Uitspraak
1.[appellante] (moeder)2. [appellant] ( [appellant] )
3. [appellant3] C.V. ( [appellant3] CV)
[appellanten]
1.[geïntimeerde1] ( [geïntimeerde1] )
hierna gezamenlijk te noemen:
[geïntimeerden]
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep
- de memorie van grieven
- de memorie van antwoord
- de akte inbreng producties van de zijde van [appellanten]
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 18 maart 2026 is gehouden
2.De kern van de zaak
3.De feiten
“1e dat de huurder zich niet gedraagt zoals een goed huurder betaamt,
4.De toelichting op de beslissing van het hof
a) [geïntimeerden] heeft zich niet gedragen als een goed huurder betaamt
b) [appellant] heeft als verhuurder het gehuurde dringend nodig voor eigen gebruik, bestaande uit sloop van het gehuurde dat niet mogelijk is zonder beëindiging van de huurovereenkomst.
De percelen [nummer9] en [nummer6] zijn twee percelen grasland die naast de woning (perceel [nummer5] ) zijn gelegen. [geïntimeerden] is die percelen blijven gebruiken, ook nadat hem het gebruik van die percelen door de rechter was ontzegd. Dat gebruik was dus weliswaar zonder recht of titel, maar het gebruik staat in een te ver verwijderd verband tot de huurovereenkomst van de woning om beëindiging daarvan te kunnen rechtvaardigen; het was een zelfstandige gedraging en niet een gedraging als huurder.
Verder heeft de rechter gehonoreerd dat [geïntimeerden] zijn huurbetalingsverplichtingen opschortte. De omstandigheid dat [geïntimeerden] verschillende posities inneemt over de staat waarin het verhuurde zich bevindt in verschillende procedures, staat hem op zichzelf vrij en levert in ieder geval nog geen slecht huurderschap op. Dat geldt ook voor het beweerdelijk niet melden van gebreken; van (ernstige) gebreken was [appellant] ook zonder melding (kennelijk) op de hoogte. Ook bij elkaar opgeteld zijn de aangevoerde redenen onvoldoende zwaarwegend voor beëindiging op grond van slecht huurderschap.
Een en ander maakt voldoende geloofwaardig dat inmiddels een situatie is bereikt waarin sloop onvermijdelijk is. Dat [appellant] (en zijn rechtsvoorgangers) die situatie zelf in de hand zou hebben gewerkt door jarenlang geen onderhoud en/of minder vergaand herstel uit te (laten) voeren, zoals [geïntimeerden] stelt, staat aan die aanname niet in de weg. Dat argument zal hierna nog wel in de belangenafweging worden betrokken.
a) tussen [appellant] en [geïntimeerden] is al langjarig sprake van ernstig verstoorde verhoudingen, waarin partijen elkaar niets gunnen en zij elk geschil uitvechten voor de rechter. In dat verband geldt dat partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard dat inmiddels een vijftiende procedure tussen hen aanhangig is gemaakt en een zestiende procedure door [geïntimeerden] is aangezegd. [appellant] heeft er om die reden belang bij dat de situatie eindigt dat [geïntimeerden] woont in de woning die (inmiddels) zijn eigendom is. De verwachting is gerechtvaardigd dat dit tot alleen maar nog weer nieuwe geschillen zal leiden;
b) er bestaat al jarenlang een structurele wanverhouding tussen de exploitatiekosten en de huuropbrengsten, omdat [geïntimeerden] al vanaf november 1991 geen huur betaalt. Weliswaar is formeel alleen sprake van een huuropschorting en herleeft de betalingsverplichting met terugwerkende kracht als de woning verbeterd is, maar zoals hiervoor is opgemerkt kan van [appellant] redelijkerwijs geen herstel van de woning worden verlangd indien hij geen huur ontvangt om herstel te bekostigen. Voorts volgt uit de bouwkundige rapportages dat herstel van met name de huidige, kennelijk al lang bestaande gebrekkige fundering van de woning ook geen reële optie is, gelet op de daaraan verbonden kosten. Een en ander leidt ertoe dat sprake is van een situatie dat herstel van de woning in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van [appellant] als verhuurder is te vergen als bedoeld in lid 1 van artikel 7:206 BW Pro. Dat betekent verder dat zolang de huurovereenkomst voortduurt ook de situatie zal voortduren waarin voor [appellant] tegenover zijn exploitatiekosten (zoals de terugkerende jaarlijkse en maandelijkse lasten) geen huuropbrengsten staan;
c) [geïntimeerden] heeft andere woonruimte tot zijn beschikking, omdat hij een woning heeft in [plaats] . Bij de aankoop van die woning in juni 2022 is door [geïntimeerde2] aangegeven daar langer dan tijdelijk te willen gaan wonen. De woning mag dus geschikt worden geacht voor bewoning. Weliswaar stelt [geïntimeerden] nu dat het plan bestaat om in het pand een zorginstelling te vestigen, maar niet is gebleken dat dat plan inmiddels te realiseren is, zodat aangenomen mag worden dat het pand door [geïntimeerden] (ook) als woning kan worden gebruikt.
4.13
het beroep van [geïntimeerden] op artikel 7:274 lid 5 sub b BW ProDe stelling van [geïntimeerden] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep dat de vordering tot beëindiging niet toewijsbaar is, omdat [appellant] als verhuurder de rechtsopvolger is van moeder en de opzegging van de huurovereenkomst door [appellant] is geschied binnen drie jaar na die rechtsopvolging, wordt verworpen. Veronderstellenderwijs aannemend dat het hof de bepaling van artikel 7:274 lid 5 sub b BW Pro ook (ambtshalve) dient toe te passen als er niet tijdig een beroep op is gedaan, zoals in dit geval, geldt dat die bepaling [geïntimeerden] niet baat.
Die beslissing zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, gelet op het bepaalde in lid 1 van artikel 7:272 BW Pro, dat een opgezegde huurovereenkomst van kracht blijft totdat de rechter onherroepelijk heeft beslist op een vordering tot het vaststellen van een tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt. Bijzondere omstandigheden die met zich brengen dat in dit geval van die bepaling afgeweken zou dienen te worden, zijn het hof niet gebleken.
de vordering tot schadevergoeding