De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland waarin de kinderalimentatie voor het kind [minderjarige1] werd verhoogd naar €462 per maand. De man, vader van het kind en werkzaam als stukadoor in eigen onderneming, betwistte de draagkrachtberekening waarop deze verhoging was gebaseerd.
In eerste aanleg was vastgesteld dat de man €189 per maand betaalde, geïndexeerd vanaf 1 januari 2025. De rechtbank had dit verhoogd naar €462 per maand met ingang van 19 juni 2025. De man kwam in hoger beroep met het verzoek de alimentatie te verlagen naar €105 per maand, wat hij ter zitting wijzigde naar €175 per maand.
Het hof stelde vast dat sprake was van een relevante wijziging van omstandigheden en dat de ingangsdatum van 19 juni 2025 gehandhaafd bleef. De behoefte van het kind werd vastgesteld op €623 per maand in 2025. De man stelde dat zijn winst uit onderneming lager was dan de rechtbank aannam en dat de draagkrachtberekening moest worden gebaseerd op een gemiddelde winst van €37.319 per jaar, wat het hof volgde.
De vrouw voerde aan dat de man meer kon verdienen in loondienst, maar het hof achtte dit niet aannemelijk gezien zijn fysieke beperkingen en huidige werkzaamheden. Het hof vernietigde de bestreden beschikking en stelde de kinderalimentatie vast op €175 per maand, uitvoerbaar bij voorraad.