16 ingebracht. De advocaat van [appellante] heeft spreekaantekeningen overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een verslag (proces-verbaal) opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.
1.3
Het hof realiseert zich dat deze uitspraak langer op zich heeft laten wachten dan partijen mochten verwachten en biedt daarvoor excuses aan.

2.De kern van de zaak

2.1
Partijen zijn als voormalig echtgenoten nog gezamenlijk eigenaren van een woning. In een eerder geschil hebben zij een vaststellingsovereenkomst gesloten. [appellante] stelt dat [geïntimeerde] die overeenkomst heeft geschonden, met als gevolg dat de woning aan een derde moet worden verkocht. De daartoe strekkende vorderingen van [appellante] zijn door de voorzieningenrechter afgewezen. In hoger beroep wordt [appellante] evenmin in het gelijk gesteld. Nadat de relevante feiten zijn uiteengezet, zal het hof deze beslissing uitleggen.

3.De feiten

3.1
In 1987 heeft [geïntimeerde] een woning gekocht aan de [adres] in [plaats1] (hierna: de woning). Partijen zijn [in] 1998 gehuwd in gemeenschap van goederen. Partijen zijn hierdoor ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning.
3.2
De echtscheiding tussen partijen is uitgesproken op 6 september 2022. Deze beschikking van de rechtbank Noord-Nederland is op 20 september 2022 ingeschreven in de huwelijksgoederenregisters.
3.3
Nadien zijn partijen overeengekomen dat [geïntimeerde] de gelegenheid kreeg om te onderzoeken of hij de woning over zou kunnen nemen. Op 29 maart 2023 hebben partijen een verkoopopdracht gegeven aan [naam1] in [plaats2] (hierna: de makelaar).
3.4
[appellante] is een aantal maanden later een kort geding gestart waarin zij vordert dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot volledige medewerking aan verkoop van de woning, met bijkomende vorderingen. De mondelinge behandeling in dat kort geding heeft plaatsgevonden op 7 juni 2024. Tijdens die zitting hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten met (voor zover thans relevant) de volgende inhoud:
"(...)
1. De manhof: [geïntimeerde] ]
krijgt van de vrouw[hof: [appellante] ]
andermaal gelegenheid om te onderzoeken of hij de woning in eigendom kan en wil overnemen, en indien dat het geval is, gelegenheid om dat ook daadwerkelijk te doen.
2. Hiertoe spreken partijen de volgende procedure met elkaar af:
-
- De man zal uiterlijk maandag 10 juni a.s. een taxateur opdracht geven om de woning te doen taxeren tegen de actuele marktwaarde en om binnen twee weken, althans zo spoedig mogelijk, na het geven van de opdracht een taxatierapport op te leveren. De kosten van taxatie worden door partijen gezamenlijk gedragen, ieder voor de helft.
-
- Na ontvangst van het taxatierapport zal de vrouw per ommegaande een afschrift ontvangen van de man en krijgt de man twee weken de tijd om te onderzoeken en besluiten of hij de woning kan en wil overnemen.
-
- Indien de man besluit dat hij de woning kan en wil overnemen, zal hij dat binnen genoemde termijn kenbaar maken aan de vrouw. Vanaf dat moment heeft de man 8 weken de tijd om alles te regelen dat nodig is om daadwerkelijke overdracht mogelijk te maken, en vervolgens zal deze overdracht ook binnen deze termijn plaatshebben. Voor zover nodig zegt de vrouw toe hier haar medewerking aan te zullen verlenen. De notariële kosten, die verbonden zijn aan levering, worden door partijen gezamenlijk gedragen, ieder voor de helft, de kosten verbonden aan een eventuele financiering worden door de man gedragen.
3. Partijen komen nu reeds overeen dat indien (I) de man na ontvangst van het taxatierapport te kennen geeft de woning niet over te kunnen of willen nemen ofwel (II) overdacht binnen genoemde 8 weken niet wordt gerealiseerd, zij de woning zullen verkopen aan een derde en de reeds ingeschakelde makelaar hiertoe opnieuw opdracht zullen geven. Makelaarskosten zullen door partijen gezamenlijk worden gedragen, ieder voor de helft.
(...)"
3.5
Na correspondentie over en weer heeft [geïntimeerde] op 22 juli 2024 het taxatierapport aan [appellante] gezonden. In het taxatierapport is de marktwaarde van de woning op 1 september 2022 gesteld op € 425.000.
3.6
Op 25 juli 2024 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] per e-mail laten weten dat het taxatierapport niet conform de afspraken is opgesteld en dat zij een nieuw kort geding zal starten. In zijn reactie hierop heeft [geïntimeerde] betwist dat de afspraken niet door hem zijn nagekomen en heeft hij laten weten dat hij bezig is met de financiering om de woning over te nemen.
3.7
De makelaar heeft op 15 augustus 2024 een rapport en begeleidende e-mail gestuurd aan [geïntimeerde] . Uit het rapport blijkt dat de actuele marktwaarde van de woning op € 475.500 wordt gesteld [1] .
3.8
In eerste aanleg heeft [appellante] gevorderd, kort gezegd, dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om mee te werken aan de verkoop van de woning aan een derde, één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met bijkomende vorderingen. In het bestreden vonnis van 6 september 2024 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen en bepaald dat partijen hun eigen proceskosten dragen.

4.De beoordeling in hoger beroep

De vorderingen in hoger beroep
4.1
[appellante] vordert in hoger beroep dat haar in eerste aanleg ingestelde vorderingen alsnog worden toegewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.
4.2
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, behoudens de daarin opgenomen proceskostenveroordeling. In zoverre tekent [geïntimeerde] ook hoger beroep aan tegen dat vonnis en vordert hij dat [appellante] wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
Spoedeisend belang
4.3
Aangezien de gezamenlijke woning nog steeds niet is verdeeld en gelet op hetgeen partijen in dat verband ter zitting naar voren hebben gebracht, heeft [appellante] ook in hoger beroep een spoedeisend belang bij haar vorderingen.
Uitleg van de vaststellingsovereenkomst van 7 juni 2024
4.4
Het gaat er in dit kort geding om dat de rechter moet beoordelen of het waarschijnlijk is dat de vorderingen van [appellante] in een bodemprocedure tegen [geïntimeerde] zullen worden toegewezen.
4.5
[appellante] heeft haar vorderingen gebaseerd op het standpunt dat partijen in de vaststellingsovereenkomst van 7 juni 2024 (zie 3.4; hierna: de vso) een duidelijk stappenplan zijn overeengekomen, waarbij de consequentie van het niet of niet tijdig nakomen van elke stap tot gevolg heeft dat de woning aan een derde moet worden verkocht. [geïntimeerde] heeft dit standpunt gemotiveerd bestreden.
4.6
Partijen twisten over de vraag hoe de vso moet worden uitgelegd. Voor de beantwoording van die vraag komt het blijkens de (ook op een overeenkomst als de onderhavige toepasselijke) Haviltex-norm aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van hun overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Hoewel deze maatstaf als consequentie heeft dat het bij de uitleg niet enkel behoort te gaan om het vaststellen van de taalkundige betekenis van de in de overeenkomst gebruikte bewoordingen, is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van de overeenkomst als geheel, in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg daarvan vaak wel van groot belang. [2]
4.7
Het hof overweegt dat, anders dan [appellante] lijkt te menen, uit de bewoordingen van de vso niet volgt dat iedere ‘misstap’ in het stappenplan het verlies van de mogelijkheid voor [geïntimeerde] om de woning te kunnen overnemen tot gevolg heeft. Voor zover [appellante] meent dat dit ter zitting bij de voorzieningenrechter wel is afgesproken, komt het aan op bewijslevering, bijvoorbeeld door middel van getuigenverklaringen. Voor dergelijke bewijslevering is in een kort geding in beginsel geen plaats. Het doel van een kort geding is een snelle, voorlopige beslissing, geen definitieve waarheidsvinding. De rechter in kortgeding zal zijn oordeel dan ook moeten vellen op basis van de aannemelijkheid van de stellingen van partijen, zoals door hen toegelicht ter zitting en bezien tegen het licht van eventuele schriftelijke bewijsstukken (zoals e-mails of overeenkomsten), waarnaar door hen wordt verwezen.
4.8
Indachtig wat hiervoor is overwogen, is het voorlopig oordeel van het hof dat de tekst van de vso, in samenhang bezien met de overige stukken in het dossier, onvoldoende steun biedt voor de uitleg van het in de vso opgenomen stappenplan, zoals die door [appellante] wordt bepleit. Deze zal daarom niet tot uitgangspunt worden genomen bij de verdere beoordeling.
Is de vaststellingsovereenkomst van 7 juni 2024 door [geïntimeerde] niet deugdelijk nagekomen?
4.9
Het voorgaande brengt mee dat het hof de vraag niet hoeft te beantwoorden op welk moment [geïntimeerde] precies de opdracht heeft gegeven aan de makelaar om de woning te taxeren. Ook als [appellante] terecht aanvoert dat [geïntimeerde] dit niet vóór 10 juni 2024 heeft gedaan, zoals in de vso staat, maar pas daarna, volgt uit de bewoordingen van de vso niet dat [geïntimeerde] daardoor de mogelijkheid verliest om de woning over te nemen. [geïntimeerde] heeft de stellingen van [appellante] op dit punt overigens gemotiveerd betwist en heeft opgemerkt dat hij meteen na de zitting op 7 juni 2024 met het proces-verbaal naar de makelaar is gegaan.
4.1
Partijen zijn het er wel over eens dát de woning getaxeerd diende te worden, dat [geïntimeerde] hiertoe een makelaar zou inschakelen en dat [geïntimeerde] naar aanleiding van het taxatierapport diende aan te geven of hij [appellante] wil en kan uitkopen.
4.11
De makelaar heeft de woning aanvankelijk getaxeerd naar de marktwaarde op 1 september 2022. Tussen partijen is niet in discussie dat deze datum onjuist is. De bedoeling was immers een taxatie te verkrijgen van de actuele marktwaarde van de woning. Daarover zijn partijen het wel eens.
4.12
[appellante] stelt dat [geïntimeerde] welbewust de makelaar heeft gevraagd de woning te taxeren naar de marktwaarde op 1 september 2022. Deze stelling is eveneens gemotiveerd betwist door [geïntimeerde] . Ook hier geldt dat zonder uitgebreide bewijslevering, waarvoor in kort geding geen plaats is, de juistheid van deze stelling van [appellante] niet vast te stellen is, zodat hieraan moet worden voorbij gegaan.
4.13
De vraag is vervolgens of de beide rapporten van de makelaar tezamen en in onderling verband bezien een volwaardige taxatie naar de actuele marktwaarde hebben opgeleverd, zoals de voorzieningenrechter heeft geoordeeld. [appellante] heeft aangevoerd dat het geen gevalideerde taxatie betreft, dat de waardebepaling onvoldoende is onderbouwd, onder meer omdat de marktomstandigheden onvoldoende zijn meegewogen en dat achterstallig onderhoud en niet toegekende aardbevingsschades ten onrechte in de waardebepaling zijn meegenomen.
4.14
[geïntimeerde] heeft een e-mailbericht van 9 januari 2025 in procedure gebracht, afkomstig van [naam2] , makelaar en taxateur [3] . In dit bericht heeft deze [naam2] uitgelegd hoe hij tot de waardebepaling is gekomen zoals die blijkt uit het aanvullende rapport van 15 augustus 2024. [naam2] verklaart waarom de actuele waarde van de woning niet op € 524.000 is gesteld, maar op € 475.500. Bij een taxatie wordt gekeken naar grootte, ligging, staat van onderhoud en mate van isolatie. Daarnaast wordt als referentie gekeken naar panden in de omgeving die reeds verkocht zijn. Bij de taxatie is een ruime bandbreedte aangehouden, omdat de woning een uniek object is waardoor er weinig vergelijkingsobjecten voorhanden zijn. Op het bedrag van € 524.000 is een neerwaartse correctie toegepast in verband met de staat van onderhoud. Aldus tot zover [naam2] .
4.15
Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] hiermee de tegen de rapporten in stelling gebrachte argumenten van [appellante] voldoende ontkracht. Het hof komt dan ook tot dezelfde conclusie als de voorzieningenrechter, namelijk dat de beide rapporten van de makelaar tezamen naar voorlopig oordeel kunnen worden beschouwd als een volwaardig taxatierapport.
4.16
De volgende vraag is dan of [geïntimeerde] wel heeft kenbaar gemaakt de woning voor de taxatiewaarde te willen overnemen. [appellante] stelt dat [geïntimeerde] dat niet ondubbelzinnig heeft aangegeven. Dat kan het hof niet volgen. [geïntimeerde] heeft bij monde van zijn advocaat op 29 juli 2024 laten weten dat hij de woning wil overnemen en reeds stappen heeft gezet om de benodigde financiering te regelen [4] . Bij e-mail van 19 augustus 2024 heeft (de advocaat van) [geïntimeerde] hieraan toegevoegd dat hij de woning kan overnemen voor € 475.500,-. Florius is tot de nodige financiering bereid en daarnaast kan [geïntimeerde] een bedrag lenen van zijn moeder. [5] Daarmee heeft [geïntimeerde] gedaan wat van hem verlangd mocht worden. Dat [appellante] de woning niet voor de getaxeerde waarde aan [geïntimeerde] wil overdragen, is een ander verhaal.
4.17
Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat het onder de hiervoor geschetste omstandigheden niet aannemelijk is dat de bodemrechter zal beslissen dat de woning aan een derde moet worden verkocht. De vorderingen van [appellante] komen in hoger beroep daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
De proceskosten in eerste aanleg
4.18
Beide partijen zijn het niet eens met de beslissing van de voorzieningenrechter om partijen ieder de eigen kosten van het geding te laten dragen. [appellante] voert aan dat de weigerachtige houding van [geïntimeerde] om de vso na te komen ertoe heeft geleid dat zij een kort geding moest starten. [geïntimeerde] stelt zich op zijn beurt op het standpunt, zo begrijpt het hof, dat hij onnodig door [appellante] in rechte is betrokken.
4.19
Het hof verwerpt beide standpunten. Het is niet aannemelijk geworden dat [geïntimeerde] de nakoming van de vso heeft willen dwarsbomen. Aan de andere kant kan ook niet worden gezegd dat [appellante] het kort geding in eerste aanleg tegen beter weten is gestart. Dat betekent dat de beslissing van de kantonrechter om de proceskosten te compenseren omdat partijen gewezen echtgenoten zijn, alleszins begrijpelijk is en dat deze het hof ook overigens juist voorkomt.
De conclusie
4.2
De conclusie luidt dat de grieven van [appellante] niet slagen, net zo min als de grief van [geïntimeerde] . De vorderingen van [appellante] en van [geïntimeerde] zullen worden afgewezen en het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen.
De proceskosten in hoger beroep
4.21
Omdat partijen gewezen huwelijkspartners zijn en het onderhavige geschil daarmee samenhangt, zullen de proceskosten op de hierna te vermelden wijze worden gecompenseerd.

5.De beslissing

Het hof:
5.1
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningsrechter van 6 september 2024;
5.2
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep zodat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt;
5.3
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.S. Bakker, M.W. Zandbergen en M.M.A. Wind en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 19 mei 2026.

Voetnoten

1.De vermelding van € 475.000 in het bestreden vonnis is een verschrijving.
2.HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, rov. 4.5.
3.Productie 3 in hoger beroep.
4.Productie 11 in eerste aanleg.
5.Productie 21 in eerste aanleg.