ECLI:NL:GHARL:2026:3005

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
200.362.303
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 195 RvArt. 194 lid 1 RvArt. 194 lid 2 RvArt. 22 AVGArt. 15 lid 1 sub (h) AVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incidentele vordering inzage interne stukken financieringsbesluit RNHB

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland waarin haar vorderingen wegens onrechtmatig handelen en tekortschieten van RNHB werden afgewezen. In het incident vordert appellante op grond van artikel 195 Rv Pro inzage in diverse interne documenten van RNHB over de periode april tot en met augustus 2022, die betrekking hebben op de besluitvorming over de (niet-)verlenging van een financieringsovereenkomst.

RNHB stelt dat zij niet beschikt over een deel van de gevorderde gegevens, omdat bepaalde besluitvormingsdocumenten niet bestaan. Het hof acht dit aannemelijk en wijst die vordering af. Daarnaast oordeelt het hof dat appellante onvoldoende belang heeft bij inzage in de overige gevraagde interne stukken, omdat bij een eventuele toewijzing van de hoofdzaak het ontbreken van motieven en belangenafwegingen voor rekening van RNHB komt.

Het hof wijst de incidentele vordering af, veroordeelt appellante in de proceskosten van RNHB en bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevindt. Verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: De incidentele vordering tot inzage van interne stukken van RNHB wordt afgewezen wegens ontbreken van voldoende belang en het niet beschikken over bepaalde gegevens.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.362.303
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 584603
arrest in het incident van 12 mei 2026
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats] (België)
advocaat: mr. S.H.O. Aben
en
RNHB B.V. (RNHB)
die is gevestigd in Utrecht
advocaat: mr. R.M. Vermaire

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, op 9 juli 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven inclusief incidentele vordering op grond van artikel 195 Rv Pro
  • de memorie van antwoord in het incident

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellante] heeft een aantal panden gekocht waarin een hotel werd geëxploiteerd. Voor de financiering van die aankoop en de renovatie van de panden heeft [appellante] in 2012 met de rechtsvoorganger van RNHB een financieringsovereenkomst gesloten voor de duur van twee jaar, met de mogelijkheid tot verlenging. De financiering is meerdere malen door RNHB (en haar rechtsvoorganger) verlengd. Partijen zouden tegen het einde van de laatste verlenging met elkaar spreken over het nogmaals verlengen van de financieringsovereenkomst. In die periode heeft zich een kandidaat-koper gemeld bij [appellante] voor de overname van de panden en de exploitatie, waardoor het gesprek over de verlenging van de financieringsovereenkomst niet is doorgegaan. Aangezien [appellante] het bod van de kandidaat-koper niet heeft geaccepteerd en er dus geen verkoop heeft plaatsgevonden, heeft [appellante] RNHB benaderd om de gesprekken over de verlenging te hervatten. RNHB heeft toen laten weten dat de financiering niet zou worden verlengd en heeft de financiering opgeëist. [appellante] heeft vervolgens de panden verkocht. Volgens [appellante] heeft RNHB door de overeenkomst op te zeggen en de financiering binnen een maand op te eisen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar gehandeld. Daarmee heeft RNHB volgens [appellante] onrechtmatig gehandeld althans is zij tekortgeschoten. Het handelen van RNHB is in strijd met de op haar rustende zorgplicht en met het door haar opgewekt vertrouwen, aldus [appellante] .
2.2.
[appellante] heeft bij de rechtbank een verklaring voor recht gevorderd dat RNHB toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, althans onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [appellante] en aansprakelijk is voor de schade, nader op te maken bij staat, die [appellante] als gevolg daarvan heeft geleden of nog zal lijden. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen.
2.3.
[appellante] is in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank en heeft ook een incidentele vordering ingesteld op grond van artikel 195 Rv Pro.
2.4.
Het hof zal de incidentele vordering afwijzen en licht hierna toe hoe het tot dat oordeel is gekomen.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De inzagevordering
3.1.
[appellante] vordert RNHB te bevelen om over de periode april tot en met augustus 2022 de volgende bescheiden en gegevens te overleggen, althans ter inzage te verstrekken:
notulen, adviezen, interne memo's en besluiten van de kredietcommissie (of vergelijkbaar besluitvormingsorgaan) voor zover betrekking hebbend op de (niet) verlenging van de financiering en/of de besluitvorming daaromtrent;
CRM-journaals, call notes, interne aantekeningen, taak-/ticketregistraties én e-mailcorrespondentie van/aan (i) [naam1] , (ii) [naam2] en (iii) [naam3] , voor zover betrekking hebbend op (i) de C&W-taxatie, (ii) de afspraak van 3 mei 2022, (iii) de aflosnota en (iv) de interne besluitvorming over het verlengings-/exit-spoor;
indien door RNHB een (semi)geautomatiseerde risicobeoordeling en/of (gedeeltelijk) geautomatiseerde besluitvormingslogica is gebruikt: de score-uitdraai(en), een uitleg of het besluit volledig automatisch is genomen of dat er een mens bij betrokken was. Als dat van toepassing is, ook een casusgerichte toelichting op de belangrijkste gebruikte criteria en de gehanteerde logica en de significante gevolgen voor [appellante] , overeenkomstig het vereiste van "meaningful information" ex art. 22 AVG Pro jo. art. 15 lid 1 sub Pro (h) AVG (en de daaruit voortvloeiende transparantie-/inzagerechten).
3.2.
[appellante] vordert inzage in, althans afgifte van stukken die zien op de besluitvorming over de verlenging/opeising, de communicatie over het verlengingsspoor en de (al dan niet geautomatiseerde) beoordeling. Volgens [appellante] betreft dit noodzakelijke informatie over de dragende redenen van RNHB, de daadwerkelijke belangenafweging en het vertrouwen dat RNHB bij [appellante] heeft gewekt dat (verlenging binnen) het verlengingsspoor nog reëel was. Zonder deze stukken kan hij zijn stellingen over de besluitvorming, de (on)redelijkheid en de gerechtvaardigde verwachtingen slechts beperkt onderbouwen, aldus [appellante] .
Het juridisch kader
3.3.
In artikel 195 lid 1 Rv Pro is bepaald dat de rechter op verzoek van de partij die daar op grond van artikel 194 lid 1 Rv Pro recht op heeft, de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt.
3.4.
Op grond van artikel 194 lid 1 Rv Pro komt het recht op inzage, afschrift of uittreksel toe (a) aan een partij bij een rechtsbetrekking (b) tegenover degene die beschikt over (c) bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, als zij (d) daarbij voldoende belang heeft. Degene die inzage, afschrift of uittreksel vordert, moet aannemelijk maken dat hij daarbij voldoende belang heeft. Op grond van het tweede lid hoeft geen inzage, afschrift of uittreksel te worden verstrekt als sprake is van een verschoningsrecht of als gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
Gegevens waarover RNHB niet beschikt
3.5.
RNHB heeft aangevoerd dat zij over een deel van de gevorderde gegevens niet beschikt. Zij stelt dat de gevraagde stukken onder c. niet bestaan omdat de beslissing om een financiering al dan niet te verlengen uitsluitend gemaakt wordt door mensen. Daarnaast heeft RNHB toegelicht dat in dit geval geen concreet verlengingsvoorstel is opgesteld, zodat een dergelijk voorstel niet gedeeld kan worden, laat staan communicatie over de beoordeling van zo een voorstel. Het hof begrijpt deze stellingname zo dat RNHB aanvoert niet te beschikken over de onder a. gevorderde gegevens voor zover deze betrekking hebben op besluitvorming over (niet-)verlenging van de financiering. Het hof acht voldoende aannemelijk dat zulke gegevens niet bestaan en daarom kan RNHB niet worden bevolen tot inzage of afschrift daarvan. De vordering van [appellante] wat betreft die gegevens zal dan ook om deze reden worden afgewezen.
[appellante] heeft onvoldoende belang bij inzage van interne stukken
3.6.
Het hof is om de volgende redenen van oordeel dat [appellante] wat betreft de gevraagde stukken onder b. niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoende belang heeft bij het verkrijgen van inzage dan wel afschrift daarvan.
3.7.
Tussen partijen is in geschil of RNHB mocht beslissen dat zij de kredietovereenkomst met [appellante] niet zou verlengen. Het standpunt van [appellante] komt erop neer dat sprake is van een duur(krediet)relatie die niet op deze manier beëindigd had mogen worden. [appellante] wijst daarbij op het door RNHB opgewekte vertrouwen, de grote gevolgen voor hem en het ontbreken van een goede reden aan de zijde van RNHB. Dit handelen is in strijd met de op RNHB rustende zorgplicht, aldus [appellante] ; RNHB had goede redenen moeten hebben voor de niet-verlenging en de rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat dit niet zo is.
3.8.
[appellante] legt aan zijn vordering op grond van artikel 195 Rv Pro ten grondslag dat RNHB zich beroept op interne besluitvorming. Hij voert aan dat zijn vordering ertoe strekt dat het hof kan beschikken over de voor beoordeling van het geschil noodzakelijke informatie over (i) de dragende redenen van RNHB, (ii) de daadwerkelijk gemaakte belangenafweging en (iii) het vertrouwen dat RNHB bij [appellante] heeft gewekt.
3.9.
[appellante] heeft echter niet duidelijk gemaakt en niet onderbouwd hoe de door hem gevraagde interne stukken van RNHB kunnen bijdragen aan het vaststellen van de rechtsbetrekking tussen hem en RNHB. Immers indien [appellante] in het hoger beroep in zijn stellingen in de hoofdzaak gelijk zou krijgen, namelijk dat RNHB niet zonder opgave van dragende redenen mocht opzeggen of geen daadwerkelijke belangenafweging heeft gemaakt, komt het ontbreken van (informatie over) redenen van RNHB bij de door haar genomen beslissingen voor rekening en risico van RNHB. Met andere woorden, RNHB zal in dat geval door middel van bij haar aanwezige stukken moeten aantonen dat die dragende reden er was of de belangenafweging correct is gemaakt. Daarmee is een voldoende belang van [appellante] bij de gevraagde informatie op dit moment niet komen vast te staan. Wat betreft de stukken met betrekking tot het beroep op het opgewekte gerechtvaardigd vertrouwen heeft [appellante] in het incident onvoldoende toegelicht hoe de gevraagde informatie daarvoor van belang kan zijn, zodat ook hier het voldoende belang niet is komen vast te staan. Daar stuit de incidentele vordering al op af.
3.10.
Gelet hierop hoeft de vraag of sprake is van vertrouwelijke gegevens die een gewichtige reden opleveren als bedoeld in artikel 194 lid 2 Rv Pro geen bespreking meer.
De conclusie
3.11.
Het hof wijst de incidentele vordering van [appellante] af. [appellante] zal in de proceskosten van RNHB in het incident worden veroordeeld. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
3.12.
De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident
4.1.
wijst de vordering van [appellante] af;
4.2.
veroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van RNHB in het incident:
€ 1.290,- aan salaris van de advocaat van RNHB;
4.3.
bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen veertien dagen na vandaag en dat als niet op tijd wordt betaald, die kosten dan worden verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.5.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.M.I. De Waele, C. Bakker en P.J. van der Korst, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.