Uitspraak
1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
2.De kern van de zaak
Vrijdag 9 juli kan er water op de vloeren”.
wederom dramatisch zijn”.
3.De toelichting op de beslissing van het hof
als er iets is met de vloer, graag gelijk bellen”. De afvloeiing van de vloeren is op dat moment nog niet gecontroleerd, zoals ook [appellant] in ieder geval op 27 mei 2021 duidelijk is, wanneer hij per appbericht van Zee van Tijd de vraag krijgt of er eigenlijk al water op de vloeren mag. [appellant] heeft zich dan bewust moeten zijn van de omstandigheid dat zijn opdrachtgever Zee van Tijd tot dan toe alleen iets van het uiterlijk van de vloeren heeft kunnen vinden, maar niet van de waterafvloeiingseigenschappen daarvan, gelet op zijn antwoord op het appje van 27 mei 2021, op diezelfde dag: “
morgen mag je er water op doen”. Zee van Tijd appt [appellant] op 1 juni 2021 vervolgens: “
Hoi Ruben, ik vind het heel vervelend om te zeggen maar geen enkele sanitair vloer loopt waterpas & geen enkele vloer loopt vervolgens naar de put (waar afschot gecreëerd zou worden). Water loopt naar de wanden en blijft daar liggen door verlaging of richting het slaapvertrek of droge gedeelte badkamer. Afwerking holplinten is ook niet mooi.(…)
Hoor graag hoe dit opgelost gaat worden.” Tussen partijen is vervolgens afgesproken dat [appellant] op 11, 12 en 13 juni 2021 werkzaamheden aan de vloeren gaat verrichten, bestaande uit onder meer uit het afschuren van een laag. Bij het bevestigen van die afspraak meldt Zee van Tijd aan [appellant] : “
Wij zullen dan wanneer het kan (maw dat er water op mag) testen of de vloeren er goed in liggen & hun werk doen zoals ze moeten doen, de factuur 20210525 met een bedrag van € 12.281,50 direct aan jou overmaken.” [appellant] voegt daaraan op 1 juni 2021 toe dat er op 16 juni 2021 water op de vloeren kan, zodat getest kan worden. Deze afspraken zijn vervolgens nader aangepast. Op 24 juni 2021 heeft er een gesprek tussen partijen plaatsgevonden, waarover het volgende is geschreven in een e-mail van [appellant] aan Zee van Tijd van 26 juni 2021:
En jij geeft aan dat er op 9 juli een gezamenlijke oplevering plaatsvindt. Kan er dan ook al water op de vloeren?”, waarop [appellant] van zijn kant weer bevestigend antwoordde. De herstelwerkzaamheden zijn vervolgens verricht en op 9 juli 2021 afgerond. Zee van Tijd gaf toen aan dat er nog geen water op de kraan zat, en dat zij de vloer op enig moment nog wel wilde testen met water. Tijdens de mondelinge behandeling bij dit hof heeft [appellant] aangegeven dat er op 9 juli 2021 contact is geweest tussen hemzelf en mevrouw [naam2] van Zee van Tijd (
[naam2]). Dit contact verliep gehaast, maar [naam2] gaf toen aan dat de vloeren er niet uitzagen en dat zij op dat moment verder geen tijd had. Er waren op dat moment meerdere werklieden aanwezig in verband met de naderende opening van het hotel. [appellant] is na deze korte discussie met [naam2] weggegaan. Op 2 augustus 2021 heeft [appellant] per e-mail om betaling van zijn factuur gevraagd. Nog diezelfde dag reageerde Zee van Tijd met de mededeling dat de vloeren “
wederom dramatisch” waren, er nog een nadere inhoudelijke reactie zou komen, en dat betaling van de factuur niet zou plaatsvinden.
“(een) ongelijkmatig verdichte laag, wellicht onvoldoende gemengde componenten), plaatselijk zijn spaanslagen / afdrukken zichtbaar in de troffelvloer. Als ook gebreken in de transparante afwerklaag. Sinasappel effect, locaties met te veel afwerk lak en vlakken met te weinig lak.” Wat [appellant] ten opzichte van deze duidelijke en onderbouwde bevindingen van de deskundige heeft aangevoerd, acht het hof van onvoldoende gewicht om de bevindingen van de deskundige in twijfel te trekken. De conclusie is dan ook dat [appellant] de troffelvloeren in de douchegedeelten niet deugdelijk heeft gelegd en dus jegens Zee van Tijd werk van onvoldoende kwaliteit heeft geleverd.