Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2776

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
200.357.289
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:178 lid 3 BWArt. 3:185 lid 1 BWArtikel 5 lid 1 Verordening Huwelijksvermogensstelsels (Verordening (EU)2016/1103)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over verdeling woning en belastingschulden na echtscheiding in beperkte gemeenschap van goederen

Partijen zijn gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen zonder huwelijkse voorwaarden en zijn gezamenlijk eigenaar van een woning. Na hun echtscheiding ontstond een geschil over de waarde en verdeling van de woning en de verdeling van belastingschulden.

De rechtbank had bepaald dat bij onenigheid over de taxatiewaarde de woning verkocht moet worden tenzij de vrouw kan aantonen dat zij de woning kan overnemen. De vrouw stelde hoger beroep in tegen deze regeling en wilde een bindende taxatie op €300.000 of door een makelaar naar keuze. De man wilde een gezamenlijke taxatie met een hogere waarde als uitgangspunt.

Het hof oordeelde dat de woning opnieuw tegen actuele waarde getaxeerd moet worden door een door het hof aangewezen makelaar en dat partijen gezamenlijk opdracht moeten geven. De vrouw krijgt drie maanden om financiering rond te krijgen, anders volgt verkoop. Het verzoek om de woning onverdeeld te laten was ongegrond. Daarnaast stelde het hof vast dat belastingschulden die tijdens het huwelijk zijn ontstaan tot de gemeenschap behoren en gelijk verdeeld moeten worden, waarbij regres mogelijk is voor wie meer dan de helft heeft betaald.

Uitkomst: De woning moet opnieuw bindend worden getaxeerd en de vrouw krijgt gelegenheid tot overname; belastingschulden uit het huwelijk worden gelijk verdeeld met regresmogelijkheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.289
(zaaknummer rechtbank Gelderland, 442839)
beschikking van 7 mei 2026
inzake
[verzoekster] (de vrouw)
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. E.E.M. Messink
en
[verweerder] (de man)
die woont in [woonplaats]
advocaat: voorheen mr. U. Ögüt, nu mr. Z. Acer

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank) op 15 mei 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 25 juli 2025
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep
- een journaalbericht van mr. Messink van 24 maart 2026 met producties
- een journaalbericht van mr. Messink van 30 maart 2026 met productie
- een journaalbericht van mr. Acer van 31 maart 2026 met productie.
1.2
De mondelinge behandeling heeft op 9 april 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.De kern van de zaak

2.1
Partijen zijn [in] 2019 met elkaar getrouwd in [plaats1] , Turkije, zonder het maken van huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit en de man de Turkse. Partijen zijn de ouders van twee nog minderjarige kinderen. Partijen zijn gezamenlijk (voor gelijke delen) eigenaar van de woning aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning).
2.2
Het verzoek van de vrouw tot echtscheiding is op 8 mei 2024 ingediend. Beiden hebben verzoeken gedaan met betrekking tot de verdeling van de woning van partijen. De vrouw heeft om toedeling verzocht en de man wenst verkoop van de woning.
2.3
De rechtbank heeft op 15 mei 2025 de echtscheiding uitgesproken en – voor zover in hoger beroep nog van belang – de wijze van verdeling van de woning onder voorwaarden gelast, die kort gezegd op het volgende neerkomt; wanneer partijen niet instemmen met de getaxeerde waarde zoals die is bepaald door de door de rechtbank benoemde makelaar, dan wijst de rechtbank alle verzoeken af en bij instemming met de getaxeerde waarde krijgt de vrouw drie maanden de gelegenheid om aan te tonen dat zij financieel in staat is de woning over te nemen. Zo niet, dan moet de woning worden verkocht.
2.4
De echtscheidingsbeschikking is op 28 november 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.5
De bedoeling van het hoger beroep van de vrouw is dat het hof, primair, de waarde van de woning bindend vaststelt op € 300.000, subsidiair de waarde bindend laat vaststellen door makelaar [naam1] uit [plaats2] of door [naam2] in [woonplaats] , dan wel de vrouw laat bepalen welke makelaar de taxatie doet. Daarnaast verzoekt de vrouw het hof te bepalen dat de beschikking van het hof de toestemming van de man tot het laten verrichten van de taxatie vervangt, indien hij niet binnen drie dagen opdracht tot taxatie heeft gegeven. Daarnaast wil de vrouw dat de man alsnog verplicht wordt om voor de helft bij te dragen aan een aantal belastingschulden.
2.6
De man voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar hoger beroep, dan wel tot afwijzing daarvan en tot bekrachtiging van de bestreden beschikking. Zijn bedoeling van het hoger beroep is, primair, dat het hof bepaalt dat partijen gezamenlijk een taxatie laten uitvoeren door [naam1] of [naam2] in [woonplaats] onder de voorwaarde dat de taxatie bindend is vanaf een waardebepaling van € 350.000, subsidiair, door [naam3] in [woonplaats] , of [naam4] in [plaats2] of [naam5] in [woonplaats] , waarbij de vrouw binnen twee weken na de te wijzen beschikking haar keuze aan hem meldt, welke taxatie vooralsnog niet bindend kan zijn indien partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de getaxeerde waarde.
2.7
De vrouw concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de man in incidenteel hoger beroep.
2.8
Het hof beslist dat voor wat betreft de woning de bestreden beschikking grotendeels moet worden bekrachtigd en op een aantal onderdelen een aanvullende beslissing behoeft. Voor wat betreft de belastingschulden moet de bestreden beschikking voor een deel worden vernietigd en voor een deel worden bekrachtigd. Het hof licht dat als volgt toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

IPR: rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1
Gelet op het internationale karakter (door de verschillende nationaliteiten van partijen) van de zaak is allereerst aan de orde of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om van de verzoeken kennis te nemen en welk rechtstelsel op de beoordeling van het verzoek van toepassing is. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking gemotiveerd uiteengezet waarom zij bevoegd is kennis te nemen van de verzoeken en waarom Nederlands recht van toepassing is. Na ambtshalve toetsing verenigt het hof zich met de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter om te oordelen over het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen. [1] Nu op het punt van het toepasselijk recht op het verzochte geen grief is opgeworpen zal het hof net als de rechtbank Nederlands recht toepassen. Voor het huwelijksvermogensregime betekent dit dat partijen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd zoals die gold na 1 januari 2018 (de beperkte gemeenschap van goederen), nu zij geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt (zie 2.1).
toetsingskader
3.2
Artikel 3:185 lid 1 BW Pro bepaalt dat, als deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de rechter de wijze van verdeling gelast of zelf de verdeling vaststelt en daarbij naar billijkheid rekening houdt met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter is daarbij niet gebonden aan wat partijen over en weer hebben verzocht en hij behoeft niet - expliciet - in te gaan op wat partijen hebben aangevoerd.
peildata
3.3
Als peildatum voor de omvang van de gemeenschap heeft te gelden de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, te weten 8 mei 2024. Voor de bepaling van de waarde van een vermogensbestanddeel bij de verdeling moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling. Van deze hoofdregel kan worden afgeweken, indien partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheersen, anders voortvloeit. Of en in hoeverre daarvan dient te worden afgeweken zal het hof hierna beoordelen.
woning
3.4
De vrouw heeft in hoger beroep drie grieven geformuleerd die betrekking hebben op de woning van partijen. De man heeft met betrekking tot de woning incidenteel hoger beroep ingesteld. Vanwege de verwevenheid behandelt het hof beide hoger beroepen gezamenlijk.
3.5
De vrouw heeft op 7 februari 2025 een taxatie van de woning door [naam6] doen uitvoeren. De waarde is op 18 februari 2025 vastgesteld op € 300.000. De man kon niet instemmen met de getaxeerde waarde van € 300.000 en hij betwistte de getaxeerde waarde. Vervolgens is het geschil over de (waarde van de) woning aan de rechtbank voorgelegd. De vrouw heeft in eerste aanleg – onder meer – verzocht dat de rechtbank de waarde van de woning door middel van een aanwijzing door een taxateur via de ABN AMRO bank bepaalt.
3.6
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de wijze van verdeling van de woning gelast. In rechtsoverweging 4.10, 4.11 en 4.12 van de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verschillende stappen beschreven waarmee tot verdeling van de woning moet worden gekomen en heeft daarmee als het ware een ‘spoorboekje’ gegeven. De rechtbank heeft – onder meer – overwogen dat partijen naar aanleiding van de discussie over de waarde van de woning ter zitting hebben afgesproken dat zij binnen twee weken na de zitting opdracht geven aan [naam7] om de woning te taxeren tegen de actuele waarde.
3.7
Van een taxatie verricht door [naam7] is nooit sprake geweest, omdat [naam7] na de beschikking van de rechtbank aangaf al jaren geen taxaties meer te verrichten. Tot dusver is de woning niet conform de opdracht van de rechtbank getaxeerd naar de actuele waarde.
3.8
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof hebben partijen aangegeven het eens te zijn over het spoorboekje zoals de rechtbank dat heeft bepaald, maar geen overeenstemming te kunnen bereiken over wie de taxatie zal uitvoeren. Die beslissing is aan het hof gelaten. Het hof heeft onderzoek gedaan en merkt het volgende op. Beide partijen hebben [naam1] in [plaats2] voorgesteld en ook [naam2] in [woonplaats] . De man heeft daarnaast nog [naam3] in [woonplaats] voorgesteld, en ook [naam4] in [woonplaats] en ook [naam5] in [woonplaats] . Het lijkt er echter op dat [naam1] werkzaam is voor [naam4] . Deze zal het hof daarom als eerste benoemen. Daarna [naam5] en [naam3] .
3.9
Verder is er door de vrouw nog een opmerking gemaakt over de termijn voor het verkrijgen van financiering. Gelet op de hoofdregel dat voor de bepaling van de waarde uitgegaan moet worden van de waarde ten tijde van de verdeling (zie 3.3), is het hof van oordeel dat de woning (opnieuw) tegen de actuele waarde moet worden getaxeerd en dat partijen gezamenlijk opdracht moeten geven aan de makelaar om de woning
bindendte taxeren. Het hof ziet geen aanleiding voor een afwijking van de hoofdregel. Voor een verlenging van de termijn om tot een financiering te komen (zes maanden in plaats van drie maanden) ziet het hof ook geen aanleiding. Het verzoek van de vrouw eerst ter zitting gedaan is tardief. Bovendien is niet onderbouwd waarom zo’n lange termijn nodig is.
3.1
Indien de vrouw niet in staat is om de financiering met betrekking tot de overname van het aandeel van de man in de woning binnen de genoemde termijn rond te krijgen, moet de woning te koop worden aangeboden. Het hof volgt ook hier het ‘spoorboekje’ van de rechtbank. Het hof wijst dan ook het verzoek van de vrouw om de woning voor de duur van drie jaar onverdeeld te laten af. Het uitgangspunt van de wetgever is dat niemand kan worden gehouden in een onverdeeldheid te blijven. Alleen in heel bijzondere gevallen kan worden bepaald dat er nog niet verdeeld hoeft te worden. Dat is alleen het geval als de belangen van degene die niet wil verdelen ‘aanmerkelijk groter’ zijn dan de belangen van degene die wel wil verdelen, aldus artikel 3:178 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Van voormelde uitzondering is het hof niet gebleken zodat er, op het moment dat blijkt dat de vrouw niet binnen de daarvoor bepaalde termijn in staat is financiering van de overname van het aandeel van de man in de woning rond te krijgen en hem te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, niets aan verkoop (en verdeling van de opbrengst) in de weg staat.
3.11
Zowel in het geval de vrouw financieel in staat is de woning toegedeeld te krijgen en de man te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid als in het geval verkoop van de woning aan de orde komt, moet de man de helft van de door de vrouw gedane aflossingen op de hypothecaire geldlening over de periode 19 april 2024 tot het moment van levering (na verdeling of verkoop) aan de vrouw vergoeden (vanaf 19 april 2024 heeft de man niet meer bijgedragen aan de aflossing van de hypothecaire schuld, zie r.o. 3.58 van de bestreden beschikking).
3.12
Mocht verkoop aan de orde komen, dan wil de vrouw met de kinderen nog zes maanden in de woning blijven wonen na de datum van deze beschikking. De man heeft daar bezwaar tegen gemaakt. Dit verzoek heeft de vrouw eerst ter zitting gedaan. Dat is te laat (tardief). Het hof wijst het verzoek daarom af.
belastingschulden
3.13
De vrouw stelt in haar vierde grief (IV) dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek om te bepalen dat de man gehouden is om de helft van de belastingschulden te betalen heeft afgewezen. De vrouw legt bewijsstukken over dat de belastingschulden zijn ontstaan tijdens het huwelijk en daarmee tot de beperkte gemeenschap van goederen behoren. De man is daarom gehouden om de helft van de schulden te dragen. Aan de hand van de aanslagnummers kan worden herleid waar de aanslagen betrekking op hebben, aldus de vrouw. De man voert verweer.
3.14
Het hof overweegt dat het hoger beroep een herstelfunctie heeft voor partijen om recht te zetten wat in eerste aanleg niet goed is gegaan. Dit geldt ook voor het (tijdig) indienen van stukken. Nu namens de vrouw – ondanks een herinnering en nadere toelichting van de rechtbank – geen nadere stukken in het geding zijn gebracht heeft de rechtbank haar verzoek afgewezen omdat niet is aangetoond dat de schuld aan de belastingdienst deel uitmaakt van de beperkte gemeenschap. Deze stukken kunnen nu alsnog zonder meer betrokken worden bij het geschil in hoger beroep. Het hof verwerpt dan ook het verweer van de man dat haar verzoek in hoger beroep moet worden afgewezen omdat zij bij de rechtbank de belastingschulden niet heeft aangetoond.
3.15
Partijen zijn gehuwd in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen (zie 3.1). Partijen zijn daarmee in beginsel ieder voor de helft draagplichtig voor de schulden die op de peildatum (8 mei 2024, dat is de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek) tot deze gemeenschap behoren.
3.16
De vrouw heeft bij journaalbericht van 24 maart 2026 als productie 2 een bewijsstuk van de belastingschulden in het geding gebracht. Uit dit nader ingebrachte stuk blijkt dat de schuld is gebaseerd op een beschikking huurtoeslag in 2021 met beschikkingsnummer [nummer1] . De vrouw heeft daarmee aangetoond dat het gaat om een schuld die tijdens het huwelijk is ontstaan en daarmee tot de (beperkte) gemeenschap behoort en ook dat de schuld op de peildatum € 2.651 bedroeg. Partijen zijn hier ieder voor de helft draagplichtig voor. De beslissing van de rechtbank op dit onderdeel kan niet in stand blijven. Diegene die meer dan de helft van de totale schuld heeft betaald kan het meerdere op de ander verhalen.
3.17
Voor wat betreft de andere schuld met beschikkingsnummer [nummer2] is niet komen vast te staan dat deze tot de beperkte gemeenschap behoort. De vrouw heeft namelijk niet kunnen aantonen dat deze schuld tijdens het huwelijk is ontstaan. Het hof zal deze vordering daarom afwijzen.
conclusie
3.18
De grieven 1 en 4 slagen voor een deel en falen voor een deel. De grieven 2 en 3 van de vrouw falen. Het verzoek van de man in incidenteel hoger beroep wordt zowel primair als subsidiair, voor zover dat ziet op het niet bindend verklaren van de taxatie, afgewezen. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de verdeling van de ontbonden (beperkte) huwelijksgemeenschap betreft.

4.De beslissing

Het hof:
in het principaal en het incidenteel hoger beroep
4.1
vernietigt de beslissing onder 4.10 en 4.16 van de beschikking van de rechtbank Gelderland van 15 mei 2025, voor zover daarbij aan [naam7] opdracht is gegeven om de woning te taxeren en het verzoek van de vrouw ter zake van de schuld bij de belastingdienst met beschikkingsnummer [nummer1] is afgewezen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
4.2
partijen zullen binnen twee weken na heden opdracht geven aan
a. [naam4] , [naam1] in [plaats2] , indien deze de opdracht niet aanneemt,
b. [naam5] in [plaats3] (ook actief in [woonplaats] ), indien deze de opdracht niet aanneemt,
c. [naam3] in [plaats4] ( [woonplaats] valt ook onder het werkgebied van [naam3] ),
om de woning
bindendte taxeren tegen de actuele waarde, waarbij uitgegaan moet worden van de datum van deze beschikking. Tijdens de taxatie blijven beide partijen buiten wachten op de makelaar. Zij gaan dus niet mee naar binnen. Ieder van partijen draagt de helft van de kosten van de taxatie;
4.3
bepaalt dat de man aan de vrouw de helft moet voldoen van de door de vrouw van 19 april 2024 tot de datum van levering van de woning (na verdeling of verkoop) betaalde aflossingen op de hypothecaire geldlening betreffende de woning;
4.4
verstaat dat partijen in hun interne verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan de belastingdienst met beschikkingsnummer [nummer1] van € 2.651. Voor zover een van partijen uiteindelijk meer dan de helft van de totale schuld zou hebben betaald, kan diegene dat meerdere verhalen op de ander;
4.5
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 15 mei 2025 voor het overige;
4.6
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.7
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt, en
4.8
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, L. Hamer en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door mr. G.J. Heuvelink als griffier en is op 7 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 5 lid 1 van Pro de Verordening Huwelijksvermogensstelsels (Verordening (EU)2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016).