ECLI:NL:GHARL:2026:3012

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
200.356.666/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61a RVV 1990Art. 3 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor vasthouden mobiel elektronisch apparaat tijdens rijden

De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 8 september 2022 in Assen. De kantonrechter mat de sanctie wegens termijnoverschrijding en wees een proceskostenvergoeding toe.

In hoger beroep betwistte de betrokkene dat hij het apparaat vasthield, stellende dat de telefoon in een houder zat en zonder vasthouden bediend kon worden. De ambtenaar verklaarde echter dat de betrokkene zijn hand om de houder en het apparaat sloot en het apparaat bediende, wat werd bevestigd door observaties van het gebruik van WhatsApp en gevaarlijk rijgedrag.

Het hof oordeelde dat het omsluiten van de telefoon in de houder met de hand als vasthouden in de zin van artikel 61a RVV 1990 moet worden beschouwd. De schending van de hoorplicht door de officier van justitie leidde niet tot verdere matiging. De beslissing van de kantonrechter werd bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de matiging van de sanctie voor vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.356.666/01
CJIB-nummer
: 252253672
Uitspraak d.d.
: 13 mei 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordNederland van 2 april 2025, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en de inleidende beschikking gewijzigd in die zin dat de sanctie is gematigd tot een bedrag van € 262,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 453,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor:
“als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 8 september 2022 om 15:15 uur op Het Kanaal, ter hoogte van huisnr. 338 in Assen met het voertuig met het kenteken [kenteken] De kantonrechter heeft het sanctiebedrag met
25 procent gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene de gedraging niet heeft verricht. Namens de betrokkene wordt betwist dat de ambtenaar heeft kunnen zien dat hij met zijn hand de telefoon zou omklemmen. De telefoon zat in de houder. Zo kon de betrokkene de telefoon bedienen zonder deze vast te houden. Verder stelt de gemachtigde, onder verwijzing naar de arresten van het hof van 17 augustus 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:6930), 13 februari 2024 en 13 mei 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:2912) dat de hoorplicht door de officier van justitie is geschonden en dat consequenties moeten worden verbonden aan deze schending.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat de bestuurder aan het appen was met zijn telefoon terwijl hij voor het verkeerslicht stond en bleef appen terwijl hij zijn auto bestuurde, hij reed hierbij ook over de weghelft van de tegenligger waardoor een gevaarlijke situatie ontstond.
Overtreden artikel: 61A RVV 1990. (…)
Verklaring betrokkene: verdachte/betrokkene gaf geen verklaring. Omschrijving door de verbalisant: ik geef nergens antwoord op.”
5. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal van 16 november 2022, waarin de ambtenaar onder meer het volgende verklaart:
“Ik, verbalisant Boes heb gezien dat betrokkene een mobiel elektronisch apparaat in zijn rechterhand vasthield tijdens het rijden. Betrokkene beschrijft in zijn verweer dat zijn telefoon in een daarvoor bestemde houder zat. Dit klopt. Echter omsloot de hand van de betrokkene zowel de houder, als daarin het mobiele toestel. Ik zag namelijk dat betrokkene dit mobiele toestel bediende, en dus daarmee in zijn hand had. Allereerst heb ik gezien, toen ik naast het voertuig van betrokkene stond voor de verkeerslichten, dat betrokkene zijn rechterhand om zijn mobiel elektronisch apparaat hield met hierbij ook de houder waarin het mobiel elektronisch apparaat zat. Ik heb zelfs zo specifiek gezien dat betrokkene met zijn vingers om het mobiel elektronisch apparaat zat en dat hij zijn duim gebruikte om het apparaat te bedienen. Ik herkende ook direct het scherm van de mobiele applicatie “WhatsApp”. Ik was de bijrijder van het opvallende dienstvoertuig waarin wij op dat moment reden. Het viel mij op dat de bestuurder zo druk was met zijn mobiel elektronisch apparaat dat hij zelfs niet heeft opgemerkt dat wij naast hem stonden voor het verkeerslicht, in een opvallend dienstvoertuig, gekleed in een politie uniform. Toen betrokkene, nadat hij een groen verkeerslicht kreeg, rechtsaf sloeg, en zijn voertuig bestuurde, viel het mij op dat hij op de rijbaan terecht kwam voor het tegemoetkomende verkeer. Hieruit maakte ik op dat betrokkene waarschijnlijk afgeleid was door het gebruik van zijn mobiel elektronisch apparaat. Dit werd bevestigd toen wij vervolgens naast betrokkene kwamen te rijden op de Industrieweg in Assen. Hier heb ik ook gezien dat betrokkene zijn rechterhand om zijn mobiel elektronisch apparaat hield. Het mobiel elektronisch apparaat zat nog in de daarvoor bestemde houder. Betrokkene had zijn vingers om het apparaat en gebruikte zijn duim voor de bediening van het apparaat. Ook hier herkende ik het scherm van de mobiele applicatie “WhatsApp”. Hiermee kan ik ook antwoord geven op de vraag op basis waarvan ik heb kunnen vaststellen dat het een mobiel elektronisch apparaat betrof. Ik herkende direct aan het formaat dat het ging om een apparaat dat voor communicatie of informatieverwerking gebruikt wordt. Dit bevestigt betrokkene ook in zijn verweer waarin hij aangeeft dat zijn telefoon in de telefoonhouder zat. Betrokkene geeft in zijn verweer ook aan dat hij zijn telefoon tijdens het rijden heeft bediend. Dit heb ik ook waargenomen. Nogmaals, betrokkene heeft tijdens het besturen van zijn voertuig een mobiel elektronisch apparaat vastgehouden en bediend.”
6. Artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) bepaalt het volgende: “het is degene die een voertuig bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vast te houden. Onder een mobiel elektronisch apparaat wordt in elk geval verstaan een mobiele telefoon, een tabletcomputer of een mediaspeler.”
7. De Nota van toelichting bij de invoering van artikel 61a van het RVV 1990 vermeldt onder meer het volgende:
“Het handmatig telefoneren en het gelijktijdig besturen van een motorvoertuig, invalidenvoertuig of bromfiets vormt een gevaar voor de verkeersveiligheid. De Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid schat dat per jaar in het verkeer enkele tientallen doden en bijna driehonderd gewonden vallen door het gebruik van de mobiele telefoon. De oorzaak hiervan is gelegen in een tweetal factoren. Ten eerste is bij het handmatig telefoneren - vaak gedurende enige tijd - slechts één hand beschikbaar voor het verrichten van de noodzakelijke verkeershandelingen. Ten tweede wordt de aandacht van de bestuurder door het voeren van een telefoongesprek afgeleid van de verkeerssituatie. Door de combinatie van deze twee factoren ontstaat een niet te veronachtzamen risico voor de verkeersveiligheid. (…)
In artikel 61a RVV 1990 wordt gesproken van het vasthouden van een mobiele telefoon en niet van telefoneren. Hiervoor zijn verschillende redenen te geven. Ten eerste wordt hiermee de afwijzing van het fysieke aspect van het handmatig telefoneren beter tot uitdrukking gebracht. Onder vasthouden wordt verstaan het in de hand houden, het tussen oor en schouder geklemd houden etc. Ten tweede kan bij de term telefoneren onduidelijkheid bestaan wanneer daarvan sprake is. Is dat op het moment dat de telefoon ter hand wordt genomen, een nummer wordt ingetoetst of bijvoorbeeld op het moment dat de verbinding tot stand komt. Ten derde wordt met de term telefoneren de reikwijdte beperkt tot de overdracht van spraak. Door de gekozen formulering van artikel 61a RVV 1990 wordt tevens het verzenden of ontvangen en lezen van SMS-berichten of e-mailberichten of het internetten met een mobiele telefoon tijdens het rijden onder de verbodsbepaling gebracht. Ten vierde heeft het openbaar ministerie aangegeven dat een verbod op het telefoneren aanzienlijk moeilijker te handhaven is dan een verbod op het vasthouden van een mobiele telefoon. Immers steeds zal moeten worden vastgesteld dat ook daadwerkelijk werd getelefoneerd met het apparaat. Het is niet onaannemelijk dat de verdachte zich zal verweren met de mededeling dat hij weliswaar met een telefoon aan het oor zat, maar dat er geen verbinding was en dat hij dus niet daadwerkelijk aan het telefoneren was. Hoewel, zoals in paragraaf 3 wordt omschreven, in dergelijke gevallen de officier van justitie wel inlichtingen betreffende de telecommunicatie kan vorderen teneinde vast te stellen, is een verbod op het vasthouden van dergelijke apparatuur aanzienlijk eenvoudiger te handhaven.”
8. De regelgever heeft het als bestuurder tijdens het rijden bedienen van een mobiele telefoon niet verboden. De verbodsbepaling in artikel 61a van het RVV 1990 betreft het vasthouden van de mobiele telefoon. Onder vasthouden wordt, zoals blijkt uit de Nota van toelichting, verstaan het in de hand houden, het tussen oor en schouder geklemd houden etc. De Dikke van Dale (2005) definieert vasthouden als volgt: “in de hand of handen houden resp. de hand leggen, doen grijpen om.”
9. Daarnaast zijn in eerdere arresten van dit hof met betrekking tot het begrip vasthouden als bedoeld in artikel 61a van het RVV 1990 verschillende vormen van het gebruik van een mobiele telefoon onder het begrip vasthouden gebracht, zoals het aan de pols bevestigen van een mobiele telefoon, het achter een hoofddoek plaatsen van een mobiele telefoon, het tussen oor en schouder klemmen van een mobiele telefoon en het klemmen van een mobiele telefoon tussen hand en fietsstuur. Daarbij achtte het hof steeds van belang dat de mobiele telefoon niet uit zichzelf in dezelfde positie bleef tijdens het rijden, maar uitsluitend door enige vorm van fysiek ingrijpen van de bestuurder van het voertuig (vgl. het arrest van het hof van 23 september 2025, ECLI:NL:GHARL: 2025:5806).
10. Situaties waarin van vasthouden geen sprake was betroffen het met de hand bedienen van een telefoon die was geplaatst in een telefoonhouder die op het dashboard was bevestigd (arrest van het hof van 7 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2186), het op schoot hebben van een mobiele telefoon (arrest van het hof van 9 augustus 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7637), het op schoot of het bovenbeen hebben van een mobiele telefoon waarbij het scherm vluchtig wordt aangeraakt (arrest van het hof van 11 mei 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3753) en een tablet die met een pin aan het stuur was bevestigd (arrest van het hof van 15 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3338).
11. De situatie zoals hier aan de orde kan met hetgeen onder 9. en 10. is overwogen niet op één lijn worden gesteld, nu de betrokkene de mobiele telefoon tijdens het rijden met zijn rechterhand heeft omsloten. Weliswaar bevond de mobiele telefoon zich in de houder, maar door de fysieke handeling van de betrokkene, namelijk het met zijn rechterhand omsluiten van de mobiele telefoon, is naar het oordeel van het hof sprake van vasthouden in de zin van artikel 61a van het RVV 1990. Overigens blijkt uit de waarnemingen van de ambtenaar dat sprake was van een risico voor de verkeersveiligheid dat de regelgever, blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 61a van het RVV 1990, met deze bepaling heeft beoogd te voorkomen. Dat de gedraging is verricht, kan dan ook worden vastgesteld.
12. Met betrekking tot de grond dat de hoorplicht door de officier van justitie is geschonden en dat consequenties moeten worden verbonden aan deze schending, is het hof van oordeel dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat weliswaar sprake is van schending van de hoorplicht, maar dat, onder verwijzing naar het arrest van het hof van 17 augustus 2023 (ECLI:NL:GHARL: 2023:6930), deze schending niet leidt tot matiging van het sanctiebedrag. De verwijzing van de gemachtigde naar het arrest van het hof van 13 mei 2025 gaat hier niet op, omdat geen sprake is van vergelijkbare situaties.
13. De gronden treffen geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen. Er is geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Postma als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.