Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2986

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
200.345.526
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:191 BWArt. 4:192 lid 1 BWArt. 4:190 lid 4 BWArt. 4:50 lid 1 BWArt. 4:46 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over uitleg testament en afwikkeling legaten chalet en geldlegaat

De zaak betreft een geschil tussen broer en zus over de afwikkeling van de nalatenschap van hun moeder, die in 2020 overleed. De moeder had in haar testament de zus als enige erfgenaam en executeur benoemd, terwijl de broer twee legaten kreeg: een chalet in het buitenland en een geldlegaat. De kern van het geschil betreft de uitleg van het testament, de wijze van berekening van het geldlegaat, de levering van het chalet en de verdeling van lasten en schulden.

De rechtbank had eerder een deel van de vorderingen afgewezen, onder meer dat de broer de hypothecaire inschrijving op het chalet moest dulden en dat de zus niet verplicht was de hypotheekschuld af te lossen voordat levering plaatsvond. Het hof bevestigt dat de zus de nalatenschap zuiver heeft aanvaard en dat de hypotheekschuld voor rekening van de nalatenschap komt, niet voor de broer. De broer verkeert niet in schuldeisersverzuim door niet mee te werken aan de levering, omdat de zus de hypotheekschuld niet wilde laten overnemen.

Het hof bepaalt dat de zus het chalet binnen acht weken moet leveren aan de broer, onder strikte voorwaarden en met een dwangsom bij niet-naleving. De waarde van het chalet moet worden vastgesteld door deskundigen zoals in het testament is bepaald. De waarde van de woning in Nederland wordt vastgesteld op € 725.000. De berekening van het geldlegaat moet uitgaan van de helft van het saldo van de nalatenschap minus de waarde van het chalet en de legaten aan de kleinkinderen, conform de bedoeling van de erflater om geen van de kinderen te benadelen. De kosten van het chalet en de nieuwe verwarmingsinstallatie komen voor rekening van de zus. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Het hof bepaalt dat de zus het chalet moet leveren onder voorwaarden, bevestigt de zuivere aanvaarding, wijst de hypotheekschuld toe aan de nalatenschap en legt de waardebepaling van het chalet vast volgens het testament.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.345.526
zaaknummer rechtbank 547438
arrest van 12 mei 2026
in de zaak van
[appellante] ( [appellante] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. J.W. Damstra
en
[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )
die woont in [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam]
advocaat: mr. K.A. Boshouwers

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Op 17 januari 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank), een vonnis tussen partijen uitgesproken. [appellante] en [geïntimeerde] hebben ieder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen dit vonnis. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven, tevens wijziging/vermeerdering van eis
  • de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens aanvulling van eis
  • de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep, met uitzondering van: het gedeelte tot aan randnummer 26, de vermeerdering van eis en de producties
  • een akte van [geïntimeerde] van 10 juli 2025
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 21 juli 2025 is gehouden
Na de aanhouding van de zaak voor schikkingsonderhandelingen tussen partijen heeft [geïntimeerde] het hof bericht dat partijen geen schikking hebben bereikt. Partijen hebben gevraagd een arrest te wijzen in deze zaak waarna het hof een datum heeft bepaald voor het arrest.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellante] en [geïntimeerde] zijn broer en zus van elkaar en de enige kinderen van hun moeder, die [in] 2020 is overleden (hierna: erflaatster). Zij verschillen van mening over de afwikkeling van haar nalatenschap. Het gaat daarbij ook om de uitleg van het testament dat [in] 2020 door notaris [naam1] is opgesteld.
2.2.
Erflaatster heeft in haar testament bepaald dat [appellante] de enige erfgenaam is en haar tot executeur benoemd. [appellante] heeft beide benoemingen aanvaard. Erflaatster heeft aan [geïntimeerde] twee legaten toegekend: een chalet in [land1] en een geldlegaat, dat bestaat uit de helft van het saldo van de nalatenschap (berekend op de in het testament bepaalde wijze). [geïntimeerde] heeft de legaten aanvaard. Verder heeft erflaatster € 20.000 gelegateerd aan ieder kleinkind (één kind van [appellante] en twee van [geïntimeerde] ) en bepaald dat deze bedragen in mindering komen op de bedragen die [appellante] en [geïntimeerde] ontvangen. Tot de nalatenschap behoort onder andere de woning in [plaats1] waarin erflaatster woonde met [appellante] en de dochter van [appellante] .
2.3
[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank gevorderd dat [appellante] veroordeeld wordt de beide legaten aan hem af te geven. Ten aanzien van het chalet heeft hij gevorderd dat [appellante] de hypotheekschuld die aan het chalet is verbonden aflost en de inschrijving van het recht van hypotheek waarmee het chalet is bezwaard laat doorhalen voordat het chalet aan hem wordt geleverd. Ook moet [appellante] alle eigenaars- en gebruikerslasten (waaronder de onderhoudskosten) van het chalet tot aan de levering voor haar rekening te nemen. Daarnaast stelt hij een aantal voorwaarden aan de wijze waarop het chalet wordt opgeleverd en aan hem wordt overgedragen en heeft hij gevorderd dat [appellante] een boete betaalt (dwangsom verbeurt) als zij dit niet op tijd doet. Ten aanzien van het geldlegaat heeft hij gevorderd dat de rechtbank het saldo van de nalatenschap op de door hem voorgestelde manier berekent, waarbij een deskundige wordt benoemd om de waarde van de woning in [plaats1] te bepalen.
2.4.
[appellante] heeft gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat aan het geldlegaat geen rechtsgevolgen verbonden worden, en anders dat de uitleg van het testament met zich brengt dat de waarde van het chalet in mindering komt op het geldlegaat zodat [geïntimeerde] en [appellante] uiteindelijk ieder evenveel ontvangen uit de nalatenschap. Ook heeft zij gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld de onderhouds- en eigenaarslasten van het chalet te voldoen (€ 25.280).
2.5
De rechtbank heeft zowel de vorderingen van [geïntimeerde] als de vorderingen van [appellante] voor een belangrijk deel afgewezen. De rechtbank heeft bepaald dat [geïntimeerde] de inschrijving van het hypotheekrecht op het chalet moet dulden en dat [appellante] niet verplicht is de hypotheekschuld afgelost te hebben voordat het chalet aan [geïntimeerde] wordt geleverd. Ook wordt [appellante] niet veroordeeld tot de afgifte van het chalet omdat het aan [geïntimeerde] lag dat dit nog niet is afgegeven (schuldeisersverzuim). Door dit schuldeisersverzuim komen de kosten van het chalet voor rekening van [geïntimeerde] in plaats van voor [appellante] . De vordering van [appellante] tot de betaling van die kosten door [geïntimeerde] heeft de rechtbank echter afgewezen, omdat [appellante] die onvoldoende onderbouwd heeft. De rechtbank heeft [appellante] veroordeeld de kosten van het chalet tot aan de afgifte te voldoen als eigen schuld. De rechtbank heeft bepaald hoe het saldo van de nalatenschap moet worden berekend zonder daarvoor een taxateur aan te wijzen die de waarde van de woning in [plaats1] bepaalt. Voor de berekening van het geldlegaat heeft de rechtbank de uitleg van [appellante] gevolgd. Het saldo van de nalatenschap moet door twee gedeeld worden en op de helft van [geïntimeerde] moet de waarde van het chalet in mindering worden gebracht, samen met de legaten die de kinderen van [geïntimeerde] hebben ontvangen. Het bedrag dat dan resteert is het geldlegaat dat aan [geïntimeerde] toekomt.
2.6.
Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld. De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat [geïntimeerde] alsnog wordt veroordeeld tot het betalen van de kosten van het chalet. Deze kosten zijn door het verloop van de tijd opgelopen (tot inmiddels € 45.245,72) en daar komen nog de kosten bij voor het vervangen van de verwarmingsinstallatie (€ 22.930,32). In het hoger beroep wil zij ook nog dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om de hypotheekschuld die op het chalet rust af te lossen. Daarnaast wil zij dat het hof de hoogte van het geldlegaat zal vaststellen, waarbij de waarde van de woning in [plaats1] op € 725.000,- wordt vastgesteld en die van het chalet door deskundigen getaxeerd wordt. Een bedrag van € 41.597,12 aan kosten komt ook nog ten laste van de nalatenschap.
2.7.
De bedoeling van het hoger beroep van [geïntimeerde] is dat [appellante] alsnog wordt veroordeeld om mee te werken aan de afgifte van het chalet onder de door hem genoemde voorwaarden en dat zij een dwangsom moet betalen als zij dit niet op tijd doet. De belangrijkste voorwaarde is dat het chalet wordt geleverd zonder dat daarop nog een hypotheekschuld rust. Daarnaast vordert hij dat het hof zal bepalen (voor recht zal verklaren) dat hij niet in schuldeisersverzuim verkeert en dat [appellante] alle kosten voor het chalet die zij heeft gemaakt tot aan de levering aan hem moet voldoen als haar persoonlijke schuld. Hij vordert dat het hof de omvang van het geldlegaat vaststelt op de door hem voorgestelde wijze, waarbij de waarde van het chalet buiten de berekening wordt gehouden of waaraan anders een waarde van [valuta] 385.000,- wordt toegekend en waarbij aan de woning in [plaats1] een waarde van € 850.000 moet worden toegekend of anders een taxateur moet worden benoemd om deze waarde te bepalen. In het hoger beroep wil hij ook nog dat het hof voor recht verklaart dat [appellante] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard.
2.8.
Het hof laat het vonnis van de rechtbank deels in stand en beslist voor een deel anders. Het hof beslist dat [appellante] het chalet aan [geïntimeerde] moet afgeven onder de door hem genoemde voorwaarden, behalve dat [geïntimeerde] de hypothecaire inschrijving moet dulden. Ook beslist het hof dat [geïntimeerde] niet in schuldeiserverzuim verkeert. Dit betekent dat het hof ook beslist dat [appellante] de kosten van het chalet als persoonlijke schuld moet dragen. Ook de kosten voor de nieuwe verwarmingsinstallatie hoeft [geïntimeerde] niet te voldoen. Het geldlegaat moet berekend worden op de manier zoals de rechtbank dat heeft beslist, waarbij de waarde van de woning in [plaats1] op € 725.000,- bepaald wordt en [appellante] veroordeeld wordt om mee te werken aan de waardebepaling van het chalet. Het door [appellante] genoemde bedrag van € 41.597,12 strekt niet in mindering op het saldo van de nalatenschap. Hierna volgt de toelichting op deze beslissingen.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

[appellante] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard (vordering 1 [geïntimeerde] )
3.1.
Volgens [appellante] is het in strijd met de goede procesorde dat [geïntimeerde] voor het eerst in hoger beroep vordert dat voor recht wordt verklaard dat [appellante] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard. Het hof verwerpt dit verweer. [geïntimeerde] heeft [appellante] zowel in de procedure bij de rechtbank als in die bij het hof aangesproken in persoon, in haar hoedanigheid van erfgenaam, in haar hoedanigheid van executeur en zo nodig in haar hoedanigheid van vereffenaar. Van een ongeoorloofde wijziging van partijhoedanigheid zoals [appellante] stelt is daarom geen sprake. Bij de rechtbank heeft [geïntimeerde] vorderingen ingediend die gaan over de afwikkeling van de nalatenschap zodat hij in zijn hoger beroep deze eisvermeerdering mag doen omdat die ook verband houdt met de afwikkeling van de nalatenschap.
3.2.
In de verklaring van erfrecht en executele die notaris mr. [naam1] op 11 januari 2021 heeft opgemaakt, staat dat [appellante] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard en dat dit blijkt uit een door haar ondertekende verklaring. Zuivere aanvaarding kan op twee manieren plaatsvinden. Door het afleggen van een verklaring daartoe bij de griffie van de rechtbank of door het verrichten van bepaalde daden van zuivere aanvaarding. Deze daden betreffen het aangaan van overeenkomsten strekkende tot vervreemding of bezwaring van goederen van de nalatenschap of het op andere wijze onttrekken van deze goederen aan de nalatenschap. [1] Vast staat dat [appellante] geen verklaring bij de griffie van de rechtbank heeft afgelegd tot zuivere aanvaarding. Het ondertekenen van een verklaring van zuivere aanvaarding bij de notaris valt hier strikt genomen niet onder. Het hof is echter van oordeel dat het bij de notaris ondertekenen van een verklaring van zuivere aanvaarding (zoals in het notariaat ook gebruikelijk is) een duidelijke wilsuiting is van [appellante] die strekt tot zuivere aanvaarding en daarmee dus ook een zuivere aanvaarding oplevert.
.
Een eenmaal gemaakte keuze is onherroepelijk en werkt terug tot het openvallen van de nalatenschap. [2] Dat betekent dat [appellante] niet kan of kon terugkomen van haar keuze. Dat notaris [naam1] op 25 februari 2021 een verklaring heeft opgemaakt dat [appellante] de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving heeft aanvaard (beneficiaire aanvaarding) en op 18 februari 2021 een akte van deze aanvaarding heeft laten inschrijven in het boedelregister van de rechtbank, kan de keuze die [appellante] al had gedaan niet meer ongedaan maken. Het hof zal de verklaring voor recht geven die [geïntimeerde] heeft gevorderd.
Overigens staat niet ter discussie dat [appellante] in haar hoedanigheid van executeur heeft verklaard dat het saldo van de nalatenschap positief is (ruimschoots-verklaring) zodat de nalatenschap niet eerst vereffend hoeft te worden en dat aansprakelijkheid van [appellante] persoonlijk voor de schulden van de nalatenschap dan niet aan de orde is.
[geïntimeerde] moet het hypotheekrecht dat op het chalet rust dulden
3.3.
[appellante] heeft de vordering dat [geïntimeerde] gehouden is de hypotheekschuld die op het chalet rust af te lossen, ingetrokken (haar eis verminderd) zodat het uitgangspunt is dat [appellante] , als enig erfgenaam, deze schuld van de nalatenschap zal moeten voldoen en dat zij voor de levering van het chalet aan [geïntimeerde] niet de voorwaarde mocht stellen dat [geïntimeerde] de hypotheekschuld zou overnemen. Dit is van belang voor de beoordeling of [geïntimeerde] in schuldeisersverzuim is door niet mee te werken aan de levering van het chalet aan hem.
3.4.
Omdat de hypotheekschuld nog niet is afgelost, rust de inschrijving van het recht van hypotheek van de bank nog op het chalet. [geïntimeerde] stelt dat hij dat niet hoeft te dulden. Volgens hem moet [appellante] de hypotheekschuld zo snel mogelijk aflossen. De looptijd voor de lening bij de bank is inmiddels verstreken zodat de hypotheekschuld opeisbaar is en [appellante] moet als enige erfgenaam deze schuld van de nalatenschap voldoen. Daarbij vindt hij het risico te groot dat de bank het chalet zal uitwinnen omdat [appellante] door de oplopende kosten van het chalet (straks) niet langer in staat is de maandelijkse hypotheeklasten te voldoen. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat [appellante] niet verplicht is het chalet vrij van het hypotheekrecht aan [geïntimeerde] te leveren. Erflaatster heeft daar namelijk niets over bepaald in het testament en volgens de wet wordt een gelegateerd goed dan geleverd in de staat waarin het zich bevindt op het moment van overlijden van de erflater. [3] Verder heeft [appellante] verklaard dat de lening bij de bank is voortgezet en dat zij telkens tijdig betaalt en zal betalen. Dit heeft [geïntimeerde] onvoldoende betwist. De vordering van [geïntimeerde] op dit punt zal dan ook worden afgewezen. [geïntimeerde] had voor de levering van het chalet aan hem niet de voorwaarde mogen stellen dat [appellante] eerst de hypotheekschuld moet voldoen en dat zij moest zorgdragen voor de doorhaling van de inschrijving van het hypotheekrecht op het chalet.
Geen schuldeisersverzuim door [geïntimeerde]
3.5.
Uit de correspondentie die [appellante] en [geïntimeerde] hebben overgelegd, blijkt het volgende. [geïntimeerde] heeft op 22 april 2021 het legaat aanvaard. Op 12 mei 2021 bericht notaris [naam1] hem dat hij de hypotheekschuld die verbonden is aan het chalet, moet overnemen. In zijn e-mail van 3 juni 2021 legt notaris [naam1] uit dat het fiscaal voordelig kan zijn de hypotheekschuld over te nemen en dat [geïntimeerde] moet laten weten of hij dit wel of niet zal doen. Op 23 juni 2021 schrijft [appellante] in een e-mail aan [geïntimeerde] en aan notaris [naam1] dat [geïntimeerde] de lening moet aflossen en ook in de daaropvolgende berichten van [appellante] aan [geïntimeerde] houdt [appellante] vol dat [geïntimeerde] verplicht is de hypotheekschuld te voldoen. In de ontwerpakte van 21 juni 2021 die notaris [naam2] te [land1] in opdracht van [appellante] heeft opgesteld voor de levering van het chalet aan [geïntimeerde] , staat vermeld dat de schuld door [geïntimeerde] zal worden overgenomen. Op 17 april 2023 heeft notaris [naam2] de akte aangepast maar ook in die versie staat vermeld dat de hypotheekschuld door [geïntimeerde] zal worden voldaan/overgenomen. Dit geldt ook voor de akte die notaris [naam3] , opvolger van [naam2] , op 10 juni 2024 heeft opgesteld. Op 22 november 2024 vraagt notaris [naam3] in een e-mail hoe het verder moet en vraagt zij wie de schuld gaat overnemen en dat wanneer dit [geïntimeerde] is, [appellante] dan moet worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid of dat de hypotheekschuld kan worden afgelost voordat het chalet wordt overgedragen aan [geïntimeerde] .
[geïntimeerde] heeft steeds aangevoerd dat [appellante] als erfgenaam verplicht was de hypotheekschuld af te lossen, zo blijkt bijvoorbeeld uit zijn e-mail van 8 juli 2021 en uit zijn standpunt in hoger beroep, maar het hof heeft niet uit de stukken kunnen opmaken dat dit de reden is geweest dat de afgifte van het chalet niet mogelijk bleek. Om uit de patstelling te komen heeft [geïntimeerde] in 2021 en ook op 29 mei 2024 aangeboden de hypotheekschuld te voldoen, onder de voorwaarde dat [appellante] die schuld later aan hem zou terugbetalen (eventueel in termijnen). [appellante] is niet op dit aanbod ingegaan en bleef zich op het standpunt stellen dat de hypotheekschuld voor rekening van [geïntimeerde] kwam.
Hieruit maakt het hof op dat in ieder geval tot aan de zitting bij het hof (op 21 juli 2025) [appellante] het overnemen van de hypotheekschuld door [geïntimeerde] als voorwaarde heeft gehandhaafd voor de afgifte van het legaat. Dat betekent dat het [geïntimeerde] niet valt te verwijten dat het chalet niet al aan hem kon worden geleverd. Van schuldeisersverzuim aan de kant van [geïntimeerde] is dus geen sprake. Het hof zal de door [geïntimeerde] gevraagde verklaring voor recht geven.
De eigenaars- en onderhoudslasten komen voor rekening van [appellante]
3.6.
Als enig erfgenaam is [appellante] de eigenaar van het chalet geworden. Omdat [geïntimeerde] niet in schuldeisersverzuim verkeert, kunnen de eigenaarslasten en de onderhoudskosten die [appellante] heeft voldaan sinds het overlijden van erflaatster en die zij nog zal voldoen tot aan de levering van het chalet aan [geïntimeerde] , niet voor rekening van [geïntimeerde] komen.
3.7.
[appellante] stelt dat [geïntimeerde] op grond van de regels van vruchtgebruik verplicht is om de lasten van het chalet aan haar te vergoeden. Op het moment dat erflaatster overleed werd het legaat opeisbaar. Vanaf dat moment heeft [geïntimeerde] recht op de vruchten van het legaat (op grond van artikel 4:124 BW Pro), zodat hij volgens [appellante] daarom ook verplicht is de lasten te dragen die aan het chalet verbonden zijn. Het hof is van oordeel dat voor dit standpunt geen wettelijke grondslag bestaat. Om te doen alsof het om eenzelfde situatie gaat als die waarin [geïntimeerde] het vruchtgebruik heeft gekregen van het chalet en de wettelijke regels te volgen die daarvoor gelden, zodat [geïntimeerde] de lasten moet dragen die bij het gebruik van het chalet horen (analoge toepassing van de artikelen 3:220 en 3:222 BW) ziet het hof geen aanleiding.
3.8.
[appellante] voert daarnaast aan dat [geïntimeerde] sinds juni 2021 als enige gebruikmaakte van het chalet (hijzelf of anderen met zijn toestemming) zodat het daarom redelijk is dat hij ook de lasten draagt. [geïntimeerde] betwist gemotiveerd dat hij gebruik heeft gemaakt van het chalet. [appellante] heeft aangeboden haar stelling te bewijzen door het horen van getuigen. Ook als deze getuigen kunnen verklaren over gebruik van het chalet is daarmee niet gegeven dat daarom [geïntimeerde] alle lasten/kosten zou moeten dragen. Het bewijsaanbod van [appellante] is daarom niet relevant voor de beslissing zodat het hof dit passeert. [appellante] heeft verwezen naar producties (productie 5 in de procedure bij de rechtbank en producties 19/29 en 30 tot en met 36 in hoger beroep) maar nagelaten toe te lichten hoe deze overzichten zich tot elkaar verhouden en welke kosten uit deze overzichten betrekking hebben op het gebruik van het chalet.
3.9.
[appellante] heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat de lasten van het chalet gerekend moeten worden tot de schulden van de nalatenschap (op grond van artikel 4:7 BW Pro) omdat dit schulden zijn die niet met het overlijden van erflaatster teniet zijn gegaan. Volgens [appellante] dienen deze lasten betrokken te worden bij de bepaling van de omvang van het geldlegaat. Het hof volgt de stelling van [appellante] in zoverre dat de rentetermijnen verbonden aan de hypotheekschuld vanaf het overlijden van erflaatster [in] 2020 zijn aan te merken als schuld van de nalatenschap. Deze lasten komen voor rekening van [appellante] (als enige erfgenaam) maar bepalen wel de omvang van het saldo van de nalatenschap en zijn in die zin ook van invloed op de omvang van het geldlegaat. Voor de overige lasten die verband houden met de eigendom van het chalet geldt dat deze niet zijn aan te merken als schulden van de nalatenschap en uitsluitend voor rekening van [appellante] komen. Voor de omvang van de rentetermijnen geldt dat [appellante] deze onvoldoende gespecificeerd heeft. Zij verwijst naar diverse producties voor de schulden van de nalatenschap, maar zonder nadere instructie kan het hof deze niet vaststellen zodat het hof daarmee geen rekening zal houden bij de vaststelling van het geldlegaat.
De kosten voor de nieuwe verwarmingsinstallatie
3.10.
Na het overlijden van erflaatster is de oude verwarmingsinstallatie in het chalet kapotgevroren en is er waterschade ontstaan. [appellante] heeft beredderingskosten gemaakt en een nieuwe verwarming laten installeren. Zij heeft een declaratie ingediend bij de verzekeringsmaatschappij en die heeft haar een vergoeding uitgekeerd. Het hof is het met [appellante] eens dat [geïntimeerde] bevoordeeld is omdat op haar kosten de 41 jaar oude verwarmingsinstallatie is vervangen door een nieuwe. [geïntimeerde] zal dan ook aan [appellante] vanwege deze verbetering op grond van de redelijkheid en billijkheid een vergoeding moeten betalen. [appellante] heeft echter nagelaten inzichtelijk te maken welke investeringen zij heeft gedaan voor de nieuwe verwarming. De facturen die zij heeft overgelegd corresponderen niet met haar eigen overzicht van kosten en ook niet met de afschrijvingen op de overgelegde bankafschriften. Het is niet duidelijk of alle kosten die zij noemt in haar overzicht (productie 19) zien op de verwarmingsinstallatie of dat het ook om beredderingskosten gaat. Ook is niet duidelijk geworden voor welk deel van de schade de verzekeringsmaatschappij haar een bedrag heeft uitgekeerd. Ter toelichting waarom dit allemaal onduidelijk is gebleven: [appellante] heeft de volgende facturen overgelegd (productie 16):
  • van 9 maart 2021 van het bedrijf dat de verwarmingsinstallatie heeft geïnstalleerd ( [naam4] , hierna: [naam4] ) voor werkzaamheden in de periode van 1 februari 2021 tot 8 februari 2021 voor een bedrag van [valuta] 21.425,70 en voor werkzaamheden van 16 januari 2021 tot 8 februari 2021 van [valuta] 9.554,10
  • van 14 februari 2021 van een ander bedrijf gericht aan [naam4] in verband met waterschade van [valuta] 294,95
  • van 11 februari 2021 van een bedrijf in verband met droogwerkzaamheden voor een bedrag van [valuta] 2.098,25
  • van 3 maart 2021 van een bedrijf aan de verzekeringsmaatschappij voor een bedrag van [valuta] 66,60.
Ook heeft ze een zelfgemaakt overzicht overgelegd (productie 19) van kosten van in totaal 31.172,52 met daarin opgenomen de volgende betalingen, met de aantekening “EURO= [valuta] ”:
  • aan [naam4] van 8.774,89 op 3 juni 2021, van 16.776,18 op 17 februari 2021 en van 3.445,70 op 26 maart 2021
  • aan [naam5] op 17 mei 2021 van 2.175,75
Op de bankafschriften die [appellante] heeft overgelegd (productie 18) zijn enkele afschrijvingen gearceerd, zoals de betalingen aan [naam4] van € 8.774,89 en van € 16.776,18 die hiervoor zijn genoemd maar ook een ander bedrag dat niet in het overzicht van kosten staat. Verder heeft [appellante] een staat overgelegd die is opgesteld door de verzekeringsmaatschappij met daarop een overzicht van de ingediende kosten en de uitgekeerde vergoeding (productie 17). Uit dit overzicht van de verzekeringsmaatschappij volgt dat een bedrag aan [valuta] 11.718,95 door [appellante] is geclaimd waarvan [valuta] 9.554,10 voor een rekening van [naam4] . Onder verrekening van een korting, een eigen bijdrage en rechtstreeks door de verzekeraar betaalde kosten, is een bedrag van [valuta] 8.182,21 aan [appellante] vergoed.
Een toelichting hoe deze gegevens zich tot elkaar verhouden en waarom niet ook de rekening van [naam4] van 21.425,70 bij de verzekeraar is ingediend, ontbreekt. Dat betekent dat het hof zelfs geen schatting kan maken van de kosten die gemoeid zijn geweest met het vervangen van de verwarmingsinstallatie. Dat betekent ook dat het hof de vordering van [appellante] (ook) op dit punt moet afwijzen.
3.11.
De conclusie is dat de door [appellante] opgevoerde kosten van het chalet door haar gedragen moeten worden. De vordering van [appellante] die ertoe strekt dat [geïntimeerde] deze moet voldoen zal worden afgewezen en het vonnis van de rechtbank op dit punt zal worden bekrachtigd (op een andere grond). Ook zullen deze kosten niet betrokken worden bij de berekening van het saldo van de nalatenschap omdat het geen schulden van de nalatenschap zijn zoals bedoeld in artikel 4:7 BW Pro. [geïntimeerde] heeft door deze beslissingen geen belang meer bij de verklaring voor recht over de kosten van het chalet die hij heeft gevorderd.
[appellante] moet het chalet aan [geïntimeerde] afgeven/leveren op straffe van een dwangsom
3.12.
[geïntimeerde] stelt dat [appellante] niet uit zichzelf het chalet op korte termijn aan hem zal leveren. Eerder heeft [appellante] zelfs gedreigd met de verkoop van het chalet in de brief van haar advocaat van 26 september 2024. Het hof constateert dat de relatie tussen partijen dusdanig verstoord is, dat een constructieve samenwerking om de nalatenschap af te wikkelen er niet is. Het hof zal de vorderingen van [geïntimeerde] toewijzen die gaan over de wijze en de termijn waarop het chalet moet worden opgeleverd en aan [geïntimeerde] in eigendom moet worden overgedragen, waarbij het hof een termijn van acht weken redelijk acht (in plaats van vier zoals [geïntimeerde] vordert). Op de zitting bij het hof werd duidelijk dat [appellante] niet langer vasthoudt aan haar voorwaarde dat [geïntimeerde] de hypotheekschuld moet voldoen en dat niets meer in de weg stond aan de afgifte en levering van het chalet. Na de aanhouding van de zaak daarna is het partijen toch niet gelukt om tot uitvoering hiervan te komen of om daarover afspraken te maken. Het hof voorziet dat zonder geldelijke prikkel het onnodig lang zal duren voordat [appellante] haar verplichting tot levering van het chalet zal nakomen. Daarom zal het hof de gevraagde dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag dat [appellante] niet meewerkt toewijzen. Voor de dwangsom zal een maximum gelden van € 50.000. Op dit punt zal het vonnis van de rechtbank worden vernietigd.
Het geldlegaat
3.13.
Het testament van erflaatster is opgesteld door notaris [naam1] . In het testament van erflaatster is de volgende overweging (considerans) opgenomen:

Deze uiterste wil heeft mede ten doel om zoveel mogelijk te voorkomen, dat er met betrekking tot de afwikkeling van mijn nalatenschap onenigheid tussen mijn kinderen zal zijn. Mijn dochter, (…), ken ik daartoe binnen het kader van het hierna bepaalde ruime bevoegdheden toe met betrekking tot de afwikkeling van mijn nalatenschap. Mijn zoon (…) wens ik echter geenszins te benadelen.
3.14.
Over de legaten voor de kleinkinderen is bepaald dat deze in mindering komen op het legaat of het erfdeel van de betreffende ouder van dat kleinkind, “
zodat een gelijke staakverdeling ontstaat”.
3.15.
Over het geldlegaat is het volgende opgenomen in het testament:
"
Ik legateer, niet vrij van rechten en kosten, aan mijn zoon [geïntimeerde] (…)
een bedrag in contanten (…)
ter grootte van de helft van het saldo van mijn nalatenschap, zulks met inachtneming van het volgende:
  • Onder saldo wordt hier verstaan de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt verminderd met de in artikel 4:7 lid Pro onder a tot en met d en i BW bedoelde schulden.
  • Als goederen komen niet in aanmerking roerende zaken/de inboedelgoederen in de zin van artikel 3:5 BW Pro.
  • Indien mijn zoon [geïntimeerde] het legaat van de woning in [land1] aanvaardt, zal voor de berekening van de omvang van het geldlegaat het saldo van mijn nalatenschap worden verminderd met de waarde van (het chalet).
  • Op het geldlegaat wordt/worden in mindering gebracht het/de geldlegaten ten behoeve van de (klein-)kinderen van mijn zoon [geïntimeerde] (zodat de hiervoor bedoelde gelijke staakverdeling ontstaat).”
3.16.
Volgens [geïntimeerde] moet het geldlegaat berekend worden door uit te gaan van het saldo van de nalatenschap exclusief de waarde van het chalet in [land1] omdat het op deze manier is vastgelegd in het testament. [geïntimeerde] heeft dan recht op de helft van dit saldo, verminderd met € 40.000 vanwege de legaten aan zijn kinderen, naast de afgifte van het chalet. Dat hij dan in een betere positie komt te verkeren dan [appellante] sluit aan bij de overweging van erflaatster dat zij [geïntimeerde] niet wilde benadelen.
3.17.
[appellante] stelt zich op het standpunt dat als [geïntimeerde] berekening gevolgd wordt, dit tot een oneerlijke uitkomst leidt en dit in strijd is met wat erflaatster heeft bedoeld. Het was de bedoeling dat [appellante] en [geïntimeerde] ieder onderaan de streep hetzelfde zouden ontvangen. Om die reden heeft erflaatster de bepalingen over een gelijke staakverdeling opgenomen ten aanzien van de geldlegaten aan de kleinkinderen. [appellante] heeft toegelicht dat erflaatster ervan uitging dat [appellante] de woning in [plaats1] zou krijgen en [geïntimeerde] het chalet in [land1] en dat dit dan ongeveer gelijk zou uitkomen. Het is dus de bedoeling dat de gehele waarde van het chalet in mindering komt op het geldlegaat. Ook heeft [appellante] een beroep gedaan op de verklaringen van notaris [naam1] en van mr. [naam6] , die erflaatster hebben begeleid en geadviseerd bij het opstellen van het testament.
3.18.
Het hof oordeelt hierover als volgt. Het gaat hier om uitleg van een testament waarvoor de (speciale) uitlegregel is opgenomen in artikel 4:46 lid 1 BW Pro. Bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Bij het vaststellen van de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, kunnen feiten en omstandigheden van na het opmaken van de uiterste wil van belang zijn, omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt. Ten tijde van het opmaken van de uiterste wil bij de erflater bestaande verwachtingen over toekomstige gebeurtenissen zullen in aanmerking kunnen komen als omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt. Verwachtingen van de erflater over de toekomst kunnen ook van belang zijn bij het vaststellen van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen. In de uitspraak van HR 11 oktober 2013 ligt besloten dat voor de vaststelling van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, ook acht geslagen kan worden op verklaringen van getuigen over wat de erflater heeft beoogd. [4]
3.19
Het hof constateert dat uit het testament zelf niet zonder meer duidelijk is hoe het geldlegaat moet worden berekend. Het is duidelijk dat erflaatster [geïntimeerde] heeft willen onterven, maar hem niet wilde benadelen. Dat laatste betekent (natuurlijk) niet dat zij wilde dat [geïntimeerde] ten opzichte van [appellante] bevoordeeld zou worden. Verder heeft ze bepaald dat de geldlegaten voor de kleinkinderen in mindering op de verkrijgingen door hun ouders moesten komen om tot een gelijke staakverdeling te komen. De bepaling voor de berekening van het geldlegaat is zonder duidelijke zin omdat deze ertoe leidt dat [geïntimeerde] zowel de helft van het saldo van de nalatenschap ontvangt én het chalet, waardoor hij bevoordeeld wordt ten opzichte van [appellante] terwijl uit de hiervoor genoemde bepalingen volgt dat erflaatster dit juist niet beoogde. Dit maakt dat het hof ook de verklaringen van erflaatster buiten het testament zal betrekken bij de uitleg. [5]
3.20.
Het hof volgt niet [geïntimeerde] standpunt dat aan de verklaringen van de betrokken notaris geen waarde mag worden gehecht. De notaris kan zonder schending van zijn beroepsgeheim verklaren wat erflaatster voor ogen had. Notaris [naam1] heeft per e-mail van 29 juli 2021 aan [appellante] geschreven:

De in het testament bedoelde rekenmethode gaat uit van een fifty-fifty-verdeling. Het zuiver saldo van de nalatenschap (incl. waarde (hof: van het chalet)) delen door twee (2). Op de aan uw broer toekomende helft dient vervolgens de waarde van (het chalet) in mindering te worden gebracht, alsmede 2 x 20.000 (legaten aan zijn kinderen).
De door uw broer aan het eind van zijn e-mail van 20 mei opgenomen berekening slaat nergens op en gaat volstrekt voorbij aan de bedoeling van het testament en van uw moeder.”
3.21.
Mr. [naam6] die erflaatster heeft begeleid en geadviseerd bij het opstellen van het testament schrijft in een e-mail van 11 augustus 2021 aan [geïntimeerde] :

De in het vorig jaar gepasseerd testament bedoelde rekenmethode gaat zonder meer uit van een 50/50-verdeling. Het zuiver saldo van de nalatenschap (inclusief de waarde van het chalet in [land1] ) moet worden gedeeld door twee.
Op de aan u toekomende helft dient de waarde van het chalet in [land1] in mindering te worden gebracht, alsmede tweemaal € 20.000,- (legaten aan uw beide kinderen).
Dat was, is en blijft wat cliënte betreft zonder meer het uitgangspunt en de te hanteren
rekenmethodiek.”
3.22.
In zijn brief van 12 januari 2023 aan [appellante] bericht notaris [naam1] :

Mijn proactieve houding op de fiscale gevolgen van het legaat en de om die reden gekozen omschrijving in het testament heeft slechts een fiscale voordeelbenadering voor legataris bedoeld en niet de uitleg die naar een andere uitkomst dan een 50/50 verdeling tussen broer en zus zou leiden.
Hij voegt er nog aan toe dat hij alleen om fiscale redenen niet heeft opgenomen dat de waarde van het chalet moet worden ingebracht in de nalatenschap en dat de tekst waarin is bepaald
dat het saldo van de nalatenschap wordt verminderdmet de waarde van het chalet achteraf een ongelukkige verschrijving blijkt.
3.23.
Uit deze verklaringen blijkt naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk dat erflaatster heeft bedoeld geen van beide kinderen ten opzichte van het andere kind te willen benadelen. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de bepaling in het testament in die zin moet worden uitgelegd dat het geldlegaat wordt berekend door eerst het saldo van de nalatenschap te bepalen, daarvan de helft te nemen en daarop de waarde van het chalet in mindering te brengen (en de legaten aan de kinderen van [geïntimeerde] van in totaal € 40.000). Op dit punt zal de vordering van [geïntimeerde] worden afgewezen en het vonnis van de rechtbank worden bekrachtigd.
De waarde van het chalet in [land1] moet bepaald worden zoals in het testament is beschreven (vordering 2 [geïntimeerde] )
3.24.
Voor de berekening van het geldlegaat is de waarde van het chalet van belang. Als peildatum voor de bepaling van de waarde geldt de datum van overlijden van erflaatster. In het testament is opgenomen hoe de waarde moet worden bepaald, namelijk in onderling overleg en als dat niet lukt: bindend door drie deskundigen. [appellante] en [geïntimeerde] zullen dan ieder een deskundige moeten opdragen de taxatie te verrichten en de beide deskundigen zullen samen een derde deskundige benoemen. Zonodig is de rechtbank in [land1] (kanton [naam7] ) bevoegd de ontbrekende deskundige te benoemen. De vordering van [geïntimeerde] om de waarde van het chalet op [valuta] 385.000 vast te stellen, zoals de door hem benaderde deskundige heeft getaxeerd, zal daarom worden afgewezen omdat dit niet strookt met de wijze waarop de waardebepaling in het testament is geregeld. Het hof ziet in de patstelling tussen partijen aanleiding de vordering van [geïntimeerde] om [appellante] te veroordelen de makelaar die zij had aangewezen opdracht te geven samen met de makelaar van [geïntimeerde] een derde makelaar te benoemen, toe te wijzen. Het hof zal bepalen dat [appellante] dit binnen vier weken na de datum van dit arrest moet doen, en dat zij anders een boete aan [geïntimeerde] moet betalen van € 2.500,- voor iedere dag daarna waarop zij nog niet aan deze veroordeling heeft voldaan, waarbij een maximum geldt van € 50.000,-. De vordering van [appellante] om een deskundige te benoemen die de waarde van het chalet zal bepalen zal worden afgewezen.
De waarde van de woning in [plaats1] wordt vastgesteld op € 725.000,-
3.25.
[appellante] heeft de woning in [plaats1] laten taxeren en een rapport overlegd van 20 juli 2021 van [naam8] Makelaardij, waarin de marktwaarde van de woning tegen de peildatum van 29 november 2020 is getaxeerd op € 725.000,-. Dit is de waarde die partijen moeten betrekken bij de berekening van het geldlegaat. [appellante] mocht als executeur de woning laten taxeren zonder [geïntimeerde] daarbij te betrekken. Dat betekent dat de vordering van [geïntimeerde] tot het benoemen van een deskundige zal worden afgewezen en dat de verklaring voor recht die [appellante] heeft gevraagd zal worden gegeven.
De kosten van € 41.597,12 komen niet ten laste van de nalatenschap
3.26.
[appellante] heeft verwezen naar productie 42 in hoger beroep waarin zij een overzicht van kosten heeft opgenomen. Zij stelt dat dit kosten zijn die ten laste van de nalatenschap komen. Het hof constateert dat op het overzicht onder andere kosten zijn opgenomen die verband houden met de uitvaart. Kosten van de uitvaart komen op grond van de wet ten laste van de nalatenschap. [geïntimeerde] betwist gemotiveerd dat [appellante] door haar opgesomde kosten heeft gemaakt en dat dit allemaal kosten van de nalatenschap zijn. Een toelichting en betalingsbewijzen aan de kant van [appellante] ontbreken. Bij deze stand van zaken betekent dit dat [appellante] deze kosten onvoldoende heeft onderbouwd en dat deze kosten niet in mindering gebracht worden op het saldo van de nalatenschap. De vordering van [appellante] wordt afgewezen.
De conclusie
3.27.
Het hoger beroep van [appellante] slaagt deels. Ook het hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt deels.
3.28.
Het hof bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen).
3.28.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
in het hoger beroep van [appellante](principaal hoger beroep)
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 januari 2024, in conventie onder 5.2. en 5.3. waarbij [appellante] uitvoerbaar bij voorraad wordt veroordeeld om alle eigenaars- en gebruikerslasten en kosten, waaronder die van onderhoud, die op het chalet betrekking hebben tot de datum van de notariële afgifte van het legaat van het chalet aan [geïntimeerde] zonder enig recht op verrekening voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen;
beslist aanvullend:
4.2.
verklaart voor recht dat de waarde van de woning in [plaats1] [in] 2020 € 725.000,- bedraagt;
4.3.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 januari 2024, in conventie onder 5.4. waarbij voor recht wordt verklaard dat de omvang van de nalatenschap wordt vastgesteld op de wijze als omschreven in 4.36 tot en met 4.43 van het vonnis en beslist aanvullend dat daarbij moet worden meegenomen de waarde van de woning in [plaats1] en de waarde van het chalet te bepalen zoals in 3.24. van dit arrest is opgenomen;
4.4.
compenseert de proceskosten;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd;
in het hoger beroep van [geïntimeerde](incidenteel hoger beroep)
4.6.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 januari 2024, in conventie onder 5.5. waarbij de vorderingen van [geïntimeerde] tot afgifte van het legaat van het chalet worden afgewezen en beslist (aanvullend):
4.7.
verklaart voor recht dat aan de zijde van [geïntimeerde] geen sprake is van schuldeisersverzuim met betrekking tot de afgifte van het legaat van het chalet;
4.8.
veroordeelt [appellante] om binnen acht weken na de datum van dit arrest
  • haar medewerking te verlenen aan het afgeven van het legaat van het chalet in [land1] en [geïntimeerde] dit chalet in behoorlijke staat ter vrije beschikking te stellen door dit chalet bij een notariële akte aan hem over te dragen waarbij de kosten van de notariële akte en de inschrijving hiervan in de openbare registers voor rekening van [geïntimeerde] komen;
  • alle sleutels van het chalet aan [geïntimeerde] af te geven;
  • alle persoonlijke bezittingen van [appellante] in het chalet weg te halen en het chalet bezemschoon ter beschikking aan [geïntimeerde] te stellen, het chalet te verlaten en te ontruimen, met de machtiging aan [geïntimeerde] om als [appellante] hieraan niet volledig voldoet deze verlating en ontruiming zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van de politie en justitie en op kosten van [appellante] ;
  • waarbij [appellante] een dwangsom verbeurt van € 2.500,- per dag of gedeelte hiervan waarop zij na acht weken na de datum van dit arrest niet aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 50.000,-;
4.9.
veroordeelt [appellante] om binnen vier weken na de datum van dit arrest haar makelaar/taxateur in [land1] opdracht te geven om in te stemmen met de door hem en de makelaar/taxateur van [geïntimeerde] in [land1] voorgestelde derde voor het vaststellen van de van de waarde van het chalet [in] 2020, waarbij [appellante] een dwangsom verbeurt van € 2.500,- per dag of gedeelte hiervan waarvan zij na vier weken na de datum van dit arrest niet aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 50.000,-;
4.10.
verklaart de onder 4.8. en 4.9. uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.11.
verklaart voor recht dat [appellante] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard;
4.12.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 januari 2024, in conventie onder 5.5. waarbij de vorderingen van [geïntimeerde] dat [appellante] de aan het chalet verbonden hypotheekschuld moet voldoen en de hypothecaire inschrijving op het chalet moet doorhalen worden afgewezen;
4.13.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 januari 2024, in reconventie onder 5.8. waarbij voor recht is verklaard dat uitleg van het testament met zich brengt dat de waarde van het aan [geïntimeerde] gelegateerde chalet in mindering komt op het aan hem toekomende geldlegaat;
4.14.
compenseert de proceskosten;
4.15.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. Phaff, R.A. Dozy en L. Hamer, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.

Voetnoten

1.Artikel 4:191 BW Pro en artikel 4:192 lid 1 BW Pro
2.Artikel 4:190 lid 4 BW Pro
3.Artikel 4:50 lid 1 BW Pro
5.Artikel 4:46 lid 2 BW Pro