ECLI:NL:GHARL:2026:317

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
200.339.603
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming deskundige in geschil over dakpanplaatsing tussen hoofdaannemer en onderaannemer

In deze civiele zaak tussen een hoofdaannemer en onderaannemer over het leggen van dakpannen heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 januari 2026 een tussenarrest gewezen. Het hof acht het noodzakelijk een deskundige te benoemen om diverse technische vragen te beantwoorden die essentieel zijn voor de beoordeling van het geschil.

De deskundige moet onder meer onderzoeken of het beschikbare bewijsmateriaal, zoals video- en fotomateriaal, inzicht geeft in de bevestiging en verankering van de dakpannen, de juiste toepassing van panhaken, en de kwaliteit van herstelwerkzaamheden. Ook wordt gevraagd naar de noodzaak van verankeringsadviezen en windsterkteberekeningen en de invloed daarvan op de uitvoering.

Partijen hebben de voorgestelde vragen kunnen becommentariëren, waarbij het hof enkele suggesties heeft overgenomen en andere heeft afgewezen. Het voorschot voor de deskundige is vastgesteld op €14.096,50, te betalen door de verweerster. Het hof houdt verdere beslissingen aan tot ontvangst van het deskundigenbericht en reacties van partijen.

De uitspraak benadrukt het belang van een gedegen technisch onderzoek om de aansprakelijkheid en eventuele herstelkosten nauwkeurig vast te stellen in het complexe bouwgeschil.

Uitkomst: Het hof benoemt een deskundige voor technisch onderzoek en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.339.603
zaaknummer rechtbank Gelderland: C/05/422350
arrest van 20 januari 2026
in de zaak van
[appellant]
handelende onder de naam
[naam1]
die woont in [woonplaats] , gemeente [gemeenteplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiser in reconventie
hierna: [appellant]
advocaat: mr. P. Feenstra
tegen
Ouwehand Bouw Katwijk B.V.
die is gevestigd in Valkenburg, gemeente Katwijk
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, verweerster in reconventie
hierna: OBK
advocaat: mr. D.G. Lasschuit

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Na het tussenarrest van 28 januari 2025 hebben partijen ieder eerst een akte genomen en daarna een antwoordakte. Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De verdere beoordeling van de zaak

Benoeming deskundige; bespreking van de vragen voor de deskundige
2.1.
Tijdens de mondelinge behandeling op 4 december 2024 is al aan de orde gekomen dat het voor de beslissing over het geschil van partijen nodig is een deskundige te benoemen. Partijen zijn van tevoren geïnformeerd over de persoon van de deskundige die in het dictum zal worden benoemd en over het voorschot en hebben aangegeven daartegen geen bezwaar te hebben. Het hof heeft in zijn tussenarrest voorgesteld de volgende vragen aan de deskundige voor te leggen.
1. Kunt u aangeven van de daken van welke woningen er video- of fotomateriaal of mogelijk ander bewijsmateriaal beschikbaar is?
2. In hoeverre kunt u zich op basis van dit video- en fotomateriaal en overig bewijsmateriaal een beeld vormen over (1) de bevestiging van panhaken aan de pannen op die verschillende daken, (2) de manier van gebruik van de panhaken voor de verankering van de pannen (dambordsgewijs, volledige verankering, anderszins), (3) het kitten van pannen aan elkaar, (4) de verankering van de pannen door schroeven en het gebruik daarbij van neopreenringen en (5) de wijze van verankering rond dakkapellen, dakramen en andere dakdoorvoeren?
3. Voor zover u zich daarover een beeld kunt vormen, hoe oordeelt u over de manier waarop de werknemers van [appellant] de dakpannen hebben gelegd op de daken? Wilt u daarbij aandacht geven aan de vijf onderwerpen die in de vorige vraag zijn opgesomd?
4. Is het op grond van de Nederlandse Praktijkrichtlijn 6708 of een soortgelijke richtlijn verplicht of geadviseerd om een verankeringsadvies en windsterkteberekeningen op te stellen vóór de start van de bouwwerkzaamheden? Zo ja, in welke mate is [appellant] belemmerd in de uitvoering van zijn werkzaamheden nu hij niet beschikte over dergelijke documenten?
5. Zijn aan [appellant] de juiste panhaken ter beschikking gesteld? Zo nee, welke panhaken zouden de juiste zijn geweest? En op welke manier had het gebrek dat is ontstaan door het toepassen van onjuiste panhaken, hersteld moeten worden?
6. Hebben de panlatten op de daken van de woningen de correcte afmetingen in het licht van de verstrekte of geadviseerde panhaken en pannen? Is de hart-op-hart-afstand van deze panlatten correct?
7. Wat kunt u verklaren over de herstelwerkzaamheden die [appellant] in januari 2023 heeft verricht op de daken van de woningen in de blokken 27, 28 en mogelijk 34? Zijn daarmee de door OBK gestelde gebreken hersteld? Zo nee, hoe ernstig zijn de blijvende tekortkomingen in het aanbrengen van de pannen?
8. Voor het geval [appellant] de pannen niet op de juiste manier heeft aangebracht en deze tekortkoming niet afdoende heeft hersteld, wat zou dan de meest voor de hand liggende methode zijn geweest om de gebreken te herstellen? Wat zijn de kosten van dit herstel, berekend naar het prijspeil in 2023? Hoeveel van deze kosten zijn eventueel te wijten aan het aanleggen van dakdoorvoeren door bewoners? Voor het geval de schade ook is veroorzaakt door het verstrekken van onjuiste panhaken door OBK, het nalaten van tevoren een verankeringsadvies en/of windsterkteberekeningen op te stellen, het gebruik van niet passende panlatten en/of mogelijk ook een onjuiste hart-op-hart-afstand van deze panlatten, kunt u aangeven welk deel van de schade moet worden toegerekend aan [appellant] ?
9. Geeft het onderzoek u aanleiding aanvullende opmerkingen te maken?
2.2.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun reactie te geven op deze formuleringen, van welke gelegenheid zij gebruik hebben gemaakt. Het hof zal hierna hun reacties bespreken.
2.3.
[appellant] heeft in nr. 3 van zijn akte voorgesteld de derde zin van vraag 8 niet te beperken tot dakdoorvoeren, maar uit te breiden met dakkapellen, zonnepanelen en dakramen. OBK heeft daarop geantwoord dat de meeste dakkapellen en dakkapellen al waren aangebracht, voordat [appellant] de pannen had aangebracht. Verder heeft OBK opgemerkt dat de zonnepanelen tijdens de herstelwerkzaamheden niet zijn verwijderd, zodat zij zodoende niet voor extra herstelkosten hebben gezorgd. De zonnepanelen zijn op frames gemonteerd die met eigen dakhaken op de dakconstructie zijn aangebracht. De dakpannen onder deze constructie zitten daarmee vast en behoefden zodoende niet opnieuw te worden gehaakt, waardoor de herstelkosten eerder lager dan hoger zijn geworden.
2.4.
De zin is in vraag 8 opgenomen, omdat [appellant] aanvoert dat de schade mede is ontstaan door werkzaamheden die derden na voltooiing van zijn werkzaamheden op het dak hebben verricht. Het hof heeft er geen bezwaar tegen de vraag niet te beperken tot doorvoeren, maar uit te breiden met dakkapellen, dakramen en zonnepanelen. OBK wijst er dan terecht op dat het moet gaan om werkzaamheden die zijn uitgevoerd na voltooiing van de werkzaamheden door [appellant] . Beide aspecten zullen daarom worden opgenomen in de vraag. Het moet bovendien gaan om werkzaamheden van of in opdracht van bewoners die niet voldoen aan de standaard van goed en deugdelijk werk. Mogelijk is [appellant] misschien niet aansprakelijk, althans niet volledig aansprakelijk, voor schade die volledig of mede is veroorzaakt doordat bijvoorbeeld bij de aanleg van een schoorsteen de pannen onnodig uit hun verband zijn gebracht en daardoor opnieuw moeten worden gelegd. De bedoelde zin zal als volgt luiden:
“Hoeveel van deze kosten zijn te wijten of mede te wijten aan later door of in opdracht van bewoners aangebrachte dakdoorvoeren, dakkapellen, zonnepanelen of dakramen die niet volgens de standaard van goed en deugdelijk werk tot stand zijn gebracht?”
2.5.
Als de stelling van OBK juist is dat de pannen onder de zonnepanelen konden blijven liggen, is er in zoverre minder schade geleden. Dat zou tot uitdrukking moeten komen in de schade-opstelling van OBK. De deskundige zal nagaan of dat correct is gebeurd.
2.6.
[appellant] stelt voor om de volgende vraag op te nemen:
“Kunt u bij de beantwoording van genoemde vragen ook aandacht besteden welke bouwkundige en kostentechnische consequenties het heeft gehad dat de goten door aannemer pas later zijn aangebracht en hierdoor verankering van de onderste rij door [appellant] niet mogelijk was?”OBK acht de vraag overbodig, omdat iedere dakdekker weet dat op de onderste pannenrij geen gewone panhaken kunnen worden gemonteerd.
2.7.
Voor het hof is de relevantie van deze vraag niet duidelijk. Voor zover [appellant] met de vraag impliceert dat het voor hem niet mogelijk was om de onderste pannenrij bij gebreke van een dakgoot op een correcte manier aan te brengen, had hij dat destijds aan de orde moeten stellen bij OBK en moeten vragen om aanpassing van de werkzaamheden. Waarom dit aspect invloed heeft op de door OBK gevorderde schade maakt [appellant] niet duidelijk. Het hof neemt daarom deze suggestie niet over.
2.8.
OBK heeft een aantal suggesties voor schrappingen en aanvullingen gedaan, waartegen [appellant] bezwaar maakt. OBK stelt voor om vraag 4 (verankeringsadvies en windsterkteberekeningen) te schrappen, omdat [appellant] op de hoogte was van de manier waarop de dakpannen moesten worden verankerd. Daarom zou [appellant] geen verankeringsadvies nodig hebben gehad. Het hof hecht er belang aan dat komt vast te staan in hoeverre een verankeringsadvies en een windsterkteberekening invloed uitoefenen op de uitvoering van het werk dat [appellant] op zich had genomen en wat de eventuele gevolgen zijn van het ontbreken van zo’n advies. Het hof neemt het voorstel van OBK daarom niet over.
2.9.
OBK stelt verder de volgende aanvulling voor vraag 3 voor:
“Kan de deskundige aangeven of uit het dossier of uit nader onderzoek is gebleken dat [appellant] tijdens de uitvoering van het werk voldoende controle en regie heeft uitgeoefend over en begeleiding heeft gegeven aan het door hem ingehuurde personeel?”Het hof neemt ook deze suggestie niet over, omdat de door OBK genoemde aspecten al besloten liggen in de door het hof voorgestelde vraag 3.
2.10.
OBK stelt verder voor na de eerste zin van vraag 5 de volgende zin toe te voegen:
“Voldoen de aan [appellant] ter beschikking gestelde panhaken aan de Ontwerp- en uitvoeringsrichtlijnen voor dakbedekkingsconstructies met betonpannen URL 0179/15?”Eenzelfde voorstel doet OBK voor vraag 6. Het hof neemt deze suggesties niet over. Uiteindelijk gaat het niet om de vraag of de ter beschikking gestelde panhaken aan bepaalde normen voldoen, maar of panhaken met de juiste afmetingen zijn overhandigd aan [appellant] . De tekstuele aanpassing van de laatste zin van vraag 5 zal het hof van OBK overnemen.
2.11.
Het voorstel van OBK om de laatste zin van vraag 6 (
“Is de hart-op-hart-afstand van deze panlatten correct?”) te schrappen, omdat niet duidelijk zou zijn wat daarmee wordt bedoeld, neemt het hof niet over. Het hof acht van belang dat wordt onderzocht of de panlatten op zodanige afstand van elkaar waren aangebracht, dat [appellant] met de hem ter beschikking gestelde panhaken de pannen stevig kon verankeren.
2.12.
OBK’s laatste suggestie (voor vraag 6 als toevoeging:
“Zou het gebruik van de gebruikte panlatten en panhaken tot een correcte verandering hebben geleid, wanneer door [appellant] minimaal dambordsgewijs zou zijn verankerd?”) neemt het hof niet over. De vraag is enerzijds sturend, omdat zij suggereert dat zou vaststaan dat [appellant] niet minimaal dambordsgewijs zou hebben verankerd, terwijl dat tussen partijen in geschil is. Zij is anderzijds overbodig, omdat de daaraan voorafgaande vragen al het onderwerp aan de orde stellen of [appellant] de pannen goed en deugdelijk heeft gelegd op de daken.
2.13.
In 3.9 van het tussenarrest van 28 januari 2025 is beslist dat het voorschot zal worden betaald door OBK.
2.14.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.De beslissing

De benoeming
3.1.
Het hof benoemt tot deskundige:
ing. [naam2]
forensisch bouwingenieur/-patholoog /gediplomeerd gerechtelijk deskundige
[bedrijfsnaam]
[adres]
[postcode1] [plaats]
[postbus]
[postcode2] [plaats2]
M: [telefoonnummer1]
T: [telefoonnummer2]
E: [emailadres]
om een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen over de volgende vragen:
1. Kunt u aangeven van de daken van welke woningen er video- of fotomateriaal of mogelijk ander bewijsmateriaal beschikbaar is?
2. In hoeverre kunt u zich op basis van dit video- en fotomateriaal en overig bewijsmateriaal een beeld vormen over (1) de bevestiging van panhaken aan de pannen op die verschillende daken, (2) de manier van gebruik van de panhaken voor de verankering van de pannen (dambordsgewijs, volledige verankering, anderszins), (3) het kitten van pannen aan elkaar, (4) de verankering van de pannen door schroeven en het gebruik daarbij van neopreenringen en (5) de wijze van verankering rond dakkapellen, dakramen en andere dakdoorvoeren?
3. Voor zover u zich daarover een beeld kunt vormen, hoe oordeelt u over de manier waarop de werknemers van [appellant] de dakpannen hebben gelegd op de daken? Wilt u daarbij aandacht geven aan de vijf onderwerpen die in de vorige vraag zijn opgesomd?
4. Is het op grond van de Nederlandse Praktijkrichtlijn 6708 of een soortgelijke richtlijn verplicht of geadviseerd om een verankeringsadvies en windsterkteberekeningen op te stellen vóór de start van de bouwwerkzaamheden? Zo ja, in welke mate is [appellant] belemmerd in de uitvoering van zijn werkzaamheden nu hij niet beschikte over dergelijke documenten?
5. Zijn aan [appellant] de juiste panhaken ter beschikking gesteld? Zo nee, welke panhaken zouden de juiste zijn geweest? Zouden de panhaken niet de juiste zijn geweest, hoe had dan het gebrek dat dan zou zijn ontstaan door het toepassen van onjuiste panhaken, hersteld moeten worden?
6. Hebben de panlatten op de daken van de woningen de correcte afmetingen in het licht van de verstrekte of geadviseerde panhaken en pannen? Is de hart-op-hart-afstand van deze panlatten correct?
7. Wat kunt u verklaren over de herstelwerkzaamheden die [appellant] in januari 2023 heeft verricht op de daken van de woningen in de blokken 27, 28 en mogelijk 34? Zijn daarmee de door OBK gestelde gebreken hersteld? Zo nee, hoe ernstig zijn de blijvende tekortkomingen in het aanbrengen van de pannen?
8. Voor het geval [appellant] de pannen niet op de juiste manier heeft aangebracht en deze tekortkoming niet afdoende heeft hersteld, wat zou dan de meest voor de hand liggende methode zijn geweest om de gebreken te herstellen? Wat zijn de kosten van dit herstel, berekend naar het prijspeil in 2023? Hoeveel van deze kosten zijn te wijten of mede te wijten aan later door of in opdracht van bewoners aangebrachte dakdoorvoeren, dakkapellen, zonnepanelen of dakramen die niet volgens de standaard van goed en deugdelijk werk tot stand zijn gebracht? Voor het geval de schade ook is veroorzaakt door het verstrekken van onjuiste panhaken door OBK, het nalaten van tevoren een verankeringsadvies en/of windsterkteberekeningen op te stellen, het gebruik van niet passende panlatten en/of mogelijk ook een onjuiste hart-op-hart-afstand van deze panlatten, kunt u aangeven welk deel van de schade moet worden toegerekend aan [appellant] ?
9. Geeft het onderzoek u aanleiding aanvullende opmerkingen te maken?
3.2.
Het hof stelt het voorschot van de deskundige vast op € 14.096,50 (inclusief btw).
OBK moet het voorschot betalen.
Aanwijzingen voor de deskundige
3.3.
Pas als de griffier heeft laten weten dat het voorschot is betaald, mag de deskundige met het onderzoek beginnen.
3.4.
De deskundige moet schriftelijk antwoorden op de hiervoor geformuleerde vragen.
3.5.
Bij de uitvoering van het onderzoek moet de deskundige de
Leidraad deskundige in civiele zakenvolgen die is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
3.6.
Als de deskundige vragen heeft, kan hij die stellen aan mr. F.J. de Vries (dat is de raadsheer-commissaris).
3.7.
De deskundige moet het deskundigenbericht vóór 16 juni 2026 sturen naar het hof (postbus 9030, 6800 EM, Arnhem).
Aanwijzingen voor partijen
3.8.
Het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal aan OBK een factuur sturen voor een voorschot van 14.096,50 (inclusief btw). Dit voorschot moet binnen 4 weken na de datum op de factuur zijn betaald.
3.9.
OBK moet aan de deskundige een kopie van het dossier sturen. De griffier stuurt de deskundige een kopie van dit arrest.
3.10.
Partijen moeten de deskundige de inlichtingen geven waarom deze vraagt.
3.11.
Op dinsdag 14 juli 2026 kan [appellant] op het deskundigenbericht reageren. Op dinsdag 11 augustus 2026 mag OBK daarop reageren.
3.12.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. de Vries, M. Schoemaker en R.J.A. Dil, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.