ECLI:NL:GHARL:2026:29

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
200.363.018
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep en verzet tegen verstekarrest faillietverklaring met vernietiging faillissement

De rechtbank Midden-Nederland wees het verzoek van de Pensioenfondsen tot faillietverklaring van appellant af. De Pensioenfondsen gingen in hoger beroep, waarop het hof appellant bij verstek failliet verklaarde. Appellant kwam in verzet tegen dit verstekarrest en verzocht om vernietiging van het faillissement.

Appellant vroeg het hof het verzet op basis van stukken af te doen, hetgeen door de Pensioenfondsen en de curator werd ondersteund. De Pensioenfondsen stelden zekerheid voor hun vorderingen en stemden in met vernietiging van het faillissement. De curator bevestigde dat ook voor zijn kosten voldoende zekerheid was gesteld.

Het hof overwoog dat het verzet de herkansingsfunctie heeft om appellant alsnog de mogelijkheid te bieden zijn belangen te verdedigen. Gezien de instemming van de schuldeisers met vernietiging van het faillissement en de zekerheidstelling, vernietigde het hof het verstekarrest en wees het verzoek tot faillietverklaring af. Appellant werd veroordeeld tot betaling van faillissementskosten en curatorkosten.

Uitkomst: Het hof vernietigt het verstekarrest en wijst het verzoek tot faillietverklaring af met veroordeling van appellant tot betaling van faillissementskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.363.018
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/601610
arrest van 6 januari 2026
in de zaak van
[appellant], handelend onder de naam [naam1]
hierna: [appellant]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. A. el Ouath
en

1.Stichting Pensioenfonds Vervoer

en
2. Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Beroepsgoederenvervoer over de Weg en de Verhuur van Mobiele Kranen
die zijn gevestigd in Amsterdam
hierna gezamenlijk: de Pensioenfondsen en ieder afzonderlijk: SPV en SOOB
advocaat: mr. S.K. Tuithof

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank), heeft in de beschikking van 25 november 2025 het verzoek van de Pensioenfondsen tot faillietverklaring van [appellant] afgewezen. De Pensioenfondsen hebben hoger beroep ingesteld tegen die beschikking. In het arrest van het hof van 23 december 2025 is [appellant] in staat van faillissement verklaard, waarbij [appellant] niet was verschenen (verstek). Hierbij is tot curator aangesteld [naam2] . Het hof verwijst naar dat arrest.
1.2.
In het verzetschrift, ingekomen op de griffie van het hof op 24 december 2025, is [appellant] tegen het arrest van 23 december 2025 in verzet gekomen. Hij heeft het hof verzocht dat arrest te vernietigen en alle benodigde handelingen te verrichten die samenhangen met de vernietiging van het faillissement van [appellant] .
1.3.
In het verzetschrift, en later nogmaals in het bericht van 30 december 2025, heeft [appellant] verzocht het verzet op basis van de stukken (zonder mondelinge behandeling) af te doen. Op diezelfde datum hebben de Pensioenfondsen en de curator het hof per e-mail laten weten akkoord te zijn met de afdoening van de zaak op basis van de stukken.
1.4.
De curator heeft bij e-mail van 31 december 2025 een opgave van de faillissementskosten aan het hof toegezonden.

2.De beoordeling van het verzet

2.1.
In het bestreden arrest heeft het hof overwogen dat summierlijk is gebleken dat sprake is van opeisbare vorderingen van zowel SPV als SOOB en dat [appellant] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.
2.2.
[appellant] heeft een bericht overgelegd waarin de advocaat van de Pensioenfondsen aan de advocaat van [appellant] laat weten dat de Pensioenfondsen kunnen instemmen met vernietiging van het faillissement als zekerheid wordt gesteld voor het door hen te vorderen bedrag. De Pensioenfondsen hebben in de e-mail van 30 december 2025 aan het hof laten weten dat zij instemmen met vernietiging van het faillissement. De curator heeft in zijn e-mail van 30 december 2025 aan het hof geschreven dat de advocaat van [appellant] heeft bevestigd dat ook voor de kosten van de curator voldoende zekerheid is gesteld.
2.3.
Het rechtsmiddel van verzet heeft de strekking dat het geding waarin verstek was verleend, op tegenspraak in dezelfde instantie wordt voortgezet. Het biedt de gedaagde die niet was verschenen en daardoor zijn belangen bij de rechter niet kon verdedigen, daartoe alsnog de gelegenheid, hetgeen strookt met het beginsel van hoor en wederhoor. [1] Met die strekking van het rechtsmiddel van verzet en met de ingrijpende gevolgen die een faillietverklaring heeft, verdraagt zich niet dat de schuldenaar die zich tegen de bij verstek uitgesproken faillietverklaring wenst te verzetten, bijvoorbeeld met de stelling dat de vordering van de aanvrager niet of niet langer bestaat – welke stelling, indien juist, die aanvrager de bevoegdheid ontneemt het faillissement uit te lokken – bij dat verweer geen baat meer kan hebben. [2]
2.4.
Het hof begrijpt uit het bericht van de Pensioenfondsen dat zij, gelet op de zekerheidsstelling voor hun vorderingen, instemmen met vernietiging van het faillissement. Gelet op de herkansingsfunctie van het verzet en dit bericht van de aanvragers, zal het hof het bij verstek uitgesproken faillissement vernietigen. De vordering van [appellant] om alle benodigde handelingen te verrichten die samenhangen met de vernietiging van het faillissement wijst het hof, als onvoldoende concreet, af.
2.5.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden arrest zal worden vernietigd, met veroordeling van [appellant] om de faillissementskosten en het salaris van de curator zoals in het dictum wordt opgenomen, te voldoen.

3.De beslissing

Het hof:
3.1.
vernietigt het verstekarrest van het hof van 23 december 2025 en beslist als volgt:
3.2.
wijst het verzoek tot faillietverklaring ten aanzien van [appellant] af;
3.3.
veroordeelt [appellant] in de faillissementskosten, vastgesteld op €4.331,63 inclusief btw voor salaris van de curator.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, G.J. Meijer en N.M. Brouwer, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2026.

Voetnoten

1.vgl. HR 23 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1902, NJ 1993/559
2.HR 5 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1473, ro. 3.3.4