Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2789

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
200.350.850
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:449 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging bewindvoering wegens onvoldoende zelfredzaamheid ondanks zelfredzaamheidstraject

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van verzoeker tegen de bewindvoering over zijn financiële zaken. Het hof verwees naar een eerdere tussenbeschikking waarin het zelfredzaamheidstraject was aangehouden om verzoeker de kans te geven zijn financiële zelfstandigheid te tonen.

Door ernstige gezondheidsproblemen en andere persoonlijke omstandigheden, waaronder een mentorschap en conflicten met de woningbouwvereniging, kon het zelfredzaamheidstraject niet van start gaan. De bewindvoerder stelde dat opheffing van het bewind niet in het belang van verzoeker is, omdat hij niet in staat is zelfstandig zijn financiële en persoonlijke zaken te regelen.

Verzoeker erkende zijn beperkingen en gaf aan dat hij liever budgetbeheer zou willen dan bewindvoering, zodat hij meer vrijheid heeft om met zijn spaargeld leuke dingen te doen met zijn dochter. Het hof oordeelde echter dat het bewind noodzakelijk blijft, mede omdat verzoeker niet in staat is zijn geldzaken adequaat te beheren en schulden te voorkomen.

De bewindvoerder blijft betrokken en ondersteunt verzoeker ook bij lopende procedures en aanvragen. Het hof bekrachtigde de beschikking van de kantonrechter en wees het meer of anders verzochte af, waarmee het bewind wordt voortgezet.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking tot bewindvoering en wijst het verzoek tot opheffing af vanwege onvoldoende zelfredzaamheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.350.850
(zaaknummer rechtbank Gelderland 10421440 BM VERZ 23-1930)
beschikking van 7 mei 2026
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. E.E.M. Messink,
en
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemer: de bewindvoerder.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[naam1],
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: [naam1] .

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 10 juli 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- een brief van de bewindvoerder, ontvangen op 29 januari 2026;
- een journaalbericht van mr. Messink van 11 februari 2026 met een brief.
1.3
Op 24 maart 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. Aanwezig waren:
- [verzoeker] , bijgestaan door zijn advocaat;
- de bewindvoerder.
2. De motivering van de beslissing
2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van
10 juli 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
In die beschikking heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden en [verzoeker] de kans gegeven om, onder begeleiding van de bewindvoerder, door middel van een zelfredzaamheidstraject te laten zien dat hij weer in staat is zelf voor zijn geldzaken te zorgen.
Wat staat er in de wet?
2.3
In artikel 1:449 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind kan opheffen op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken, zoals in dit geval [verzoeker] .
Standpunten
2.4
De bewindvoerder stelt dat er de afgelopen zes maanden veel is gebeurd in het leven van [verzoeker] , zodat het zelfredzaamheidstraject niet opgestart kon worden. Zo is er per 8 augustus 2025 ook een mentorschap ingesteld, omdat er veel klachten en zorgen waren over de manier waarop [verzoeker] zijn woning onderhield. Volgens de bewindvoerder, die nu ook de mentor van [verzoeker] is, gebruikt [verzoeker] veelvuldig alcohol. Daarnaast kampt [verzoeker] met ernstige gezondheidsproblemen. Volgens de bewindvoerder lukt het [verzoeker] niet om zelfstandig zaken als thuiszorg, een WMO indicatie voor een scootmobiel en taxivervoer te regelen. Er is een onophoudelijk conflict met de bovenbuurman van [verzoeker] en de woningbouwvereniging. In overleg met de bewindvoerder is het leefgeld van [verzoeker] een periode maandelijks uitbetaald. Op verzoek van [verzoeker] is dit weer teruggezet naar een wekelijkse uitbetaling. Volgens de bewindvoerder is opheffing van het bewind niet in het belang van [verzoeker] , omdat er op dit moment zo veel zaken in zijn leven spelen die belemmerend zijn voor het effectief kunnen doorlopen van een zelfredzaamheidstraject.
2.5
[verzoeker] heeft tijdens de zitting bij het hof toegelicht dat hij inziet dat hij zijn financiën niet helemaal zelf kan regelen. Volgens [verzoeker] is hiervoor geen beschermingsbewind nodig, maar zou inzet van budgetbeheer hiervoor ook voldoende zijn. Voor [verzoeker] is het belangrijk dat hij, in de tijd die hem nog gegeven is, van zijn spaargeld leuke dingen kan doen met zijn dochter. Het contact met zijn dochter is recent weer hersteld en [verzoeker] wil graag een keer met haar, en haar partner, op vakantie. Volgens [verzoeker] heeft hij hiervoor genoeg spaargeld. Hij wil hier vrijer over kunnen beschikken, zodat hij af en toe iets voor zijn dochter kan kopen of iets leuks kan doen. [verzoeker] acht het wel van belang dat de vaste lasten betaald worden door iemand anders en dat diegene er ook voor zorgt dat [verzoeker] geen schulden maakt.
Oordeel van het hof
2.6
Het hof is van oordeel dat de noodzaak van het bewind nog wel bestaat. Het zelfredzaamheidstraject is door gezondheidsproblemen van [verzoeker] niet opgestart. De bewindvoerder heeft wel het leefgeld van [verzoeker] maandelijks uitbetaald, zodat [verzoeker] de mogelijkheid kreeg om te werken aan zijn financiële zelfstandigheid. Op verzoek van [verzoeker] is dit weer teruggedraaid naar een wekelijkse uitbetaling. Tijdens de zitting bij het hof heeft [verzoeker] uitgelegd dat hij niet rondkwam met het maandbedrag omdat hij dit direct uitgaf aan, onder andere, drank, waardoor hij aan het einde van de maand tekortkwam en geen geld meer over had voor voedsel. Hierdoor is duidelijk geworden dat [verzoeker] niet zelf in staat is om zijn geldzaken te regelen en zijn financiën zelf op orde te houden. Het bewind is hiervoor nog noodzakelijk.
2.7
Het hof begrijpt dat [verzoeker] de komende periode leuke dingen met zijn dochter wil doen. De bewindvoerder heeft tijdens de zitting bij het hof toegezegd dat dit mogelijk is omdat hiervoor ook budget is. Voor een vakantie moet [verzoeker] , samen met zijn ambulant begeleider, een plan maken. De bewindvoerder zal vervolgens onderzoeken of het plan past binnen het budget en dit verder regelen. Ook een etentje of een andere extra uitgave kan via de bewindvoerder worden aangevraagd of worden terugbetaald.
2.8
Het hof acht het van belang dat de bewindvoerder betrokken blijft. De samenwerking tussen [verzoeker] en de bewindvoerder is goed. De bewindvoerder heeft ervoor gezorgd dat de woning van [verzoeker] is opgeknapt. Ook lopen er procedures tegen de woningbouwvereniging en tegen de leverancier van de scootmobiel van [verzoeker] . De bewindvoerder behartigt de belangen van [verzoeker] in deze procedures. Bij budgetbeheer, zoals door [verzoeker] is verzocht, dient [verzoeker] deze procedures maar ook de aanvraag van bijvoorbeeld bijzondere bijstand zelf te regelen. [verzoeker] is hiertoe niet in staat. Het hof gunt het [verzoeker] dat hij in deze fase van zijn leven kan genieten van het contact met zijn dochter, zonder dat hij zich zorgen hoeft te maken om financiën en lopende procedures.
2.9
Het hof zal de beschikking van de kantonrechter bevestigen (bekrachtigen).

3.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van
20 november 2024,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, E. de Boer en A.L.H. Ernes, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is op 7 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.