Belanghebbende was het niet eens met de wijze waarop de Ontvanger van de Belastingdienst vervolgingskosten, invorderingsrente en verzuimboetes had opgelegd en de wijze van invordering, waaronder bankbeslag en verrekeningen. Na bezwaar en een uitspraak van de Rechtbank Gelderland, waarin de rechtbank zich onbevoegd verklaarde om te oordelen over schadevergoeding gerelateerd aan bankbeslag en verrekeningen, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het hof heeft het geschil inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht en de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak de belastingrechter niet bevoegd is om te oordelen over besluiten op grond van de Invorderingswet 1990, met uitzondering van enkele specifieke artikelen. Dit betekent dat ook verzoeken tot schadevergoeding als gevolg van dwanginvordering en verrekening niet bij de belastingrechter kunnen worden ingediend.
Daarnaast concludeerde het hof dat het door belanghebbende overgelegde overzicht onvoldoende aanknopingspunten biedt om te concluderen dat er daadwerkelijk schade is geleden die toerekenbaar is aan de reeds vernietigde beschikkingen. Belanghebbende wordt verwezen naar de burgerlijke rechter voor verdere vorderingen.
Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en het hof heeft geen aanleiding gezien om griffierecht of proceskosten toe te wijzen. De uitspraak is op 21 april 2026 gedaan door de vijfde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.