Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2988

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
23/2962
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.21 Wet IB 2001Art. 4.25 Wet IB 2001Art. 4.36 Wet IB 2001Art. 16 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001Art. 49 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verkrijgingsprijs aandelen aanmerkelijk belang bij remigratie ondanks step-down regeling

Belanghebbende, die sinds 1993 aandeelhouder was van een Poolse vennootschap en sinds 1996 van een Nederlandse houdstermaatschappij, emigreerde in 2003 naar Polen en remigreerde in 2018 naar Nederland. Bij remigratie stelde de Inspecteur de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding vast op € 1.747.148 door toepassing van een step-down regeling, terwijl de rechtbank deze prijs op € 10.004.000 stelde.

De step-down regeling, bedoeld om belastingontwijking te voorkomen, houdt in dat de verkrijgingsprijs wordt verminderd met het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de historische verkrijgingsprijs van de aandelen. Het hof oordeelt dat toepassing van deze regeling in strijd is met de goede verdragstrouw jegens Polen, omdat Polen het exclusieve heffingsrecht had over de vervreemdingswinst die Nederland nu alsnog wil belasten.

Het hof bevestigt daarom de rechtbankuitspraak en verklaart het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond. Tevens veroordeelt het hof de Inspecteur in de proceskosten en griffierechten van belanghebbende.

Uitkomst: Het hof bevestigt de rechtbankuitspraak en verklaart het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/2962
uitspraakdatum:
12 mei 2026
Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de
inspecteurvan de
Belastingdienst Midden-en kleinbedrijf/Kantoor Almere(hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 oktober 2023, nummer AWB 21/4128, ECLI:NL:RBGEL:2023:6841, in het geding tussen de Inspecteur en
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De Inspecteur heeft bij beschikking, als bedoeld in artikel 4.36 Wet IB 2001, van 15 juni 2021 de verkrijgingsprijs van belanghebbende van de aandelen in [belanghebbende] Holding Sp. Z o.o. (hierna: Holding) per 27 december 2018 vastgesteld op € 1.747.148.
1.2.
Belanghebbende heeft, met toestemming van de Inspecteur, rechtstreeks beroep ingesteld tegen de beschikking bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de beschikking gewijzigd en daarbij de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding vastgesteld op € 10.004.000. Verder heeft de Rechtbank de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 500, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende van € 2.092,50 en bepaald dat de Inspecteur het griffierecht van € 49 aan belanghebbende moet vergoeden.
1.3.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.4.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M.L. Veldhuijzen en diens kantoorgenoten [naam1] en [naam2] , alsmede [naam3] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam4] , [naam5] en [naam6] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit.
2.2.
Belanghebbende was sinds 1993 enig aandeelhouder en bestuurder van [Sp. z.o.o.] , een naar Pools recht opgerichte vennootschap die feitelijk in Polen is gevestigd.
2.3.
Belanghebbende was sinds 31 december 1996 enig aandeelhouder en bestuurder van [belanghebbende] Beheer B.V. (hierna: Beheer BV) . Beheer BV is een houdstervennootschap die belangen houdt in diverse Nederlandse deelnemingen. Beheer BV is feitelijk gevestigd in Nederland. De verkrijgingsprijs als bedoeld in artikel 4.21, lid 1, Wet IB 2001 van belanghebbende van de aandelen Beheer BV bedroeg € 435.148.
2.4.
Belanghebbende is in 2003 geëmigreerd naar Polen om daar met zijn Poolse echtgenote te gaan wonen. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben samen twee kinderen. De echtgenote en de twee kinderen hebben de Poolse nationaliteit.
2.5.
Belanghebbende heeft voor de jaren 2003 tot en met 2010 aangifte IB/PVV gedaan als binnenlands belastingplichtige.
2.6.
Bij brief van 13 juni 2013 heeft belanghebbende de Inspecteur kenbaar gemaakt dat hij in 2003 is geëmigreerd en dat hij dus ten onrechte steeds als binnenlands belastingplichtige aangifte heeft gedaan. Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht de reeds vastgestelde aanslagen IB/PVV vanaf het jaar 2003 te corrigeren. Belanghebbende heeft er daarbij op gewezen dat de zogenoemde tienjaarstermijn is verstreken, zodat geen belang meer bestaat bij het alsnog opleggen van een conserverende aanslag in verband met de emigratie in 2003.
2.7.
De Inspecteur heeft afgezien van het opleggen van een conserverende aanslag vanwege onder andere de (fictieve) vervreemding van het aanmerkelijk belang in Beheer BV als gevolg van de emigratie van belanghebbende in 2003.
2.8.
Belanghebbende heeft op 7 december 2018 de aandelen Beheer BV en [Sp. z.o.o.] middels een storting op aandelen ingebracht in Holding . Holding is een naar Pools recht opgerichte vennootschap waarvan belanghebbende alle aandelen houdt. Op het moment van de inbreng van de aandelen Beheer BV en [Sp. z.o.o.] was Holding feitelijk gevestigd in Polen. De inbrengwaarde van de aandelen Beheer BV en [Sp. z.o.o.] bedroeg respectievelijk € 8.692.000 en € 1.312.000.
2.9.
In Polen heeft geen belastingheffing plaatsgevonden over de vermogenswinst die belanghebbende heeft gerealiseerd als gevolg van de vervreemding van de aandelen Beheer BV en [Sp. z.o.o.] aan Holding . De Poolse belastingwetgeving kent voor dit geval, in overeenstemming met de Fusierichtlijn [1] en gelijk aan artikel 3.55 Wet IB 2001, een vrijstelling in de vorm van een doorschuiffaciliteit.
2.10.
Belanghebbende is op 27 december 2018 vanwege een echtscheiding geremigreerd naar Nederland.
2.11.
De remigratie van belanghebbende naar Nederland heeft in Polen niet geleid tot belastingheffing van belanghebbende in de vorm van een zogenoemde exitheffing, met betrekking tot het aandelenbelang van belanghebbende in Holding , omdat de Poolse belastingwetgeving tot 1 januari 2019 niet voorzag in een dergelijke exitheffing.
2.12.
In zijn aangifte IB/PVV 2018 heeft belanghebbende een voordeel uit aanmerkelijk belang vanwege de vervreemding van de aandelen Beheer BV aan Holding in aanmerking genomen van € 8.256.852 en aangeven dat dat voordeel elders is belast.
2.13.
De Inspecteur heeft naar aanleiding van de aangifte IB/PVV 2018 vragen gesteld. Partijen zijn vervolgens in onderling overleg overeengekomen dat de (historische) verkrijgingsprijs als bedoeld in artikel 4.21, lid 1, Wet IB 2001, van belanghebbende van de aandelen Holding € 10.004.000 bedraagt. Dit bedrag is gelijk aan de waarde in het economisch verkeer van de aandelen Beheer BV (€ 8.692.000) en de aandelen [Sp. z.o.o.] (€ 1.312.000) op het moment van de overdracht van deze aandelenbelangen aan Holding . Partijen zijn het er ook over eens geworden dat op het moment van remigratie de waarde in het economisch verkeer van de aandelen Holding – nog steeds – € 10.004.000 bedroeg.
2.14.
De Inspecteur heeft daarna bij brief van 12 mei 2021 aangekondigd de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang in Holding per de datum van remigratie van belanghebbende vast te stellen op € 1.747.148. De Inspecteur heeft deze verkrijgingsprijs bepaald door op de (historische) verkrijgingsprijs als bedoeld in artikel 4.21, lid 1, Wet IB 2001, van € 10.004.000, op grond van artikel 4.25 Wet IB 2001 in samenhang met artikel 16, leden 1 en 11, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: het Uitvoeringsbesluit), een zogenoemde step-down toe te passen. Deze step-down bedraagt € 8.256.852 en is gelijk aan het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van de aandelen Beheer BV op het moment van inbreng van deze aandelen in Holding (€ 8.692.000) en de historische verkrijgingsprijs van de aandelen Beheer BV (€ 435.148).
2.15.
De Inspecteur heeft bij beschikking als bedoeld in artikel 4.36 Wet IB 2001 van 15 juni 2021 de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding per datum remigratie overeenkomstig de hiervoor in 2.14. genoemde aankondiging vastgesteld op € 1.747.148.
2.16.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding te laag heeft vastgesteld. De Rechtbank heeft daartoe overwogen dat artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit op grond van het Unierecht, in het bijzonder de vrijheid van vestiging als bedoeld in artikel 49 VWEU Pro, buiten toepassing moet worden gelaten. Er kan daarom geen step-down worden toegepast op de (historische) verkrijgingsprijs van € 10.004.000. De Rechtbank heeft de beschikking gewijzigd en de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding vastgesteld op € 10.004.000.

3.Geschil

3.1.
In geschil is de verkrijgingsprijs van belanghebbende van de aandelen Holding .
3.2.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding ten onrechte heeft vastgesteld op € 10.004.000. Volgens de Inspecteur moet die verkrijgingsprijs op grond van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit worden vastgesteld op € 1.747.148. Het Unierecht staat daar volgens de Inspecteur niet aan in de weg, nu er geen sprake is van een niet gerechtvaardigde belemmering van de vrijheid van vestiging als bedoeld in artikel 49 VWEU Pro. De Inspecteur is verder van mening dat de toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit in dit geval niet leidt tot een schending van de goede verdragstrouw of tot een schending van het discriminatieverbod van artikel 1 van Pro de Grondwet.
3.3.
Belanghebbende betoogt dat de Rechtbank de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding terecht heeft vastgesteld op € 10.004.000. Volgens belanghebbende staan zowel het Unierecht als de goede verdragstrouw eraan in de weg dat op het moment van remigratie op grond van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit een step-down wordt toegepast op de (historische) verkrijgingsprijs van € 10.004.000. Daarnaast leidt toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit volgens belanghebbende tot een schending van het grondwettelijk discriminatieverbod. Hij voert daartoe aan dat voor de aandelen [Sp. z.o.o.] wel wordt uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer van die aandelen op het moment van inbreng in Holding , maar voor de aandelen Beheer BV niet, terwijl belanghebbende op het moment van emigratie naar Polen al een aanmerkelijk belang hield in beide vennootschappen en belanghebbende beide aandelenbelangen heeft overdragen aan Holding voordat hij remigreerde.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
De inspecteur kan op de voet van artikel 4.36 Wet IB 2001 de verkrijgingsprijs van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren, al dan niet op verzoek, bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen. Artikel 4.21, lid 1, Wet IB 2001, voor zover hier van belang, omschrijft de verkrijgingsprijs van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen als de tegenprestatie bij de verkrijging vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomen kosten.
4.2.
Artikel 4.25 Wet IB 2001 bevat nadere regels voor de vaststelling van de verkrijgingsprijs van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren indien de houder van dat belang in Nederland gaat wonen (immigreert). Artikel 4.25, lid 1, Wet IB 2001 bepaalt daartoe als hoofdregel dat, indien een belastingplichtige in Nederland gaat wonen en hij op dat tijdstip aandelen in een vennootschap heeft, de verkrijgingsprijs van die aandelen wordt gesteld op de waarde die op dat tijdstip in het economische verkeer aan die aandelen kan worden toegekend.
4.3.
Artikel 4.25, lid 1, Wet IB 2001 is, ingevolge artikel 4.25, lid 2, Wet IB 2001, echter niet van toepassing indien, zoals in het geval van belanghebbende, de belastingplichtige voordien is opgehouden in Nederland te wonen. Artikel 4.25, lid 4, Wet IB 2001 bepaalt voor dat geval dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld inzake de verkrijgingsprijs. Die nadere regels zijn opgenomen in artikel 16 van Pro het Uitvoeringsbesluit. In artikel 16, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat indien een belastingplichtige met een aanmerkelijk belang in Nederland gaat wonen en (i) de belastingplichtige eerder in Nederland heeft gewoond of (ii) de belastingplichtige voordien ten aanzien van een aanmerkelijk belang buitenlands belastingplichtig is geweest, de verkrijgingsprijs van de tot dat belang behorende aandelen wordt gesteld op de verkrijgingsprijs als bedoeld in artikel 4.21 Wet IB 2001. Volgens datzelfde artikellid wordt die verkrijgingsprijs vervolgens vermeerderd of verminderd zoals aangegeven in de leden 2 en volgende van artikel 16 van Pro het Uitvoeringsbesluit.
4.4.
In het geval van belanghebbende is de vermindering die is uitgewerkt in artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit van belang. In dit artikellid is voor zover hier van belang bepaald dat, indien de belastingplichtige een aanmerkelijk belang in een vennootschap heeft die onmiddellijk aandelen in een in Nederland gevestigde vennootschap heeft en deze aandelen zijn verkregen van de belastingplichtige bij wie die aandelen tot een aanmerkelijk belang behoorden, de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 Wet IB 2001 wordt verminderd met een zogenoemde step-down. Die step-down is gelijk aan het bedrag waarmee op het tijdstip van bedoelde verkrijging door de vennootschap de waarde in het economische verkeer van de door de vennootschap van de belastingplichtige verkregen aandelen de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 Wet IB 2001 van de belastingplichtige van die aandelen overtreft.
4.5.
Met de hiervoor in 4.2. en 4.3. beschreven wettelijke regeling wordt beoogd om de verkrijgingsprijs van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren zodanig vast te stellen dat daardoor in beginsel Nederlandse belasting wordt geheven over de waardeaangroei van die aandelen voor zover die is ontstaan in een periode dat in Nederland, ter zake van het aanmerkelijk belang, op grond van het nationale recht sprake was van binnen- dan wel buitenlandse belastingplicht. [2] Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit blijkt dat dit artikellid naar aanleiding van belastingbesparende constructies uit de praktijk, in lijn daarmee, tracht te voorkomen dat een belastingplichtige een Nederlandse belastingclaim op tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen op een in Nederland gevestigde vennootschap blijvend zou kunnen ontgaan door voordat hij in Nederland gaat wonen zijn aandelen of winstbewijzen, bijvoorbeeld door middel van een aandelenruil, te vervreemden aan een (buitenlandse) holding . [3]
4.6.
Belanghebbende was in de periode dat hij in Polen woonde op grond van artikel 2.1, in samenhang met hoofdstuk 7, Wet IB 2001 buitenlands belastingplichtig ter zake van zijn aanmerkelijk belang in Beheer BV . Met de inbreng van dit aandelenbelang in Holding op 7 december 2018 heeft belanghebbende dit aanmerkelijk belang vervreemd. Deze vervreemding heeft ertoe geleid dat belanghebbende, als buitenlands belastingplichtige, een vervreemdingswinst heeft gerealiseerd van € 8.256.852 [4] . Doorschuiving van deze vervreemdingswinst was voor belanghebbende in dit geval niet mogelijk, nu op grond van artikel 7.5, lid 4, Wet IB 2001, de aandelenfusiefaciliteit van artikel 4.41, lid 1, Wet IB 2001 niet toegepast kon worden.
4.7.
Op grond van artikel 13, lid 4, van het Belastingverdrag Nederland – Polen 2002 [5] (hierna: het Verdrag) kon Nederland het heffingsrecht over de in 4.6 genoemde, gerealiseerde vervreemdingsvoordeelt niet effectueren. Op grond van genoemd artikel had Polen in dit geval het exclusieve heffingsrecht over de voordelen verkregen uit de vervreemding van de aandelen Beheer BV door belanghebbende van € 8.256.852.
4.8.
In het geval van belanghebbende leidt de toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit ertoe dat de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding als bedoeld in artikel 4.21 Wet IB 2001 van € 10.004.000, moet worden verlaagd met een step-down van € 8.256.852, tot € 1.747.148. Dit heeft tot gevolg dat de vervreemdingswinst die belanghebbende in 2018 heeft gerealiseerd met de vervreemding van de aandelen Beheer BV aan Holding , die gelijk is aan het bedrag van de step-down, bij een eventuele latere vervreemding van de aandelen Holding door belanghebbende dan alsnog in de heffing van de Nederlandse inkomstenbelasting kan worden betrokken. Dit is gelet op de hiervoor in 4.5. aangehaalde totstandkomingsgeschiedenis ook het doel van deze regeling. Daarmee ontstaat echter de situatie dat Nederland als gevolg van de toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit bij een latere vervreemding van de aandelen Holding door belanghebbende in feite een in 2018 gerealiseerd voordeel (gaat) belast(en) dat op grond van artikel 13, lid 4, van het Verdrag exclusief ter heffing was toegewezen aan Polen. Met deze toe-eigening van het heffingsrecht over de eerder gerealiseerde vermogenswinst ten aanzien van de vervreemding van de aandelen Beheer BV , handelt Nederland dan in strijd met de goede trouw die Nederland als verdragspartner jegens Polen in acht moet nemen. Dat na de remigratie van belanghebbende op grond van artikel 13, lid 4, van het Verdrag de voordelen verkregen uit de vervreemding van de aandelen Holding belastbaar zijn in Nederland, betekent niet dat Nederland, zonder schending van de goede verdragstrouw, zich op grond van het Verdrag ook de heffingsbevoegdheid kan toe-eigenen over een deel van dit vervreemdingsvoordeel dat volgens de Nederlandse belastingwetgeving al eerder daadwerkelijk is gerealiseerd en waarover Nederland toen op grond van het Verdrag geen heffingsrecht had. Om schending van de goede verdragstrouw in dit geval te voorkomen moet daarom bij het vaststellen van de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding op het moment van remigratie van belanghebbende artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit buiten toepassing worden gelaten.
4.9.
Anders dan de Inspecteur betoogt, verschilt het onderhavige geval van de situatie die aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2017 [6] . In die zaak was onder meer de vraag aan de orde of het niet verlenen van een zogenoemde step-up van de verkrijgingsprijs op grond van artikel 16, lid 3, van het Uitvoeringsbesluit, bij de immigratie van die belanghebbende vanuit België naar Nederland, in strijd was met het Belastingverdrag Nederland - België. De Hoge Raad oordeelde in die zaak dat het niet verlenen van een dergelijke step-up niet in strijd was met de met artikel 13, lid 4, van het Verdrag overeenkomende bepaling uit het Belastingverdrag Nederland – België. Redengevend voor dat oordeel was dat in de periode dat die belanghebbende buitenlands belastingplichtig ter zake van het aanmerkelijk belang was zich, anders dan in onderhavige zaak, juist niet enige vorm van realisatie had voorgedaan ten aanzien van de waardeaangroei van het aanmerkelijk belang in de periode dat die belanghebbende in België woonde. Dit essentiële verschil maakt dat de uitkomst in deze zaak anders is.
4.10.
Aan het oordeel dat toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit in dit geval in strijd is met de goede verdragstrouw staat niet in de weg dat onderhavig geschil betrekking heeft op de beschikking die de Inspecteur heeft gegeven op de voet van artikel 4.36 Wet IB 2001. Het doel van deze beschikking vaststelling verkrijgingsprijs is het wegnemen van rechtsonzekerheid ten aanzien van de omvang van een toekomstig vervreemdingsvoordeel van in dit geval de aandelen Holding . [7] Indien de beschikking verkrijgingsprijs onherroepelijk vast komt te staan, staat in beginsel ook vast dat bij het bepalen van de vervreemdingsvoordeel bij latere vervreemding van de aandelen Holding rekening wordt gehouden met het vervreemdingsvoordeel dat belanghebbende in 2018 reeds heeft behaald met de vervreemding van de aandelen Beheer BV aan Holding . Het geschil over de onderhavige beschikking gaat dus in zoverre ook rechtstreeks over de vraag of het door belanghebbende in 2018 met de vervreemding van de aandelen Beheer BV behaalde vervreemdingsvoordeel in een later jaar in de heffing van de Nederlandse inkomstenbelasting kan worden betrokken.
4.11.
Aan het oordeel dat toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit in dit geval in strijd is met de goede verdragstrouw staat ook niet in de weg dat in Polen in dit geval geen daadwerkelijke belastingheffing heeft plaatsgevonden ten aanzien van het voordeel dat belanghebbende heeft behaald met de vervreemding van de aandelen Beheer BV aan Holding . Voor de vraag of sprake is van een schending van de goede verdragstrouw gaat het erom of het Polen of grond van het Verdrag (exclusief) was toegestaan om te heffen over dit vervreemdingsvoordeel en niet of Polen ook daadwerkelijk dit toegewezen heffingsrecht heeft geëffectueerd. Dat in Polen in dit geval niet is geheven als gevolg van de toepassing van de Fusierichtlijn en het ontbreken van een exitheffing bij vertrek van belanghebbende uit Polen, maakt dit niet anders.
4.12.
Nu het Hof van oordeel is dat de goede verdragstrouw in dit geval in de weg staat aan de toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit, behoeven de vragen of toepassing van dit artikel in dit geval in strijd is met het Unierecht of met het discriminatieverbod geen beantwoording.
4.13.
Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Nu het Hof het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond verklaart, ziet het Hof aanleiding om van de Inspecteur griffierecht te heffen en de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken.
5.2.
Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 934).

6.Beslissing

Het Hof:
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.868,
– bepaalt dat van de Inspecteur op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 548.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. M.M. Breij en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.
De beslissing is op
12 mei 2026in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. In verband daarmee is de uitspraak ondertekend door mr. R.R. van der Heide.
(S. Darwinkel) (R.R. van der Heide)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat (gecodificeerde versie), Pb L 310, 34.
2.Kamerstukken II 1995/96, 24 761, nr. 3, p. 59-60, en Kamerstukken II 1996/97, 24 761, nr. 7, p. 21.
3.Nota van toelichting bij het Uitvoeringsbesluit, Staatsblad 2000, 641, p. 33.
4.Het vervreemdingsvoordeel is de overdrachtsprijs van € 8.692.000 minus de (historische) verkrijgingsprijs van € 435.148.
5.Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting van 13 februari 2002, laatstelijk gewijzigd bij Protocol van 29 oktober 2020, Tractatenblad 2022, 23.
6.Hoge Raad 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2423.
7.Kamerstukken II 1995/96, 24 761, nr. 3, p. 24.